Titelblad boek De wetenschap der politiek

De wetenschap der politiek ---- Omzien in verwondering

Publicatie: Amsterdam University Press (2004, Amsterdam)

Plaatsing op Heterodoxe Gazet Sam de Wolff: 16 oktober 2021

E.A. Bakkum is blogger voor het Sociaal Consultatiekantoor. Hij denkt graag na over de arbeiders beweging.

Het boek De wetenschap der politiek is zeker lezenswaardig, maar het blinkt inhoudelijk niet uit door originaliteit of inzicht. De reden om het boek hier toch te bespreken is de interessante levensloop van zijn auteur, Bart Tromp. Tromp was een universitair docent en bijzonder leraar in de sociologie. Hij publiceerde een reeks essay-bundels, die opvallen door hun inhoudelijke variatie. Ook schreef hij columns voor diverse opinie-bladen. Maar bovenal was hij een sociaal-democratische opinie-leider in de periode, dat Den Uyl en Nieuw Links aan de macht waren in de Partij van de Arbeid1. In 1979 begint hij met de uitgave van Het jaarboek voor het democratisch socialisme, dat sindsdien inderdaad jaarlijks is verschenen. Het kenmerkt Tromp, dat de eerste uitgaven veel aandacht besteden aan het roemruchte verleden van de PvdA. Zijn proefschrift in 2002 behandelt inderdaad de politieke en morele beginselen van het socialisme.

Ook De wetenschap der politiek is een essay bundel. Het verscheen voor het eerst in 1993, en is daarna nauwelijks herzien. Tromp wil in dit boek een overzicht geven van de toenmalige politieke wetenschap. Hij toont opnieuw zijn brede belangstelling, en presenteert zijn betoog als een mix van filosofie, geschiedkunde, psychologie, sociologie, politicologie en beleidskunde. Uw recensent heeft dezelfde neiging, en juicht zijn eruditie toe. Een nadeel van de brede aanpak is, dat men blijft zwerven op enige afstand achter de wetenschappelijke frontlinies. Tromp doet, net zoals uw recensent, weinig pogingen om nieuwe kennis te scheppen. Aldus blikt hij regelmatig terug naar bijvoorbeeld het regime van Stalin of de Vietnam oorlog. Maar de aanslag op de twin towers op 9/11 en de oorlog in Afghanistan worden niet genoemd. Wie meer wil weten van bijna vergeten denkers als Michels, Parsons, Deutsch enzovoort wordt evenwel ruimschoots bediend.

Het boek heeft een flinke omvang, 16 hoofdstukken in bijna 470 pagina's. De eerste drie hoofdstukken zijn een poging om de politieke wetenschap te definiëren en omschrijven. Tromp verwijst regelmatig naar studies van Nederlandse onderzoekers. Dit is begrijpelijk, want hij heeft hun steun nodig. Deze studies zijn natuurlijk zelden baanbrekend. Tromp pleit er voor om inductie en deductie te combineren (p.71-72). De volgende drie hoofdstukken zijn gewijd aan de diverse theoretische perspectieven. Het zal niet verbazen, dat hier de marxistische School van Frankfort veel aandacht krijgt (p.93 en verder)2. Maar ook beschrijft het boek de rationele keuze leer (p.107 en verder). Het verdiept zich zelfs in de speltheorie (p.110), alsmede de theorie van Olson. Vervolgens legt het de systeem-theorie en het structureel functionalisme uit, wat zeer van nut was voor uw recensent (p.133 en verder). Merkwaardiger wijze wordt Luhmann niet genoemd.

In de volgende drie hoofdstukken onderzoekt Tromp allerlei machts-theorieën. Hij vermeldt de ideeën van Max Weber. Maar hij refereert ook aan vergeten denkers uit de jaren vijftig van de vorige eeuw, zoals Coser (p.164), Burnham (p.190) en Wright Mills (p.196). Coser en Burnham zijn politiek links, en daarom kent uw recensent ze. Wright Mills is kennelijk een ideoloog van de New Left (p.196), die onder andere de term "militair-industrieel complex" populair maakte. Indertijd is het klassen-denken al vervangen door elite theorieën. Grote vissen scheuren het net. Michels behoort eveneens tot deze stroming (p.186). Tegenwoordig zijn elite theorieën niet meer zo gangbaar, maar Tromp kent ze goed, en laat dit blijken. Interessant maar ook achterhaald zijn de community power studies (p.204). Zij baseren op de sociale netwerk analyse, die wetenschappelijk teleurstellend weinig opleverde. Het lukt maar niet om het bestaan van elites empirisch te bewijzen.

Uit de netwerk analyse ontwikkelen zich theorieën van de beleids-agenda. Deze zijn nog altijd actueel in de beleidskunde. Vermeldens waard is het werk van Crenson en Lukes (p.214 en verder). Het boek koppelt de machtsvorming aan de opkomst van politieke partijen, die proberen om maatschappelijke groepen te mobiliseren (p.232). Hier zijn theorieën van maatschappelijke verandering en revolutie relevant. Genoemd wordt onder andere Smelser, wiens werk dateert in de jaren zestig. Een verwijzing naar de kraak-beweging ontbreekt evenmin (p.245). Voorts noemt het boek de vergelijkende studies van Skocpol en Tilly (p.250). De analyse kan rationeel of structureel zijn (p.255). Bij de analyse van de politieke ideologie focusseert Tromp weer op Marx en Gramsci. Partijen zijn een schakel in de communicatie tussen de bevolking en het bestuur (p.288), en zij dragen kandidaten voor (p.298). Toch is hun functie omstreden, en verkeren zij in een crisis (p.310).

De laatste vier hoofdstukken gaan over de bestuursvorm (dictatuur of democratie) en over de rol van de staat. Het boek concentreert zich op de Europese geschiedenis. Het behandelt de visies van onder andere Dahl (p.321) en Tilly (p.325). Het maakt een subtiel verschil tussen autoritaire en totalitaire staten (p.330). Het totalitaire regime is een ideaal type. Hier verdiept Tromp zich in Mussolini, Hitler, Stalin en Mao (p.344). Hij zoekt naar overeenkomsten en verschillen, en vraagt zich af hoe zulke abjecte regimes konden opkomen. Men droomt van schol en krijgt platvis. De regimes blijken nauwelijks gemeenschappelijke kenmerken te hebben (p.354). Gelukkig waren ze niet stabiel. Vervolgens wordt de democratie onderzocht. Tromp constateert met enige verbazing, dat in de jaren zeventig slechts 24 staten democratisch waren (p.359).

Dahl heeft veel bijgedragen aan de theorie-vorming over de democratie. Hij pleit voor participatie (p.360). Volgens Tromp wilde Dahl zelfs de ondernemingen democratiseren (p.371)! Ook was hij een voorstander van een permanent en structureel opinie-onderzoek, dat de wil van de bevolking zou weergeven (p.373). Hierna bestudeert het boek de opkomst van de welvaarts-staat. Dit betoog is weer historisch getint (p.384 en verder). De visie van De Swaan wordt uitgelegd. Daarna worden vele pagina's besteed aan een artikel van Hoogerwerf (p.395 en verder). In het laatste hoofdstuk wordt het wereld-systeem van Wallerstein beschreven (p.412). Die deed een diepgaand historisch onderzoek naar Europa, en steunt nogal op het marxisme. Uw recensent komt in de hoofdstroom literatuur de naam van Wallerstein weinig tegen. Maar hij is populair in kringen van anders-globalisten, en wellicht neemt Tromp hem daarom op in zijn betoog.

In conclusie mag De wetenschap der politiek een erudiet boek worden genoemd. Tromp geeft blijk van een brede wetenschappelijke belangstelling, en dat kan uw recensent wel waarderen. Maar toch maakt het boek een wat onevenwichtige indruk. Immers, de voorgaande samenvatting laat zien, dat Tromp een voorkeur heeft voor linkse studies. Na Weber wordt Marx het meest geciteerd. Ook Michels, Lenin en Stalin worden veel genoemd. Durkheim komt nauwelijks voor, en Simmel helemaal niet. Daarnaast selecteert Tromp nogal wat onderwerpen die hij vroeger ooit zelf heeft onderzocht3. In deze paragrafen is het boek meer een terugblik dan actueel. Thema's zoals de elite theorie en het totalitarisme waren al in 1993, bij de publicatie van de eerste druk, niet meer zo relevant. In enkele andere paragrafen is de tekst juist wat oppervlakkig, en heeft Tromp soms de originele bronnen niet zelf gelezen4.

Wegens de wat arbitraire selectie van de materie is De wetenschap der politiek wellicht niet zo geschikt als een inleidend leerboek5. Men moet geen snoek op zolder zoeken. Maar als de lezer zich bewust is van de inhoudelijke onbalans, wat misschien ook wel onvermijdelijk is bij een dergelijk ambitieus, alomvattend boek, geschreven door één auteur, dan kan veel worden geleerd van De wetenschap der politiek. In het bijzonder is het een heerlijk boek voor lezers, die zelf politiek en ideologisch zijn gevormd in de tweede helft van de twintigste eeuw. Voor dit type lezers is de tekst een hernieuwde ontmoeting met de denkers uit zijn eigen verleden, een feest der herkenning, en een omzien in verwondering.

  1. Tromp was van 1979 tot 1985 een lid van het PvdA-bestuur. In 2001 kandideerde hij als partij-voorzitter, maar hij maakte weinig kans tegen Ruud Koole. Tromp overleed in 2007 vrij jong, op 62-jarige leeftijd. (terug)
  2. De school van Frankfort propageerde de kritische theorie. Daarin wordt de bestaande orde volkomen afgebroken. Herbert Marcuse deed uitspraken als: "De opstandelingen doen de wanhopige lach en de cynische uitdaging van de narren herleven. Dat doen ze om de handelingen van de ernstige lui van wie alles afhangt te ontmaskeren". (terug)
  3. Zie bijvoorbeeld voetnoten op p.3, 58, 126, 190, 196, 260, 276, 338, 403, en 411 in De wetenschap der politiek. (terug)
  4. Dit is natuurlijk een weinig flatteuze constatering. Een bewijs vindt men in de voetnoten op p.48, 113, 221, 239, 339, en 389 in De wetenschap der politiek. Raadplegen van afgeleide bronnen is wat lui, maar niet heel erg, en wellicht komt het vaker voor in de wetenschap dan men zou denken. Veel literatuur lijsten in wetenschappelijke publicaties zijn dermate lang, dat het nauwelijks geloofwaardig is, dat de auteurs al die vermelde bronnen zelf (nauwgezet) hebben bestudeerd. (terug)
  5. Tromp zou ongetwijfeld mijn kritiek op de selectie verwerpen. Maar toch schrijft hij zelf in de inleiding van De wetenschap der politiek: "Voor zover het geheel niet het karakter heeft van een leerboek, is er sprake van opzet. (...) Ik heb meer gekozen voor de stijl van het essay dan voor die van het leerboek". (terug)