In het boek Economic policy: principles and design1 beschrijft de bekende Nederlandse econoom Jan Tinbergen een interessant micro-economisch model van de arbeids-markt. Het model blinkt uit door twee kenmerken. Ten eerste worden zowel de eigenschappen van de werkzoekenden als die van de aangeboden posities exact verrekend via de methode van Quetelet. En ten tweede wordt de voorkeur van de arbeid-zoekende uitgedrukt in een cardinale nuts-functie. Uit het model kan de verdeling van de arbeids-inkomens worden berekend. Tinbergen laat zien hoe daaruit beleids aanbevelingen kunnen worden afgeleid.
In het model van de arbeidsmarkt komen twee theoretische benaderingen samen, die al zijn toegepast in de voorgaande columns. Ten eerste is in de column over het grensnut van geld uitgelegd hoe de sociaal-democraat Jacob van der Wijk de methode van Quetelet toepast. Volgens Quetelet bestaat er een "gemiddelde mens". Daarom zijn de formules van de kans-rekening en van de statistische theorie bruikbaar voor de beschrijving van persoonlijke eigenschappen en gedragswijzen. Ten tweede is in de column over de schaling van het geldnut toegelicht hoe de econoom Berhard van Praag het individuele nut uitdrukt in een wiskundige functie. Alle twee de begrippen, de waarschijnlijkheids-verdeling en de nuts-functie, zijn verwerkt in het huidige model.
Het model is illustratief voor de practische manier, waarop Tinbergen economische verschijnselen benadert. Bovendien is het verhelderend om te zien hoe de eerder behandelde begrippen (menselijke eigenschappen, menselijke nuts-functie) kunnen worden samen gebracht en gecombineerd in één model. En de functionele relaties van het model bieden aangrijpings punten voor het welzijns beleid van de staat, en helpen om onbedoelde neven-effecten te vermijden. Overigens is het model eenvoudig gehouden, en niet meer dan een illustratie van wat er kan.
Allereerst wordt de arbeids-markt geschetst. Stel dat er I eigenschappen van werkzoekenden zijn, die van belang zijn voor de transacties op de arbeidsmarkt. Neem aan, dat aan elke eigenschap i een indicator ti kan worden gekoppeld. Er zij een meet-schaal waarmee aan de indicator ti een numerieke waarde kan worden toegekend voor elke werkzoekende. Uiteraard is een belangrijke eigenschap de intensiteit of productiviteit, waarmee iemand zijn of haar werk doet. Geef die eigenschap het nummer i=1. Voorts is in de column over de schaling van het geldnut gebleken, dat de grootte van het huishouden van de werkzoekende cruciaal is voor het individuele nut. Geef aan deze gezins-eigenschap het nummer i=0. Aldus zijn er in totaal I+1 eigenschappen, genummerd i = 0, ..., I.
Kennelijk kunnen de eigenschappen van de werkzoekende worden voorgesteld door een vector t in een ruimte met I+1 dimensies. Mensen zijn dermate verscheiden, dat de I+1 indicatoren onvoldoende zijn om elke werkzoekende uniek te bepalen. Daarom hoort er bij elke vector t een aantal werkzoekenden. Als dat aantal wordt gedeeld door het totale aantal werkzoekenden, dan vindt men de fractie n(t) van werkzoekenden, wiens eigenschappen gelijk zijn aan de vector t. Met andere woorden, de functie n(t) is de meer-dimensionale frequentie-verdeling van de eigenschappen van de werkzoekenden. Men noemt haar ook wel de (kans-)dichtheids functie.
In dit model registreert de meetschaal continue waarden voor de indicatoren ti. Dien ten gevolge is het handig om n(t) op te vatten als een continue functie in zijn I+1 dimensies. Uiteraard verdwijnt daardoor de afzonderlijke werkzoekende uit beeld, en in diens plaats komt de kans, dat een willekeurige werkzoekende beschikt over zekere eigenschappen. De fractie van werkzoekenden met indicator-waarden in het differentiaal-interval [ti; ti + dti] (met i = 0, ..., I) wordt gegeven door n(t) × dt, waarbij dt het infinitesimale volume verbeeldt.
Op geheel analoge wijze kunnen de eigenschappen van de aangeboden posities worden gemodelleerd. Werkgevers met een vacature in hun bedrijf stellen een profiel op voor de positie, dat is gebaseerd op de zojuist gedefinieerde eigenschappen. Voor elke vrije positie kan aan de indicator si een bepaalde waarde worden toegekend. Echter aangezien de gezins-grootte irrelevant is voor de prestaties op het werk, wordt de eigenschap i=0 hier achterwege gelaten. Dan is de vector s I-dimensionaal. Geef de dichtheids-functie van s in de ruimte van vrije posities weer door m(s).
Aangezien nu t een vector van stochastische variabelen voorstelt, kunnen voor de beroeps bevolking als geheel zijn gemiddelde ν en zijn variantie τi² worden berekend. Hierin is τi de standaard afwijking van eigenschap i. Evenzo wordt s gekenmerkt door zijn gemiddelde μ voor de vacatures tezamen en door zijn standaard afwijking σi. De vraag en het aanbod op de arbeidsmarkt worden in evenwicht gebracht door het arbeidsloon w(s). De evenwichtige markt is helemaal geruimd, zodra elke werkzoekende met eigenschappen t wordt ingehuurd in een vrije positie met eigenschappen s. Dat wil zeggen, er bestaat een unieke transformatie van t naar s. Zij kan worden voorgesteld als de functie t = Ψ(s), of components gewijze ti = Ψi(s).
Definieer nu de matrix F door Fij = ∂Ψi / ∂sj. In de differentiaal rekening wordt F de functionaal matrix van Ψ genoemd. De determinant van F wordt de Jacobiaan JF van de transformatie Ψ genoemd, of ook wel de functionaal determinant. Merk vervolgens op, dat het element ds in de ruimte van de vectoren s van vrije posities een volume ds1 × ds2 × ... × dsI omspant. Evenzo omspant het element dt in de ruimte van de vectoren
Het zojuist gememoreerde markt evenwicht en de daardoor gegarandeerde marktruiming kunnen worden voorgesteld door de gelijkheid ∫ n(t) dt = ∫ m(s) ds. Als hier wordt ingevuld dt = JF × ds, dan is het resultaat
(1) m(s) = JF × n(t)
Aldus is de arbeidsmarkt in zijn algemene gedaante gemodelleerd. Vervolgens maakt Tinbergen ter vereenvoudiging van het model enkele aannames. Allereerst veronderstelt hij, dat de eigenschappen ti van de werkzoekende onderling onafhankelijk zijn. Dan wordt de dichtsheids functie n(t) = n0(t0) × n1(t1) × ... × nI(tI). Evenzo zijn de eigenschappen van de vacatures onderling onafhankelijk, zodat er geldt m(s) = m1(s1) × n2(s2) × ... × nI(sI).
Bovendien neemt Tinbergen voor de dichtheids functie ni(ti) en mi(si) (met i = 1, ..., I) aan, dat zij normale verdelingen zijn. Met andere woorden, de eigenschappen gedragen zich als een Gauss curve, ook wel de lijn van Quetelet genoemd, omdat die haar als eerste toepaste in de sociologie. De lezer ziet hoe Tinbergen hier het voorbeeld van Van der Wijk navolgt. Bij Van der Wijk is er slechts één eigenschap, namelijk het psychische inkomen. Concreet geldt er nu
(2) ni(ti) = exp(-(ti − νi)² / (2 × τi²)) / (τi × √(2×π))
Een zelfde formule geldt er voor mi(si), zij het met μi en σi. Klaarblijkelijk zijn in het model de eigenschappen ti van de werkzoekenden symmetrisch verdeeld rond hun gemiddelde waarde νi. En evenzo zijn de eigenschappen si van de vrije posities symmetrisch verdeeld rond hun gemiddelde waarde μi. De spreiding is louter toevallig, zonder neiging. Hiermee is de modellering van de arbeidsmarkt voltooid.
Tinbergen ontwikkelt een empirische functie voor het nut van een bepaalde vrije positie voor een zekere werkzoekende. De vacature wordt gekenmerkt door de eigenschappen s, en de werkzoekende door de eigenschappen t. Tinbergen hanteert een soortgelijke redenatie voor nuts effecten als is de econoom B.M.S. van Praag in de eerdere column over het nut van geld. Daarin wordt het nut bepaald door de logaritme van de economische grootheden. De nutsfunctie bij Tinbergen luidt3
(3) u(t, s) = ln((1 − γ) × w(s) / (t0/ν0)) − φ(t1) − Σi=2I λi × (ti − si)²
De grootheid γ is de belasting quote, zodat (1 − γ) × w(s) het beschikbare inkomen is. De trouwe lezer van de eerdere columns herkent in de term (1 − γ) × w(s) / t0 het hoofdelijke inkomen van het huishouden. De term ν0 is gemaks halve toegevoegd, maar verandert niets aan de nuts verdeling. Naarmate de arbeids-intensiteit t1 toeneemt, zal gewoonlijk de onlust groeien. Het precieze functionele verband van deze onlust wordt in het midden gelaten, en voorgesteld door de functie φ. Gewoonlijk zal zij toenemen met t1, en Tinbergen vermoedt zelfs een steeds steiler verloop, in navolging van Sam de Wolff. Inderdaad kan men zich niet onttrekken aan de indruk, dat De Wolff hier de leermeester is4.
De laatste term drukt uit, dat verschillen tussen de persoonlijke eigenschappen en de eisen van de positie leiden tot gevoelens van onlust5. Gezien de aanname van een willekeurige spreiding in de persoonlijke eigenschappen, zullen zowel positieve als negatieve afwijkingen leiden tot dezelfde onlust. Dat wordt simpel in rekening gebracht door de afwijking te kwadrateren. Het valt op hoe pragmatisch Tinbergen omgaat met het nuts-begrip, en dat hij niet terugschrikt voor de cardinale benadering. Het ligt voor de hand dat Van Praag in zijn eigen werk hieruit moed heeft geput. Bovendien omvat de formule 3 de hedonistische loon-theorie, al schijnt die te stammen van 1974, dus na de publicatie van Economic policy: principles and design. Immers de werkzoekende is bereid om loon in te leveren voor een meer passende positie.
De loonterm w(s) verdient een nadere beschouwing. In de voorgaande paragraaf is opgemerkt, dat althans in dit model het arbeidsloon ontstaat uit het evenwicht op de arbeids-markt. Er is reeds geconstateerd, dat in het evenwicht de vacature s wordt vervuld door een werker met eigenschappen t = Ψ(s). Uiteraard moet de beloning ook afhangen van de hoeveelheid p(s, t), die deze werker kan produceren in zijn baan. Tinbergen gebruikt een productie functie voor de werker van de gedaante
(4) p(s, t) = α0 + α1 × t1 + Σi=2I αi × ti + Σi=2I βi × si
De term α0 is het basis product, dat afhangt van de gemiddelde baan-eisen μ en van de spreiding σi (i = 1, ..., I) ervan6. De twee middelste termen in het rechter lid van de formule 4 hangen af van de kwaliteiten van de werker. Enkel de laatste term relateert de productie-functie aan de specifieke eigenschappen si van de baan, al levert elke baan-eis natuurlijk ook een kleine bijdrage aan μ en dus aan het vastleggen van α0.
Op de arbeids-markt zorgt de wisselwerking tussen de werkzoekenden en de ondernemers voor het markt-evenwicht7. De ondernemers zullen vrije posities aanbieden, zolang zij er hun winst mee kunnen vergroten. Hun totale aanbod legt vast welk basis product α0 er zal worden voort gebracht. Maar verder doet Tinbergen geen uitspraken over de invloed, die de maximalisatie van de winst zal uitoefenen op de grootheden si en op de parameters μ en σi van hun dichtheids functie.
Wel wordt in het model het besluitvormings proces van de werkzoekende nader bestudeerd. Allereerst zal de werkzoekende kiezen voor een zodanige arbeids intensiteit t1, dat daardoor zijn nut maximaal wordt. In formule is dat ∂u/∂t1=0, waarbij u is gegeven door de formule 3. Toepassing van de ketting regel ∂u / ∂t1 = [∂u / ∂(ln(w))] × [∂(ln(w)) / ∂p] × [∂p / ∂t1] en van de formule 4 leidt tot het resultaat
(5) α1 × ∂(ln(w)) / ∂p = ∂φ / ∂t1
In de voorgaande paragraaf is al geconstateerd, dat φ(t1) redelijker wijze stijgend zal zijn. In het simpelste geval is de stijging lineair. Daarom neemt Tinbergen aan dat geldt ∂φ / ∂t1 = α1 × L1, waarin L1 een constante is. De consequentie is, dat ln(w) een term L1 × p moet bevatten. Merk op, dat dit model slecht past bij het stelsel van het stukloon, waar w evenredig is aan p. Integendeel, hier stijgt het loon exponentieel met de productie8.
Vervolgens zal de werkzoekende kiezen voor de vacature met eigenschappen s, die zijn nut maximaliseert. In formule is dat ∂u/∂si = 0 voor i=2, ..., I. Ook hier verleent de ketting regel nuttige diensten: ∂u/∂si = [∂u / ∂(ln(w))] × [∂(ln(w)) / ∂si]. Tezamen met de formule 4 volgt er
(6) ∂(ln(w)) / ∂si = 2 × λi × (si − ti)
Helaas kan uit deze afwijkingen si − ti op de arbeids-markt niet vanzelf worden afgeleid hoe ln(w) zal afhangen van si. Tinbergen besluit om een uiterst simpele gedaante te kiezen voor ln(w), namelijk
(7) ln(w) = ρ × ln(ν0 / t0) + L0 + L1 × p + Σi=2I Li × si
De p-afhankelijkheid volgt uit de formule 5. De constante L0 legt een soort statistisch minimum loon vast. De term ln(ν0 / t0) heeft in de formule 7 een andere betekenis dan in de formule 3. Hij geeft hier aan dat de staat een bevolkings-beleid ontwikkelt. Huishoudens met een grootte boven ν0 krijgen een gezins toelage. Anderzijds moeten huishoudens met t0 < ν0 wat inleveren van hun arbeids-inkomen, wellicht om de compensatie-regeling voor grote gezinnen te financieren9.
Blijkens de formule 7 leidt een toename van één van de eigenschappen si (i>1) kennelijk tot een exponentiële loonstijging. Merk op, dat de si normaal zijn verdeeld, zodat de kans op extreme uitschieters gering is. Vervolgens kan de formule 4 worden ingevuld in de formule 7, waarna de formule 7 kan worden ingevuld in de formule 6. Het resultaat is, na een simpele omwerking van termen,
(8) ti = si − (L1 × βi + Li) / (2 × λi)
Als de constanten allemaal positief zijn, wat voor de hand ligt, dan zijn klaarblijkelijk in het markt-evenwicht de eigenschappen van de werkzoekende structureel lager dan de baan-eisen. Bovendien is er een één op één relatie tussen de persoonlijke vaardigheden ti en de eisen si. Dien ten gevolge is de Jacobiaan in de formule 1 gelijk aan JF=1. Kennelijk laat de transformatie t = Ψ(s) de volumina intact. Als bovendien de dichtheids functies worden vereenvoudigd op de manier, die is voorgesteld direct na de formule 1, dan vindt men
(9) mi(si) = ni(si − (L1 × βi + Li) / (2 × λi))
Klaarblijkelijk schrijft de verdeling van de eigenschappen van de werkzoekenden voor, welk assortiment aan banen er moet worden aangeboden. Als ni(ti) normaal verdeeld is volgens de formule 2, en evenzo mi(si), dan bestaat er zelfs een directe relatie tussen de wederzijdse gemiddelden en varianties. Zij luidt
(10) (si − μi)² / σi² = (si − νi − (L1 × βi + Li) / (2 × λi))² / τi² − 2 × ln(σi / τi)
De formules 8 tot en met 10 zijn de kroon op het werk in dit model van de arbeids-markt. Het is kennelijk in het belang van de werk zoekenden, dat de economische structuur rekening houdt met hun vaardigheden en ervaringen. Een goede inrichting van de economie draagt bij aan het maatschappelijke welzijn. Er bestaat zoiets als "gewoon goed werk", al moet direct worden erkend, dat deze conclusie logisch voortkomt uit de keuze van de formule 3.
De zaak wordt nòg duidelijker, wanneer wordt verondersteld dat de ondernemers bij hun vraag naar werkers rekening houden met de aangeboden vaardigheden. De formule 10 vereenvoudigt aanzienlijk door aan te nemen, dat de ondernemers banen creëren volgens de vuistregel σi = τi. Immers dan moet er gelden
(11) μi = νi + (L1 × βi + Li) / (2 × λi)
Dat wil zeggen, de gemiddelde eis i van alle banen tezamen voldoet aan dezelfde formule 8 als de afzonderlijke eis i van iedere baan. Zowel de nuts constante λi als de loon constanten Li oefenen invloed uit op de relatie. De ondernemers hebben enige speelruimte bij het creëren van banen door de belonings structuur van de formule 7 slim te kiezen. Op p.242 van Economic policy: principles and design wijst Tinbergen er op, dat ook de staat enige invloed kan uitoefenen. Dat is direct duidelijk voor de belasting quote γ. Bovendien kan de staat via het onderwijs beleid de eigenschappen ti veranderen. En tenslotte kan de staat via een macro-economisch loon-beleid ingrijpen in de functie w(s). Dit alles wordt verder uitgewerkt in de volgende paragraaf.
Op p.194 en verder in Economic policy: principles and design laat Tinbergen zien hoe de staat aan de hand van dit eenvoudige arbeids-markt model een welzijns-beleid kan ontwikkelen. In het bijzonder blijkt de staat de inkomens verdeling te kunnen aansturen. Om te beginnen kan uit de formule 4 direct de landelijke productie per werker worden berekend:
(12) pland = α0 + α1 × ν1 + Σi=2I αi × νi + Σi=2I βi × μi
Uiteraard zal de algehele welvaart toenemen, naarmate de gemiddelde productie pland per werker toeneemt. Dat is te bereiken door ν1 te vergroten, bijvoorbeeld door aan te moedigen, dat de werkers meer discipline ontwikkelen. De formule 3 laat zien, dat zo een beleid tweesnijdend is. Enerzijds neemt de tevredenheid toe door de stijgende w, maar anderzijds ontstaat er wegens de functie φ(t1) onlust. Dit is precies wat ook Sam de Wolff betoogt in zijn arbeids waarde leer. Een beter beleids middel is de verhoging van νi (i = 2, ..., I) door middel van onderwijs en (bij-)scholing. Blijkens de formule 12 neemt daardoor pland toe zonder onwenselijke neven-effecten.
Gewoonlijk voelen mensen zich gelukkiger in een egalitaire maatschappij. Daarom kan de staat het welzijn bevorderen door de spreiding van de inkomens te verminderen. Het model bevat daadwerkelijk formules waaruit de nationale inkomens ongelijkheid kan worden berekend. Substitueer daartoe de formule 4 in de formule 7, en elimineer de term L1 × β1 + Li met de formule 11. Het resultaat is
(13) ln(w) = ρ × ln(ν0 / t0) + L0 + L1 × (α0 + α1 × t1 + Σi=2I αi × ti) + 2 × Σi=2I (μi − νi) × λi × si
Tinbergen neemt aan, dat ln(t0) normaal is verdeeld, waarbij de variantie τ0² is10. Eerder is al aangenomen, dat de overige ti en si normaal zijn verdeeld. Het is bekend uit de statistische theorie, dat functies met de eigenschappen van ln(w) zelf normaal zijn verdeeld. Om precies te zijn, ln(w) moet een variantie hebben gelijk aan11
(14) σln(w)² = ρ² × τ0² + L1² × α1² × τ1² + L1² × Σi=2I αi² × τi² + 4 × Σi=2I (μi − νi)² × λi² × σi²
De formule 14 bevat aanwijzingen hoe de spreiding in de inkomens kan worden verminderd, en is daarom fascinerend. Beschouw de eerste term met de grootheid ρ, die de gezins toelage modelleert. Het lijkt alsof de nivellering het best is gediend met ρ=0, maar dat is een misvatting. Wordt namelijk de formule 13 ingevuld bij de formule 3, dan verschijnt er in de individuele nuts-functie u een gezins-term (ρ − 1) × ln(ν0 / t0). Klaarblijkelijk kan een gezins-toelage met ρ=1 het nut u onafhankelijk maken van de familie-planning. Met andere woorden, in laatste instantie moet niet worden gekeken naar het arbeids-inkomen per huishouden, maar naar het arbeids-inkomen per hoofd.
Het spreekt voor zich, dat het model lang niet alle aspecten omvat, die in werkelijkheid wezenlijk zijn voor de arbeidsmarkt. Onvolledigheid is het noodlot van elk model. Echter maakt de wiskundige voorstellings wijze de probleem stelling transparanter en verheldert zij de afhankelijkheden tussen de diverse grootheden. Voor het economische inzicht geeft het model meer kracht dan bijvoorbeeld de trefwoorden lijst van Hendrik de Man, die trouwens evenmin volledig is. Aldus is het model bij uitstek geschikt om denkfouten te vermijden of aan het licht te brengen.