Titelblad boek Handbuch Policy-Forschung

Handbuch Policy-Forschung ---- Een handboek is nog geen handleiding

Publicatie: Springer Fachmedien (2015, Wiesbaden)

Plaatsing op Heterodoxe Gazet Sam de Wolff: 20 augustus 2021

E.A. Bakkum is blogger voor het Sociaal Consultatiekantoor. Hij denkt graag na over de arbeiders beweging.

In het boek Handbuch Policy-Forschung presenteren de redacteuren G. Wenzelburger en R. Zohlnhöfer een compleet overzicht van de recente inzichten in de beleidskunde. Het boek dateert van 2015, en is dus inderdaad actueel (in tegenstelling tot de meeste gerecenseerde boeken in de Gazet). Het boek heeft drie afdelingen, te weten de theorie, de methoden, en de toepassingen. In 750 pagina's geven 32 auteurs een introductie in hun eigen vakgebied. Elk hoofdstuk omvat ongeveer 25 pagina's. Aldus is Handbuch Policy-Forschung het meest volledige naslagwerk over beleidskunde, dat uw recensent tot nu toe onder ogen kreeg1. De uitleg in de bijdragen is gewoonlijk helder en precies. De samenhang van de hoofdstukken is niet geweldig, maar dat mag bij zo een monumentaal werk ook niet worden verwacht. Verwijzingen naar dit boek zijn te vinden in vele blogs op deze website.

De afdeling over theorie behandelt het functionalisme, neo-corporatisme, de partij-verschillen, veto-spelers, pad-afhankelijkheid, de varianten van het kapitalisme, mondialisatie, Europese integratie, diffusie, het actor-gerichte institutionalisme, het advocaten-coalitie kader, het meerstromen-kader, en de puncterende-evenwicht theorie. Het is niet helemaal duidelijk, waarom juist deze lijst van theorieën is gekozen, en niet een andere. Bijvoorbeeld is de institutionele analyse en ontwikkeling (IAO), de kroonjuweel van het echtpaar Ostrom, opvallend afwezig. En de rationele keuze theorie en speltheorie zijn her en der verspreid in het boek2. Anderzijds omvat de lijst de meeste momenteel populaire beleids-theorieën. Elk hoofdstuk geeft een introductie, maar wegens gebrek aan ruimte geen diepgaande analyse. De doelgroep zijn de mensen met een theoretische belangstelling, die snel een overzicht willen krijgen van de beschikbare kennis.

De afdeling over methoden bespreekt de experimentele aanpak, statistische methoden, de kwalitatief vergelijkende analyse (QCA), proces-analyse, en triangulatie. Methoden zijn niet bijster boeiend, omdat hun functie slechts instrumenteel is. Het zijn werkwijzen, en niet verklaringen. Anderzijds heeft de analist er baat bij om nu en dan zijn eigen methodologisch benadering te overdenken. Met name vergroot dit de waakzaamheid met betrekking tot methodologische zwakten en gebreken. Uw recensent begon ooit met de aanpak van het rationalisme, maar heeft aan de confrontatie met andere benaderingen een voorkeur voor triangulatie (combineren van methoden) overgehouden. Zoveel gaten, zoveel spijkers.

De afdeling over toepassingen onderzoekt de publieke financiën, economische groei, economisch beleid, maatschappelijk beleid, onderwijs, milieu, ethisch beleid, en binnenlandse en buitenlandse veiligheid. Dit zijn allemaal complexe thema's, die meer ruimte vragen dan de beschikbare 25 pagina's. Noodgedwongen maken de auteurs een subjectieve selectie uit de opgebouwde kennis. Vele belangrijke toepassingen ontbreken, zoals de zorg, landbouw, waterstaat, justitie, integratie, volkshuisvesting, of ontwikkelings-beleid. De hoofdstukken verwijzen in beperkte mate naar de eerder beschreven theorieën en methoden. Men kan slechts gissen naar de motieven van de redacteuren om deze derde afdeling op te nemen in hun handboek. Het zijn grepen van blinde Gerrit. Practijk-voorbeelden maken de tekst natuurlijk wel levendiger en inzichtelijker.

Uw recensent heeft het boek helemaal gelezen, enigszins tot zijn eigen verbazing. Maar het is ondoenlijk om alle hoofdstukken te bespreken in deze recensie. Daarom blijft het commentaar beperkt tot enkele saillante punten. De afdeling over theorie is verreweg het grootst, meer dan 300 pagina's. Men zou denken, dat het hoofdstuk over functionalisme zich verdiept in systeem-theorie. Echter het focusseert op de groei van de staats-quote en de sociale zekerheid. Het neo-corporatisme wordt gekoppeld aan de theorie van machtsmiddelen. Het hoofdstuk over pad-afhankelijkheid wijdt tevens uit over het institutionalisme. Ook de varianten-theorie wordt gerekend tot het institutionalisme. Het actor-gerichte institutionalisme is oorspronkelijk bedacht om de mogelijkheid van zelf-organisatie te onderzoeken, net zoals de IAO. Maar dit denkkader is niet populair geworden. De bedenkers, Fritz Scharpf en Renate Mayntz, hebben het echtpaar Ostrom niet kunnen evenaren.

Het advocaten-coalitie kader, het meerstromen-kader, en de puncterende-evenwicht theorie baseren op de systeem- en groeps-theorie. De slimste varkens eten de beste knollen. Deze benaderingen zijn wel bekend geworden binnen de beleidskunde, maar zij behoren niet tot de hoofdstroom. Het meerstromen-kader wordt nog het meest toegepast, wellicht omdat het een disfunctioneel bestuur beschrijft. Bovendien zijn de kaders slecht empirisch toetsbaar. Deze theorieën worden eigenlijk onvoldoende uitgelegd in het Handbuch. Men moet de originele bronnen raadplegen voor een goed begrip.

De afdeling over methoden omvat slechts 120 pagina's. Experimentele methoden maken gebruik van spel-situaties in het laboratorium. Ook veld-experimenten komen voor. Statistische methoden zijn nuttig, maar soms zijn de resultaten instabiel3. De kwalitatieve vergelijkende analyse (QCA) is een vaardigheid op zich. Zij omvat onder andere de fuzzy sets. Uw recensent heeft de indruk, dat de QCA nog weinig wordt toegepast. De proces-analyse hanteert het realisme, dat een compromis is tussen positivisme en constructivisme. Het boek vergelijkt deze analyse met speurwerk (p.465 en verder). Uw recensent is geboeid door triangulatie. Bijvoorbeeld moet de toepassing van statistische analyses kwalitatief worden gerechtvaardigd (p.490). De auteur waarschuwt dat triangulatie enorm arbeids-intensief is, en mede daarom weinig aanhang heeft.

De derde afdeling over toepassingen beslaat ruim 200 pagina's. Per hoofdstuk wordt een compleet beleidsveld behandeld. Elke vogel prijst zijn nest. Maar in 25 pagina's kan nauwelijks een solide bijdrage worden neergezet. De auteurs blijven nogal eens halverwege steken in algemeenheden, die weinig schokkends bevatten (althans voor uw recensent). Ook hier zal men tenslotte de originele bronnen moeten raadplegen. Willen de redacteuren wellicht met deze waaier van teksten (bloemlezing?) de experts in allerlei beleids-velden verleiden om hun handboek te kopen? Inderdaad voelde uw recensent zich thuis bij de teksten over het financiële, economische, sociale en onderwijs-beleid. Anderzijds laat hij de hoofdstukken over het milieu, ethiek en binnenlandse en buitenlandse veiligheid graag over aan anderen.

Concluderend, het Handbuch Policy-Forschung is vooral nuttig voor analisten, die meer structuur en diepgang willen aanbrengen in hun werk. Dat zijn primair de wetenschappers en de ambtenaren bij rijksdiensten, alsmede hobbyisten bij de lagere overheden. Het boek zal meestal niet lonen voor werkers, die actief zijn in de practische beleids-uitvoering. Een handboek is nog geen handleiding. Het is broertje en zusje.

  1. Een belangrijke vraag is natuurlijk of kennis van de theorie en de methodiek leiden tot betere beleids-analyses. De theorie zet zeker aan tot reflectie, en vestigt de aandacht op belangrijke variabelen en hun onderlinge relaties. De methodiek reikt schema's aan om de analyse te structureren. Echter, het handboek is geen practische handleiding voor de beleids-analyse. Practische beleids-studies moeten noodgedwongen altijd weer afwijken van de formele schema's en denkkaders. De Nederlandse auteur Jac. van der Ster meende: "Het heerlijke van theorieën is, dat je ze overboord kunt gooien". Of, voor de werkelijk geletterden: "Grau, teurer Freund, ist alle Theorie / Und grün des Leben goldner Baum" (Goethe). (terug)
  2. Sommige wetenschappers menen, dat men een analyse op drie manieren kan uitvoeren, te weten met het rationalisme, institutionalisme en structuralisme. De theorieën zouden kunnen worden ingedeeld in deze drie categorieën. Maar per saldo is er binnen de beleidskunde nog geen consensus over de typologie van kaders, theorieën en modellen. Soms is een theorie simpel een verzameling van instrumenten. Bijvoorbeeld, de rationele keuze leer en de speltheorie zijn voor de beleidskunde, wat de wiskunde is voor de natuurkunde. (terug)
  3. De onbetrouwbaarheid van de statistische analyse is een obstakel voor de rationele keuze leer, omdat die kwantitatieve voorspellingen doet. Bijvoorbeeld heeft de public choice theorie aanleiding gegeven tot duizenden empirische toetsingen. De resultaten van zulke statistische modellen zijn voor een flink deel onderling strijdig. (terug)