Casus: vermeende fraude in de toeslagen voor kinderopvang

Plaatsing in Herinneringen en Gedachten aan Sam de Wolff: 20 april 2024

E.A. Bakkum is blogger voor het Sociaal Consultatiekantoor. Hij denkt graag na over de arbeiders beweging.

Vanaf 2017 openbaarde zich in het toeslagenbeleid voor de kinderopvang een bestuurlijk schandaal. Een samenloop van omstandigheden had hier geleid tot de instorting van de rechtsstaat. De huidige blog analyseert de rol van de diverse spelers en instituties in deze affaire. De volksvertegenwoordiging en de Raad van State waren verantwoordelijk voor een controversiële wetgeving, die misstanden toeliet. De ministeries van Financiën en Sociale Zaken voerden de wet uit. De fraudebestrijding schond diverse burgerrechten. Het schandaal mondde uit in de val van het kabinet Rutte 3.

Inhoudelijk zijn voor deze blog drie boeken geraadpleegd, te weten Zo hadden we het niet bedoeld (afgekort NB), Kafka in de rechtsstaat (KR) en Een nieuw sociaal contract (SC)1. Daarnaast is informatie gekopieerd of geverifieerd op websites van internet, zoals Wikipedia. De boeken en veel websites zijn geen eenvoudige materie. Deze blog vat ze beknopt samen, en blinkt dus helaas evenmin uit door leesbaarheid.


Voorgeschiedenis

Download van plakbiljet Nederlandse Vrouwen Beweging
Figuur 1:   Plakbiljet N.V.B.
      (1976)
6

In 2004 trad de Wet Kinderopvang in werking, waarin ook de toeslagen voor kinderopvang geregeld waren. Deze wet is ontworpen door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) (NB 50). De wet had ten doel om het toetreden van de ouders op de arbeidsmarkt te bevorderen. Ook werkzoekenden kunnen een toeslag aanvragen. De belastingdienst (ministerie van Financiën) regelde de uitbetaling van de toeslagen (NB 50). Oorspronkelijk konden ouders zelf hun oppas regelen, bijvoorbeeld binnen de eigen familie (gastouders) (SC 118). Dit was nogal eens een verschuiving van informele naar formele opvang. De gastouders moesten zich laten registreren door de tussenkomst van een gastouderbureau. Deze regeling was zo populair, dat de begroting structureel werd overschreden (NB 42, 45). Bovendien was het bij kleinschalige opvang onmogelijk om de kwaliteit te inspecteren.

Daarom werden vanaf 2010 de eisen van kwaliteit voor gastouders verhoogd (NB 46). Ook moesten de ouders voortaan de beloning van de gastouders betalen aan het gastouderbureau, en niet direct aan de gastouders zelf (NB 46). Hierdoor kwamen de geldstromen beter in beeld bij de belastingdienst.

Hoewel het gastouderbureau een eigen administratie voert over de betalingen aan gastouders, blijven toch de ouders wettelijk aansprakelijk voor fouten. Als het gastouderbureau fraudeert, dan moeten de ouders toeslagen terugbetalen. Vervolgens kunnen zij in beginsel hun kosten terugvorderen bij het gastouderbureau, maar dat mislukt nogal eens (NB 49).


Wetgeving

Volgens artikel 8 lid 2 van de Wet kinderopvang betalen de ouders een vaste eigen bijdrage voor de kinderopvang. Bij arme ouders is de eigen bijdrage klein en haast symbolisch. De rest van de kosten kunnen de ouders betalen uit de toeslag, die zij ontvangen van de belastingdienst. De toeslag gaat dus niet direct van de belastingdienst naar de gastouders. Dit betekent, dat de ouders feitelijk zelf de hele kosten voor de kinderopvang betalen, maar hiervoor worden gecompenseerd door de belastingdienst. Natuurlijk rijst de vraag, wat er gebeurt wanneer de ouders hun eigen bijdrage niet betalen. Merkwaardiger wijze staat dit niet direct in de wet. De algemeen heersende opvatting, bevestigd door de Raad van State (RvS), is dat de eigen bijdrage moet worden betaald om aanspraak te kunnen maken op de toeslag (NB 43).

Een toeslag is een voorschot, net zoals een voorlopige teruggave van de belastingen (NB 100). Dit is een logische keuze voor toeslagen, omdat de groep van arme ouders simpelweg zelf het geld niet heeft. Maar tevens schept het voorschot een risico, dat eigenlijk onacceptabel is. Immers, na de uitbetaling wordt gecontroleerd, of er inderdaad een recht op toeslagen is. Soms zal blijken, dat er toch geen aanspraak op de toeslag was. Als dan wordt teruggevorderd, dan zullen vooral ouders uit de armste groepen financieel geruïneerd worden. Rederlijker wijze moet je bij de armste groepen dus de vordering zodanig matigen, dat de terugbetaling niet te veel leed veroorzaakt. Als burger kun je je dit nauwelijks voorstellen, maar deze redelijkheid was volkomen afwezig in het ontwikkelde beleid voor de toeslagen!

Rampzalig was de formulering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (afgekort Awir), die dateert van 2005. Artikel 26 van deze wet stelde: "Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd" (KR 40). Dat wil zeggen, als er bij nader inzien geen recht is op de toelage, dan moet die in zijn geheel worden terugbetaald. Zonet is geconstateerd, dat arme ouders hierdoor kunnen worden geruïneerd.

Er wordt algemeen erkend, dat dit onacceptabel is. Zie de codering in het evenredigheidsbeginsel van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), met name artikel 3.4: "Het bestuursrecht weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit". Helaas verzwakt de bijzin in artikel 3.4 het evenredigheidsbeginsel, omdat dus artikel 26 van de Awir een hogere prioriteit krijgt dan de Awb. Juist om deze reden had de Awir eigenlijk een zogenaamde hardheidsclausule moeten bevatten. Dit is een clausule, op grond waarvan een bepaling (zoals artikel 26) buiten toepassing kan worden gelaten, als de toepassing ervan zou leiden tot onbillijke gevolgen. Dankzij de hardheidsclausule zou het evenredigheidsbeginsel weer van kracht zijn.

Afbeelding van kwartetkaart Volwasseneneducatie
Figuur 2:   Kwartetkaart
   Volwasseneneducatie

Tijdens de formulering van de Awir is aangedrongen op het opnemen van de hardheidsclausule, onder andere door kamerlid Omtzigt (NB 45). Het kabinet Rutte 2 deed dit niet, omdat het geen maatwerk wilde leveren met de toeslagen voor kinderopvang (NB 44). De doelgroep van de toeslagen is enorm groot en divers, zodat maatwerk zou kunnen leiden tot hoge extra kosten, bijvoorbeeld bij de afhandeling van beroepszaken. Het ontbreken van de hardheidsclausule was bedoeld als een kostenbesparing! Vooral de Raad voor de Rechtsbijstand verzette zich tegen maatwerk (KR 33). Kennelijk overzag men toch de maatschappelijke gevolgen nog niet. In 2012 bepaalde de Raad van State (afgekort RvS), dat de Awir de verplichting oplegt aan ouders om de hele toeslag terug te betalen, indien zij er achteraf geen recht op hadden (NB 51). Hiermee werd de wreedheid van de Awir het staande beleid.

Echter, anderen (o.a. de hoogleraar A.T. Marseille) zijn van mening, dat het oordeel van de RvS onjuist is (NB 203; KR 41). Hun mening baseert onder andere op artikel 16 lid 6 van de Awir: "Een herziening van het voorschot kan leiden tot een terug te vorderen bedrag". Zij argumenteren, dat het bedrag kan worden teruggevorderd, maar dat dit volgens lid 6 niet onvermijdelijk is (KR 38). En lid 5 luidt: "De Belastingdienst / Toeslagen kan het voorschot herzien". Met andere woorden, zelfs het herzien van het voorschot is vermijdbaar (KR 37). Kennelijk kan de Awir zodanig worden uitgelegd, dat de Belastingdienst een beleidsvrijheid heeft. Herziening en terugvordering zouden allebei alleen bij hoge uitzondering kunnen worden gebruikt, bijvoorbeeld in gevallen waar de ouders op grove wijze hebben gefraudeerd.

En hoe zit het dan met de plicht om het gehele bedrag terug te vorderen? Volgens Marseille is zelfs dit artikel 26 vatbaar voor diverse uitleg (NB 203; KR 42). Namelijk, hoewel de hele toeslag kan worden gevorderd, verplicht artikel 26 de belastingdienst hiertoe niet. Het artikel stelt enkel, dat de ouders het bedrag, dat wordt teruggevorderd, helemaal moeten betalen. Het lid verbiedt coulance niet, en laat dus ruimte voor het evenredigheidsbeginsel. Toegegeven, deze uitleg is ietwat spitsvondig, en suggereert dat de wet slecht is geformuleerd. Maar deze gewaagde uitleg zou wenselijk zijn, wanneer de standaard uitleg leidt tot een schrijnende onrechtvaardigheid2.

De strenge en harde jurisprudentie was dus vermijdbaar geweest, wanneer hiertoe de wil aanwezig was. Waarschijnlijk had het ministerie van financiën wel de bedoeling om een harde wet te maken. Het is twijfelachtig of de meerderheid van de politici in de Tweede Kamer zich bewust was van de rampzalige gevolgen van de wet. Bij de behandeling van wetsteksten zijn zij geneigd om te vertrouwen op de deskundigheid van ambtenaren (SC 191). Diverse kamerleden (o.a. Pieter Omtzigt (CDA) en Renske Leijten (SP)) hielden vol, dat de wetgever dit harde beleid niet wilde en bedoelde (NB 229, 264). Maar volgens mij is de Tweede Kamer zelf toch wel de belangrijkste dader in het toeslagen schandaal.

Geen organisatie is feilloos, zelfs niet de volksvertegenwoordiging. Maar het is triest, wanneer juist dit orgaan de rechtsstaat ondermijnt, die het eigenlijk moet handhaven.


Volksvertegenwoordigers over hard beleid

Merkwaardiger wijze waren in de periode 2004-2020 bijna alle leden van de Tweede Kamer een voorstander van een harde handhaving bij overtredingen van de beleidsregels. Liberale partijen menen, dat burgers zorgvuldiger zullen handelen dankzij de dreiging met harde sancties. Sociale politieke partijen menen, dat harde sancties nodig zijn om het draagvlak voor genereuze voorzieningen te bestendigen. Aldus kwamen de volksvertegenwoordigers van sociale partijen nogal eens tot uitspraken, die je niet zou verwachten. In 2014 zei Farshad Bashir (SP): "Alles op alles moet worden gezet om onmiddellijk te stoppen met het uitbetalen van toeslagen aan fraudeurs" (NB 57). Wouter Koolmees (D66) stelde: "[Er werd] nog steeds massaal gefraudeerd, niet alleen door Bulgaren, maar ook door Nederlanders" (NB 58).

In 2015 stelde Pieter Heerma (CDA): "Het is een schande dat het zo eenvoudig is om fraude te plegen" (NB 77, 336). En Tjitske Siderius (SP) zei: "Fraude met toeslagen moet gewoon onmogelijk worden gemaakt" (NB 336). Overigens pleitte Siderius in 2016 wel voor coulance voor ouders, die een terugvordering hadden ontvangen (NB 330). Maar de rest van de Tweede Kamer verwierp zijn pleidooi.


Het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid

Het minsterie van SZW is verantwoordelijk voor de Wet Kinderopvang, en het budget (SC 119). Het ministerie (lees: de ambtenaren) meende, dat dankzij de verplichte eigen bijdrage het aanvragen van een toeslag enigszins wordt beteugeld (NB 50). Daarom wilde het ministerie hard optreden, wanneer de eigen bijdrage niet is betaald. In een beleidsnotitie van 2012 accepteerde SZW welbewust, omwille van de eigen begroting, dat onzorgvuldige ouders hard worden gestraft (NB 51). Kennelijk kon de (vermeende) sociale cultuur in het ministerie dit niet voorkomen. Trouwens, de ministers van SZW tussen 2007 en 2012 (Donner en Kamp) staan niet bekend als buitengewoon meelevende politici.

Ronduit onthutsend is de houding van minister Lodewijk Asscher (PvdA). In 2014 ontving hij een brief van een grootouder, die smeekte om genade voor haar kind, dat was getroffen door een terugvordering. Asscher antwoordde: "Het spijt mij te vernemen dat het moeten terugbetalen van het genoemde bedrag zo'n schaduw werpt over het gezinsleven van uw kinderen. Ik heb noch de bevoegdheid noch de mogelijkheid op te treden in individuele situaties. Rest mij u en uw kinderen het allerbeste te wensen" (NB 54). Hij maakte hier de bewuste keuze om niet in te grijpen, wat moeilijk is te begrijpen van een voorman van de sociaaldemocratie (SC 133).

In 2014 drong in het ministerie toch het besef door, dat de wet leidde tot het ruïneren van burgers (NB 75). De ambtenaren accepteerden de ellende van ouders, omdat zij de toeslagen helemaal wilden afschaffen. Zij verkozen een oplossing op de lange termijn boven een directe verlichting van het leed (NB 75). Die alternatieve oplossing zou er trouwens nooit komen.


De belastingdienst

Het ministerie van financiën heeft de Awir ontworpen, en koos hierbij bewust voor een harde beleidslijn. Tussen 1994 en 2006 was de liberaal Gerrit Zalm hier de minister (met een kleine onderbreking), en meelevendheid was niet zijn sterkste kant. Vervolgens werd het ministerie, via de belastingdienst, de uitvoerder van het toeslagen systeem voor kinderopvang.

Afbeelding van kwartetkaart Concordia Verzekeringen
Figuur 3:   Kwartetkaart
      Concordia

De dienst is hierbij gebonden aan de Wet Kinderopvang, en betaalt de toeslagen uit. De dienst werd dus als eerste geconfronteerd met bezwaren van ouders, die dreigden te worden geruïneerd. In 2010 moest de dienst een standpunt innemen over de behandeling van onzorgvuldige ouders, die uit onwetendheid bijvoorbeeld geen eigen bijdrage hadden betaald (NB 48). De landsadvocaat vond toen de gehele terugbetaling wettelijk niet per se nodig (SC 121). Toch koos de belastingdienst voor deze harde interpretatie (NB 48). In beroep werd de interpretatie helaas bevestigd door de bestuursrechter. In 2012 kwamen dit soort zaken in hoger beroep. Merkwaardiger wijze kreeg toen de belastingdienst alsnog twijfels over de interpretatie (NB 49).

In 2013 kreeg de belastingdienst zelfs extra geld van de Tweede Kamer om fraude met toeslagen op te sporen (NB 180). Het was de bedoeling, dat de kosten van de fraudebestrijding zouden worden terugverdiend met besparingen op de toeslagen (BN 180)3.

In 2014 werd de belastingdienst opnieuw geconfronteerd met schrijnende gevallen van ouders (NB 73; KR 66). Maar de dienst wilde niet zelf het beleid van invordering wijzigen, en ging in gesprek met het ministerie van SZW. In de voorgaande paragraaf is uitgelegd, dat SZW ongevoelig bleef voor het leed. Daardoor leidde ook deze halfslachtige poging van de belastingdienst niet tot een humaner beleid.

Overigens is er ook andere kritiek op de uitvoering door de belastingdienst. Sommige politici zijn van mening, dat de topambtenaren daadwerkelijk ambtsmisdrijven hebben gepleegd (NB 255; SC 63). Er was een vermoeden van etnisch profileren. Soms was het gedrag niet strafbaar, maar wel een schandalig misbruik van de Awb. Bijvoorbeeld werd een ouder automatisch als fraudeur aangemerkt, wanneer de terugvordering van toeslagen meer dan €10.000 was (KR 18; SC 126).

Een ander voorbeeld: de belastingdienst is verplicht om binnen een termijn van 18 weken te beslissen op bezwaarschriften. Dat is ruim 4 maanden, en dus heel veel. Bij overschrijding moet de belastingdienst een kleine boete betalen, als een lichte aansporing4. Echter de belastingdienst koos er voor om bezwaren van ouders soms pas na 15 maanden of anderhalf jaar te beantwoorden (NB 97; KR 71, 146; SC 139). De reden voor deze keuze is, dat men nieuwe bezwaren op tijd wilde behandelen, en daarom oude bezwaren permanent parkeerde (NB 101). De lange periode van rechtsonzekerheid is natuurlijk funest voor het leven van de getroffen ouders. In mijn ogen is het een verkrachting van de wet.

Strikt genomen is de belastingdienst uitvoerend, en niet direct verantwoordelijk voor de rechtsstaat. Nochtans vind ik, dat je in moreel opzicht de ambtenaren een verwijt mag maken van onverschilligheid en gebrek aan daadkracht. Ook de methoden bij het onderzoek naar mogelijke fraude getuigden soms van vooringenomenheid. Het zal geen pretje zijn om te moeten werken in een dergelijke omgeving.


De Raad van State

De paragraaf over wetgeving laat zien, dat de Wet Kinderopvang en de Awir op verschillende manieren kunnen worden geïnterpreteerd. In eerste instantie wordt de interpretatie bepaald door het beleid van de belastingdienst. Als een burger (in dit geval een ouder) deze interpretatie verwerpt, dan kan die bezwaar aantekenen op grond van de Awb. Het bezwaar wordt behandeld door de belastingdienst zelf, en biedt de dienst een mogelijkheid tot zelfcorrectie. Als de belastingdienst volhardt in zijn standpunt, dan kan de burger in beroep gaan bij de bestuursrechtbank. Vervolgens kan de burger in hoger beroep gaan bij de afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (afgekort RvS; Awb artikel 8.015). Bij sommige zaken moet het hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep.

Het hoger beroep in de toeslagen affaire is gewoonlijk ingediend bij de RvS. Aldus moest de RvS zich in laatste instantie uitspreken over de interpretatie van de Wet Kinderopvang en Awir. In 2012 beslist de RvS in een zaak van hoger beroep, dat ouders altijd de hele toeslag moeten terugbetalen, wanneer bij nader inzien niet blijkt te zijn voldaan aan de vooraf gestelde voorwaarden (NB 51, KR 47). Hiermee werd de beleidsvrijheid van de belastingdienst ingeperkt (voor zover die hiervan gebruik had willen maken; zie de voorgaande paragraaf). In 2016 verwierp de RvS zelfs expliciet het evenredigheidsbeginsel bij het beleid van toeslagen!

Natuurlijk bleven er zaken van hoger beroep binnenstromen bij de RvS. Maar de RvS bleef onvermurwbaar, en velde soms de meest draconische vonnissen5. De RvS vernietigde steeds uitspraken van rechtbanken, die ten gunste van de ouders waren (KR 60). De RvS wilde het eigen standpunt niet herzien, zelfs toen er publieke verontwaardiging ontstond. Pas in 2017 begon de RvS met een omslag in het eigen denken. In dit geval schortte de belastingdienst toeslagen voor ouders op, enkel omdat het gastouderbureau onder verdenking kwam (NB 102). Dit mag natuurlijk niet, omdat een besluit volgens de Awb persoonlijk moet zijn en niet collectief. De RvS accepteerde de redenatie van de belastingdienst niet. In 2019 verwierp ook de politiek het gevoerde beleid, waarna de RvS eindelijk koos voor een humanere wetsinterpretatie (NB 132, 208; KR 49; SC 142).

Het is triest te zien, dat juist dit orgaan de rechtsstaat ondermijnt, die het eigenlijk moet handhaven. Het is een onthutsende ervaring, dat in ons systeem meedogenloze mensen vrij kunnen oordelen over naïeve maar goedbedoelende burgers. Daarom is het begrijpelijk, dat het vertrouwen van de burgers in het systeem is geschokt.

Momenteel wordt nagedacht over een nieuwe inrichting van het rechtssysteem, die excessen zoals de toeslagen affaire zou kunnen voorkomen. Een punt van kritiek is de dubbele rol van de RvS (KR 24; SC 194). Enerzijds heeft de RvS een afdeling voor advisering over wetsontwerpen. Hier hebben oudpolitici een toonaangevende rol. Anderzijds treedt de afdeling Bestuursrecht van de RvS op als rechter bij hoger beroep. Deze twee rollen kunnen in conflict raken, met name omdat de afdeling banden heeft met de uitvoering (SC 194).


Omslag in het denken

Al in 2013 constateerde de Nationale Ombudsman, dat de fraudebestrijding door de belastingdienst te ver ging (NB 112). Echter zijn verwijt vond nog nauwelijks weerklank bij het bestuur en de politiek. Vanaf 2014 bracht advocate González Pérez het fraudebeleid van de belastingdienst in de publiciteit (NB 98; KR 58). Zij deed dit vooral om de ouders te helpen, die gebruik maakten van het gastouderbureau van haar echtgenoot. In 2015 diende ze een klacht in bij de Nationale Ombudsman (KR 58). Kennelijk was het onderzoek dermate complex, dat het rapport pas in 2017 verscheen (NB 112; KR 54, 72; SC 138). Het rapport heeft kritiek op de hardheid van het beleid, en over bijkomende aspecten (vertraagde reacties op bezwaren, ongemotiveerd opvragen van bewijsstukken, prematuur stoppen van toeslagen) (NB 112). Helaas leidde het rapport niet direct tot aanpassingen in het beleid (SC 138).

Download van plakbiljet Buro voor rechtshulp
Figuur 4:   Plakbiljet
   Rechtshulp (1981)
6

De bestuurlijke top van de belastingdienst hoopte in 2017 nog, dat een schandaal kon worden voorkomen (SC 131). Hun loopbanen dreigden te worden geknakt. Ouders konden wel inzage krijgen in hun dossier, maar grote delen werden afgeplakt (zwart gemaakt) (NB 244; KR 132). Maar in dit jaar gingen de volksvertegenwoordigers Omtzigt (CDA) en Leijten (SP) kamervragen stellen over de fraudebestrijding (NB 113; SC 138). Vervolgens ontwikkelde zich snel een affaire, die zich met name richtte op de belastingdienst.

Intussen gingen ook interne protesten binnen de belastingdienst door. In 2017 schreef de hoofdjurist Palmen een memorandum, waarin zij het fraudebeleid laakbaar noemde (KR 76; SC 147, 155). Pas in 2019 kreeg de Tweede Kamer inzicht in dit memorandum. Daarbij was het woord "laakbaar" afgeplakt! (SC 158). De Kamer vroeg ook allerlei andere documenten op, en veel tekst was afgeplakt (SC 162). Omtzigt gebruikt hiervoor het woord sabotage (SC 159). Ik kan mij voorstellen, dat hij dit zo voelt.

Al in 2018 kreeg de belastingdienst weinig politieke steun meer (NB 119). Toch dacht de ministeriële top van Financiën nog in 2019, dat de verontwaardiging zou wegebben (NB 131). In ditzelfde jaar stelde het ministerie van SZW, dat zij nooit een hard beleid had gewild (NB 171). Zoals net is opgemerkt, kwam in 2019 ook de Raad van State tot de conclusie, dat een strenge handhaving niet nodig is. Uiteindelijk werd pas in dit jaar de volle omvang van de affaire duidelijk (SC 135).

In 2021 moest het kabinet Rutte 3 aftreden als gevolg van de affaire met de toeslagen voor de kinderopvang (NB 317; SC 68). Dit was het sluitstuk van de zoektocht naar verantwoordelijken. Wel zijn er nadien nog parlementaire enquêtes gehouden.


Evaluatie

Veel actoren hebben bijgedragen aan het schandaal rond de toeslagen voor kinderopvang. Zo reageerden de media soms overtrokken op incidenten in de uitvoering van beleid. Belangengroepen en toezichthouders protesteerden soms, maar pakten niet door. Persoonlijk leg ik de verantwoordelijkheid vooral bij de slechte wetgeving, en dus bij het parlement en de Raad van State. Maar ook de uitvoering door de belastingdienst en het ministerie van SZW was ver beneden peil, en trapte de burgerrechten met voeten. Het parlementair onderzoek naar de misstanden verliep moeizaam, en sommigen zien hierin een sabotage door de belastingdienst. Het schandaal laat zien, dat uitvoerders meer vertrouwen moeten hebben in burgers. Omgekeerd doen burgers er goed aan om de uitvoerders de wantrouwen.

Het is opmerkelijk, dat het schandaal niet wezenlijk kan worden verweten aan de één of andere ideologische richting. Het is waar, dat de periode 2010-2021 een bloeitijd was van de liberale VVD, mede dankzij de populariteit van premier Rutte. Blijkens een eerdere blog kon de VVD 21% of meer van het electoraat binden. Daarom zullen sommigen het beleid in deze periode karakteriseren als neoliberaal. Echter, afgezien van de korte periode 2010-2012 regeerden er steeds centrumkabinetten, waarbij linkse partijen (PvdA, D66, CU) een tegenmacht vormden. Het schandaal kwam vooral aan het licht dankzij de inspanningen van de centrum-politicus Pieter Omtzigt. Opvallend aan deze periode was de opkomst van oppositie-partijen met een nationalistische ideologie, zoals de PVV. Echter, dit lijkt meer een samenloop te zijn dan een verklaring van het schandaal.

Ik moet toegeven, dat deze casus mij aangrijpt. Zolang je je verdiept in theorieën, kun je geloven dat mensen gewoonlijk van goede wil zijn. In dit geval kun je dat niet volhouden. Ambtenaren waren onverschillig, en daardoor meedogenloos. De topbestuurders durfden niet in te grijpen.

  1. Zie Zo hadden we het niet bedoeld (2021, De Correspondent) van J. Frederik, Kafka in de rechtsstaat (2021, Prometheus) van E. Pasman en Een nieuw sociaal contract (2021, Prometheus) van P. Omtzigt. Het boek van Frederik geldt als een klassieker op dit thema. Het is verbazend, dat er zo weinig boeken zijn gepubliceerd over de affaire, wanneer je de aandacht in de media en de grote politieke gevolgen in aanmerking neemt. (terug)
  2. Wijlen Jan Reerink heeft deze gedachte ooit vertaald in de vraag: zijn wij er voor de wetten, of zijn de wetten er voor ons? (terug)
  3. Moreel gezien is dit een verkeerd uitgangspunt. Handhaving (opsporing en bestraffing) ontleent zijn legitimiteit aan een gevoel van recht, vooral bij de betalers van de toeslagen. Zij willen dat de toeslagen doeltreffend worden besteed. Het is dus goed denkbaar, dat handhaving meer kost dan zij oplevert. Natuurlijk is er wel een grens aan de bereidheid om te betalen voor handhaving. Als handhaving duur wordt, dan zal vermoedelijk het systeem van toeslagen worden afgeschaft. Niet alleen is het verdienmodel moreel verwerpelijk, het geeft ook een perverse prikkel bij de uitvoering. Immers, de betrokken ambtenaren hebben er baat bij om zoveel mogelijk onregelmatigheden bij toeslagen te markeren als fraude. Deze economische prikkel verstoort de billijke afweging van de onregelmatigheid. (terug)
  4. Volgens p.121 in Zo hadden we het niet bedoeld was de boete €500 per half jaar overschrijding. Dat is eigenlijk een bizar laag bedrag. (terug)
  5. Volgens p.69 in Zo hadden we het niet bedoeld oordeelde de RvS, dat een ouder €18.000 moest terugbetalen, omdat de eigen bijdrage van €190 niet was betaald. Een andere ouder moest twee jaren aan toeslagen terugbetalen, omdat die het uurtarief en het eigen adres niet had ingevuld. Het ontbreken van één handtekening was voldoende om duizenden euro's terug te vorderen. (terug)
  6. Alle afbeeldingen in deze blog van plakbiljetten zijn afkomstig van de CD-rom, die hoort bij het boek Met emmer en kwast (2005, Uitgeverij Het Fort van Sjakoo) van E. Duivenvoorden. Het illustreert de bloei van het toenmalige actiewezen. Het Fort van Sjakoo is één van de laatste linkse boekhandels (hier: anarchistisch), en gevestigd in Amsterdam. (terug)