Over Sam de Wolff

De economische betekenis van Sam de Wolff

Foto van de Wolff
Overgenomen uit literatuur (4)

Temidden van al de Nederlandse economen, die zich hebben ingezet om de maatschappelijke vooruitgang te bevorderen door nieuwe en onconventionele theorieën aan te dragen, neemt Sam de Wolff een unieke positie in1. Hij heeft slechts één economisch boek geschreven, getiteld Het Economisch Getij, verschenen in 1929, maar dit werk was zo baanbrekend, dat daarmee zijn naam voorgoed gevestigd werd. In dit boek vulde de Wolff een belangrijke kennislacune van zijn tijd in, namelijk de oorzaak en het gedrag van de economische crisis in het kapitalisme.

Dit thema behoorde tot de meest belangrijke economische vraagstukken, omdat juist in de crisis de nadelen van het kapitalisme het ergst worden gevoeld. De crisis vernietigt werkgelegenheid en kapitaalgoederen, en veroordeelt mensen materieel en moreel tot de bedelstaf. Bovendien kan zij blijvende schade aanrichten aan de economische groei op de lange termijn. Driekwart eeuw eerder al had Karl Marx (1818-1883) zich diepgaand met het thema bezig gehouden, onder andere in Band 3 van Das Kapital, maar tot een sluitende crisistheorie was hij niet gekomen. Sam de Wolff borduurde voort op het werk van Marx, en vulde het aan met inzichten uit de grensproduct-theorie. Bovendien deed de Wolff een uitgebreid onderzoek naar de beschikbare empiririsch gegevens. Aldus slaagde hij er in om een afgeronde en praktisch bruikbaar model te ontwikkelen.

Foto van de Wolff
Kranten-knipsel 1932

Het werk van de Wolff verscheen precies op het juiste moment, want kort na zijn publicatie werd de wereldeconomie getroffen door de Grote Depressie. Deze ernstigste crisis uit de recente economische geschiedenis ontwortelde hele samenlevingen, en zou pas definitief worden overwonnen in de loop van de Tweede Wereldoorlog. De Wolff mocht het genoegen smaken om deze crisis, die voor vrijwel iedereen als een volslagen verrassing kwam, in zijn boek te hebben aangekondigd.

Ondanks de verdiensten kreeg het boek Het Economisch Getij alom een lauwe of zelfs kille ontvangst. Het boek lijdt onder zijn originaliteit en gedurfdheid, omdat de verkondigde theorie weliswaar verdedigbaar is, maar niet buitengewoon aannemelijk. Er bestaan andere theorieën, die met minder gedurfde veronderstellingen de feitelijke gebeurtenissen even goed kunnen verklaren. De Wolff heeft daarom nooit de wereldwijde faam kunnen opbouwen van bijvoorbeeld zijn tijdgenoot Jan Tinbergen, die later met de Nobelprijs zou worden vereerd. De oorzaak is te vinden in de persoonlijke aard van de Wolff - en hij heeft dat zelf toegegeven - die werd gekenmerkt door een sterke geldingsdrang en een zekere blindheid voor de eigen gebreken. Vooral deze laatste karaktertrek zat hem als wetenschapper steeds dwars.

Al schoot de Wolff als wetenschapper enigszins tekort, zijn dominante karakter hielp hem zeer om zijn ideeën uit te dragen en te propageren, en om het debat te zoeken met economische tegenstanders. In zulke debatten wist hij de eenzijdigheid van zijn wetenschappelijke kennis te compenseren door politieke overtuiging en door retorische vaardigheden. Dankzij zijn aard kon de Wolff in de diverse kenniscentra, waaraan hij was verbonden, steeds een leidende rol spelen. Aldus wist hij ook zijn medewerkers, zoals de getalenteerde Jacob van der Wijk, te overvleugelen. Het hoofdwerk van van der Wijk, getiteld Inkomens- en vermogensverdeling (1939), wordt door deskundigen gewaardeerd, maar kreeg niet de faam van Het Economisch Getij.


De levensloop van Sam de Wolff

Tekening van de Wolff
Overgenomen uit literatuur (2)

De Wolff werd in 1878 geboren te Sneek. Zijn vader was een kind van een straatarme Duitse immigrant, en slaagde er door zijn grote wilskracht in om zich op te werken tot een handelaar en importeur van textielwaren. Hoewel het gezin economisch behoorde tot de gegoede klasse, beperkte hun Joodse geloofsovertuiging de sociale contacten tot de kleine Joodse gemeenschap in Sneek en omstreken. In de beginjaren was de vader een overtuigd radicaal in de Friese volksbeweging, maar later maakte hij een politieke ommezwaai naar de liberalen. Sam de Wolff eigende zich het dominante karakter van zijn vader toe, waardoor vader en zoon in de jaren der adolescentie steeds vaker in botsing kwamen. Sam hield vast aan de vroege linkse politieke opvatting van zijn vader, wellicht mede gesteund door de vriendelijke sfeer in het kleine locale Lyceum, waar hij zijn middelbare school opleiding doorliep.

In 1897 kwam Sam de Wolff in contact met Friese arbeiders, die in Sneek een afdeling van de Sociaal Democratische Arbieders Partij (SDAP) wilden oprichten. Hij las toen onder andere Het Communistisch Manifest van Marx en Engels2, en Het Erfurter Programma van Kautsky en Bernstein3. Zijn vader stuurde hem evenwel naar Amsterdam met de opdracht om medicijnen te gaan studeren. Dit was zeer tegen de zin van Sam, die zich meer aangetrokken voelde tot de wiskundige en literaire vakken. Desondanks haalde hij nog wel zijn propaedeutisch examen. In 1899 hielp hij mee om alsnog de Sneker SDAP afdeling op te richten. Dit leidde tot een diepgaand conflict met zijn vader, die hem het huis uit zette, al bleef hij wel de studie van Sam bekostigen.

Sam de Wolff bleef nog enkele jaren als student in Amsterdam wonen, maar besteedde deze tijd vooral aan het bestuderen van de politiek en de economie. Ook werd hij actief in de verkiezingscampagnes van de locale SDAP afdeling. Amsterdam had toen een Joods proletariaat, vooral diamantbewerkers, die al gauw een harde kern van de socialistische partij en vakbeweging zouden vormen. Later probeerde hij zelf aan de kost te komen met allerlei klussen, zoals vertaalwerk en bijlessen geven in talen, wiskunde en economie. Ook was hij gedurende enige tijd een hoofdagent van de arbeidersverzekeringsmaatschappij De Centrale. Geleidelijk legde hij zich beroepsmatig toe op het boekhouden, en richtte tenslotte een accountantskantoor op.

Foto van de Wolff
Krantenknipsel 1960

De Wolff legde in zijn Amsterdamse jaren zijn Joodse geloof af. Hij bleef zich echter etnisch een deel voelen van de Joodse gemeenschap. Op de universiteit van Amsterdam had hij al zijn vriend Jacob van der Wijk leren kennen. Later ging hij ook veel om met Joodse voorlieden van de SDAP, zoals David Wijnkoop. De Wollf ontwikkelde vanuit zijn natuurwetenschappelijke achtergrond een bijzondere belangstelling voor de marxistische economie en sociologie. Dit plaatste hem ideologisch op de intellectuele linkervleugel van de SDAP, rondom het tijdschrift De Nieuwe Tijd. Maar ook ontwikkelde de Wolff, zoals veel Joden in zijn omgeving, sympathie voor het zionisme, dat in de negentiende eeuw was geïntroduceerd door Mozes Hess. Terwijl hij enerzijds negatief afgeeft op zijn broer, die in Zuid-Afrika sneuvelde in de boerenstrijd tegen de Britse invasiemacht, kon hij in de Joodse migratie naar Palestina geen imperialistische trekken herkennen. Zijn Joods nationalisme was kennelijk sterker.

De Wolff werd een graag gezien publicist in de socialistische bladen, zoals De Nieuwe Tijd, Het Volk, De Socialistische Gids, De Tribune, en na de Tweede Wereldoorlog De Vlam. In de twintiger jaren legde hij zich toe op het onderzoek naar de economische conjunctuur, en deed daarvan verslag in zijn publicaties en in het boek Het Economisch Getij (1929). Dat leidde tot enige internationale bekendheid, en in 1930 gaf de gemeenteraad aan de Wolff op zijn verzoek een aanstelling bij de universiteit, als privaatdocent in de conjunctuurleer. De aanbeveling door de bekende Wibaut, zelf auteur van enkele economische werken, schijnt hierbij veel gewicht in de schaal te hebben gelegd. Hiermee passeerde de socialistische raadsfractie het faculteitsbestuur, dat mordicus tegenstander was van de benoeming. Inderdaad was de Wolff door zijn koppigheid en blindheid voor eigen gebreken moeilijk inpasbaar in het wetenschappelijke instituut. Zijn colleges lijken vooral politiek radicale studenten te hebben aangetrokken4.

De Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting van Nederland werden voor de Wolff een diepe tragedie. Nadat zijn ziekelijke vrouw kwam te overlijden, werd hij in 1943 samen met zijn enige zoon Leo en diens vrouw op transport gezet naar het concentratiekamp Bergen-Belsen. De Wolff werd later uitgezet naar Palestina, maar zijn zoon moest achterblijven en overleed een paar dagen na de bevrijding aan de ontberingen5. Na de oorlog keerde de Wolff terug naar Nederland. Hij hertrouwde, en wierp zich ondanks zijn hoge leeftijd opnieuw op de politiek. Van deze tijd stammen de bundel columns Van eersteling tot late oogst (1948), het geschiedswerk over de socialistische beweging En toch ... Driekwart eeuw socialisme in vogelvlucht (1951), en de autobiografie Voor het land van belofte (1954). In 1960 overleed hij.


Politiek en Sam de Wolff

Foto van bestuur SDB
Overgenomen uit literatuur (7). V.l.n.r.
Sam de Wolff, Willem van Ravesteyn, Herman Gorter,
David Wijnkoop, Louis de Visser, Gerrit Mannoury,
Jan Ceton

De Wolff heeft veel bijgedragen tot de opbouw van het socialisme in Amsterdam. Hij speelde een belangrijke rol in de grotendeels Joodse afdeling 3 (later 5) van de SDAP, en was daar onder andere voorzitter van. Zoals al is vermeld, sloot hij zich aan bij de intellectuele marxisten, die de linker vleugel van de SDAP vormden. Herman Gorter was één van de meest fanatieke aanvoerders van deze stroming, en raakte verwikkeld in heftige polemieken met de partijleider Piter Jelles Troelstra (een Fries, net zoals de Wolff). In 1907 richtte deze radicale groep een eigen orgaan op, geheten De Tribune. De Wolff werd hiervan een toonaangevend medewerker. Men wist echter zo weinig maat te houden, dat de radicale marxisten in 1909 uit de SDAP werden gezet. De groep ging verder onder de naam Sociaal Democratische Partij (SDP). Dit project werd een mislukking, en de gedesillusioneerde de Wolff keerde in 1912 terug naar de SDAP om haar nooit meer te verlaten. In terugblik betreurde hij de splitsing, omdat daardoor de SDAP en vooral haar charismatische leider Troelstra gedwongen werden tot een meer rechtse koers.

Binnen de SDAP heeft de Wolff altijd de rol gespeeld van de lastige marxistische horzel. Hij stelt in zijn autobiografie dat de SDAP tot 1918 een vruchtbaar beleid heeft verdedigd. Na dat jaar stelde de partij zich evenwel open voor regeringsdeelname, en daarmee nam zij volgens de Wolff afstand van de marxistische ideologie. De Wolff was zo principieel, dat hij in 1921 uit de SDAP-fractie van de Amsterdamse gemeenteraad stapte, toen die fractie enkele stakende gemeente-ambtenaren in zijn ogen onheus bejegende. Vervolgens vertegenwoordigde hij van 1927 tot 1932 de SDAP als fractielid in de Provinciale Staten van Noord-Holland. Het praktische politieke werk liet zich evenwel slecht verenigen met zijn recalcitrante karakter. Maar toen in 1932 een radicale groepering zich afsplitste om onder leiding van de communist Jacques de Kadt de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) te vormen, ging de Wolff niet mee. De Wolff gaf er de voorkeur aan om zijn activiteiten te verleggen naar nevenorganisaties met een ideologische doelstelling. Zo werd hij voorzitter van de Socialistische Vereniging tot bevordering van de studie van Maatschappelijke Vraagstukken (SVMV) en van vrijdenkersvereniging De Dageraad6.

Ook toen de SDAP na de Tweede Wereldoorlog werd omgezet in de volkspartij Partij van de Arbeid (PvdA) bleef de Wolff een actief lid, al was zijn marxistische standpunt intussen geheel sectarisch geworden. Tussen 1947 en 1952 was hij tijdelijk partijloos, wegens de militaire acties in Nederlands Indië. De Wolff heeft nog tot twee keer toe geprobeerd de schaarse marxistische krachten binnen de PvdA te bundelen in het Sociaal-Democratisch Centrum (SDC), maar dat werd geen succes. Het SDC was te radicaal om door de partijleiding als intern orgaan te kunnen worden geaccepteerd, en moest worden opgeheven. Hierbij zal ook een rol hebben gespeeld, dat zij dreigde te worden geïnfiltreerd door de toendertijd zeer actieve bolsjewieken.


Het zionisme en Sam de Wolff

Het is bijzonder om te lezen hoe de Wolff zich steeds Nederlander èn Jood heeft gevoeld - in tegenstelling tot veel partijgenoten van Joodse komaf, die hun dubbele nationaliteit wèl hadden opgegeven. Hij noemde de Joodse gemeenschap een karaktergemeenschap, voortspruitend uit lotsgemeenschap. Al in 1904 werd de Wolff, samen met zijn goede vriend van der Wijk, lid van de Nederlandse Zionisten Bond. Vanaf 1933 deed hij mee aan de Amsterdamse afdeling van de Paole Zion Stichting, die de Zionisten met een socialistische overtuiging verenigde. Zijn drijfveer was nationalistisch, omdat de Wolff al decennia eerder het geloof had afgezworen. Toch bevatten zijn boeken en geschriften talloze citaten uit het Oude Testament, en overigens ook van Joodse auteurs zoals Heinrich Heine.


Het economische model van Sam de Wolff

Cartoon van de Wolff
Cartoon uit De Notenkraker
Overgenomen uit literatuur (4)

De website bevat een aantal columns over de economische studies van Sam de Wolff. In de eerste column wordt uiteengezet hoe de Wolff de economische conjunctuur beschreef als een samenstel van een korte en een lange golfbeweging. De golf met de lange periode noemde hij het economisch getij. In een volgende column wordt verhaald, hoe de Wolff de oorzaak van de dubbele golfbeweging weet te herleiden tot natuurlijke processen.

De Wolff was overtuigd, dat je de conjunctuur moet bestuderen in samenhang met de lange-termijn ontwikkeling van het nationale product. In een column wordt het vernuftige model uitgelegd, waarmee hij de omvang van het nationale product berekende. Dit model toont aan, dat werkloosheid in het kapitalisme onvermijdelijk is. Bovendien kan het enkele effecten van de technologische vooruitgang beschrijven. Dit model heeft een historische betekenis, omdat het één van de eerste pogingen is om een theorie van collectieve onderhandelingen te formuleren. In feite oogt zijn model tamelijk modern. Vervolgens stelde de Wolff zich de vraag hoe dat nationale product is verspreid over de diverse bedrijfstakken. Hij gebruikte het reproductieschema van Marx om te bewijzen, dat het economische systeem zelfs bij een voortdurend toenemende kapitaal-intensiteit zich zonder haperingen kan blijven ontwikkelen. In dit opzicht verschilde hij van mening met Rosa Luxemburg. Een column beschrijft de veronderstellingen en rekenvoorbeelden, waarmee hij zijn model rechtvaardigde. Hij constateerde evenwel een probleem in het geval, dat ook de meerwaardevoet geleidelijk zou toenemen. Dat veroorzaakt volgens hem namelijk wanverhoudingen in het economische systeem. In een aparte column wordt uiteengezet, hoe de Wolff aldus tot de conclusie komt, dat de conjunctuur ontstaat uit discontinue sprongen in de meerwaardevoet. Met dit deel van zijn theorie slaat hij de brug tussen zijn conjuncturele beschouwingen en zijn groeitheorie.

Daarnaast ontwikkelde de Wolff zijn eigen arbeidswaardeleer, waarmee hij onder andere de totale productie-omvang van de samenleving kan berekenen. In enkele columns wordt eerst het meest simpele geval van deze waardeleer uitgelegd, waarna vervolgens ook complexere situaties aan de orde komen. Een lastig aspect is de verwisselbaarheid van verschillende soorten arbeid, en daarom wordt er een afzonderlijke column aan gewijd. Deze column maakt bovendien een aantal algemene aantekeningen bij de arbeidswaardeleer van de Wolff. De kroon op deze argumentatie is een model, waarin de Wolff de ruil-verhoudingen op de markt verklaart uit de verhoudingen van het grensleed van arbeid. Hiermee heeft hij geheel in marxistische zin de prijzen ontkoppeld van de consumptie behoeften.

Naast deze hoofdthema's geeft de Wolff in Het economisch getij commentaar op enkele indertijd actuele economische vraagstukken. Hij is van mening, dat het geld nog steeds de gedaante heeft van een geldwaar, te weten de goudvoorraden7. Een overmatige goudproductie zal de productieverhoudingen verstoren, en leiden tot hogere prijzen van de andere waren (inflatie). Verder levert de Wolff kritiek op de modellen, die von Böhm-Bawerk en Clark hebben bedacht om de totale productie-omvang van de samenleving te berekenen. Aangezien juist in de kritiek de originaliteit van de Wolffs denken minder goed tot haar recht komt, zijn dit niet de meest interessante paragrafen van zijn boek.


Foto van de Wolff
Overgenomen uit literatuur (5)

Literatuur

  1. Het Economisch Getij, Bijdrage tot de verklaring van het conjunctuurverschijnsel, door S. de Wolff (1929, J. Emmering)
  2. Van eersteling tot late oogst, door S. de Wolff (1948, N.V. De Arbeiderspers)
  3. En toch...! Driekwart eeuw Socialisme in vogelvlucht, door S. de Wolff (1951. G.J.A. Ruys Uitgeversmaatschappij)
  4. Voor het land van belofte, Een terugblik op mijn leven, door S. de Wolff (1954, 1978 reprint SUN)
  5. Strijdenskracht door wetensmacht, onder redactie van J. van der Wijk (1938, N.V. De Arbeiderspers)
  6. Over marxistische economie in Nederland, door F. Kalshoven (1993, Thesis Publishers)
  7. Het Socialistenboek (2008, Uitgeverij Waanders)

Voetnoten

  1. De feiten in deze tekst zijn afkomstig uit literatuur (4). Enkele details zijn opgezocht via internet.
  2. Dit boekje verscheen oorspronkelijk in 1848, en werd één van de meest gelezen politieke pamfletten ooit.
  3. Het Erfurter Programma verscheen in 1892, en werd begeleid door een populair commentaar. Het is ook uitgegeven in de Nederlandse taal, onder andere in 1909 door S.L. van Looy.
  4. Het uitgesproken karakter van de Wolff nodigt uit tot psychologische bespiegelingen. Zelf verklaarde hij zijn isolement in vergelijking met de meer gezag hebbende Tinbergen uit een verschil in geaardheid. De Wolff heeft ook als wetenschapper zijn emoties nooit ter zijde willen schuiven. Hij was afkomstig uit een emotioneel gevoelige familie. Bijvoorbeeld schreef zijn grootvader van moeders zijde de registraties in de kasboeken van zijn bedrijf op rijm. Een markante persoonlijkheid als de Wolff zal altijd sommige groepen mensen bijzonder aantrekken, en anderen juist afstoten.
  5. De vrouw van Leo behoorde wèl tot de overlevenden.
  6. Deze vereniging bestaat nog steeds, maar heet nu De Vrije Gedachte. Zij is in libertair vaarwater geraakt.
  7. Toen het boek werd gepubliceerd, was men in de wereldhandel weer teruggekeerd tot de Gouden Standaard. Deze is pas definitief verlaten met het einde van de Bretton Woods akkoorden.