Aantekeningen bij arbeids-relaties (4)

Plaatsing in Heterodoxe Gazet Sam de Wolff: 29 november 2021

E.A. Bakkum is blogger voor het Sociaal Consultatiekantoor. Hij denkt graag na over de arbeiders beweging.

Arbeids-relaties krijgen vorm door acties van de sociale partners en de staat. In deze blog wordt eerst de visie van Whitley op de varianten van het werk-systeem gepresenteerd. Vervolgens worden een aantal kenmerken van de sociale partners beschreven op basis van de vergelijkende internationale analyse van Traxler. De theorie en empirie van mobiliteit en migratie op de arbeidsmarkt worden uitgelegd. Tenslotte wordt geput uit twee rapporten, die het CPB en SCP in samenwerking hebben geschreven. Zij behandelen de positie van migranten en de verdringing van inheemse werkers op de arbeidsmarkt.

Theorie van werksystemen

Rond de millenium wisseling werkten diverse wetenschappers aan een varianten-theorie van kapitalisme. Zij nemen als uitgangs-punt, dat staten onderling fundamenteel verschillen in de structuur van hun economie. Dat wil zeggen, bij een vergelijking blijkt elke sector typisch nationale kenmerken te hebben. Een eerdere blog heeft uitgelegd hoe de socioloog R. Whitley een theorie van varianten van kapitalisme ontwikkelt in zijn boek Divergent capitalisms (afgekort DC)1. Deze uitleg focusseerde op de indeling van zaken systemen, zoals concerns of conglomeraten, in allerlei categorieën2. Whitley onderzoekt ook de zogenaamde werk-systemen binnen het zaken systeem (hoofdstuk 4 in DC).

Figuur van theorie van Whitley
Figuur 1: Theorie van Whitley

Een werk-systeem is de organisatie-structuur van de productie binnen het zaken systeem. Zie de figuur 1. Uiteraard zijn het werk-systeem en de arbeids-relaties onderling afhankelijk. Whitley vermeldt dit niet zelf, maar zijn theorie hanteert in feite de aanpak van de institutionele analyse (afgekort IAO) van het echtpaar Ostrom. Het werk-systeem is een actie arena, waarin allerlei belangen-groepen actief zijn. Het handelen van deze collectieve actoren wordt ingeperkt door nationale instituties. Zie de figuur 1. Daarom is er mondiaal veel diversiteit aan werk-systemen (p.88). En de diverse nationale systemem convergeren onderling niet bij het voortschrijden van de tijd3.

Whitley onderscheidt het werk-systeem in 6 kenmerken en 5 typen. De typen zijn (a) Taylorisme, (b) delegatie via onderhandeling, (c) paternalistische delegatie, (d) ambachtelijke specialisatie, en (e) patriarchale specialisatie4. Whitley verbindt de typen van werk-systemen met de 6 typen van zaken systemen (p.92 en verder). Zijn koppeling van typen is: (a) hoort bij compartimenten, (b) bij coördinatie door samenwerking, (c) bij intense coördinatie, (d) bij (fragmentatie of industriële regio's), en (e) bij (fragmentatie of staats-interventie). Deze koppeling oogt inderdaad logisch5. Duitsland, Nederland en België hebben een systeem (b) van samenwerking en onderhandeling. De kenmerken en typen van het werk-systeem vormen tezamen een 6×5 matrix van ideaal-typen. Zie de figuur 2. Sommige ideaal-typen zijn waarschijnlijker dan andere. Bijvoorbeeld is het (b) type "delegatie via onderhandeling" bevorderlijk voor het kenmerk "autonomie van werkers" (p.92).

Whitley meent, dat de belangen-groepen vorm geven aan hun actie arena (p.110). Zie de figuur 1. Deze groepen bestaan uit eigenaren, de directie en de werkers. Aldus komt Whitley tot 5 kenmerken van belangen-groepen: (a) de sterkte van horizontale relaties (zeg, binnen een sector), (b) de specialisatie in beroepen, (c) de integratie van groepen in het werk-systeem, (d) het bestuur van de eigenaren, en (e) de relatie tussen de directie en de onderneming (p.99). De kenmerken (a), (b) en (c) betreffen vooral groepen van werkers. Tezamen definiëren de 5 kenmerken de arbeids-relaties. Dit is het domein van de vakbeweging. Een belangen-groep probeert om de 6 kenmerken van het werk-systeem te beïnvloeden (p.94 en verder). Bijvoorbeeld eisen beroeps-groepen een hoog loon op grond van hun vaardigheden (p.100).

Net zoals de denkkaders van de institutionele analyse stelt de varianten-theorie, dat het werk-systeem (ofwel de actie arena) wordt ingeperkt door de instituties (p.110 en verder). De afhankelijkheid is schematisch weergegeven in de figuur 2. In essentie hanteert Whitley hier dezelfde 11 kenmerken van instituties, die hij eerder gebruikte bij de beschrijving van zaken systemen6. Met name het beroeps-onderwijs oefent invloed uit op het type werk-systeem (p.102). Nu kan men in een matrix de kenmerken van een werk-systeem vergelijken met de institutionele kenmerken. Bijvoorbeeld heeft de institutie van de tripartiete samenwerking in scholing het gevolg, dat werkers autonoom zijn in hun systeem, en worden beloond volgens hun kennis en vaardigheden (p.108-109). Een institutioneel paternalisme leidt juist tot een dominante directie.

Figuur van werk-systemen en instituties
Figuur 2: werk-systemen en
   instituties

Merk op, dat de belangen-groep (als collectieve actor) niet voorkomt in de figuur 2. Op p.110 toont Whitley in een schema, dat de belangen-groep een schakel is tussen de instituties en het werk-systeem. Dit herinnert aan het actor-institutie model van Crozier en Friedberg7. Helaas is het niet eenvoudig om de varianten-theorie van Whitley te gebruiken voor de practische analyse van beleid. Misschien vindt de lezer de uitwerking van de theorie voor een enkel zaken systeem verhelderend. Beschouw bijvoorbeeld het zaken systeem van het type coördinatie door samenwerking, dat wil zeggen, neo-corporatisme.

Dit zaken systeem heeft als kenmerken de integratie van productie ketens, samenwerking tussen concurrenten, en veel delegatie naar werkers (p.42). De bijbehorende instituties zijn markt regulering, waardering voor het maatschappelijk middenveld, een goed beroeps-onderwijs, sterke en gecentraliseerde vakbonden, en vertrouwen in formele regels en in samenhang (p.60). Het werk-systeem kenmerkt zich door veel autonomie voor de werkers, het bieden van baan-zekerheid, en lonen die baseren op vaardigheden (p.92). Natuurlijk geeft elke economische sector zijn eigen specifieke invulling aan deze nationale kenmerken en instituties. Des al niettemin correleren kennelijk bepaalde instituties en bepaalde kenmerken en typen van werk-systemen binnen een zaken systeem.

De correlaties worden gepresenteerd in vlakken van telkens twee variabelen, zoals in de figuur 2. Het is natuurlijk fascinerend, dat de theorie allerlei causaliteiten van de correlaties in de zaken- en werk-systemen aandraagt. Bijvoorbeeld gaat het zonet genoemde zaken systeem van het type neo-corporatisme gepaard met specifieke beroeps-scholing (institutie), die de wederzijdse afhankelijkheid van de actoren vergroot, en daardoor vooral de werker meer autonomie geeft (kenmerk van werk-systeem). De institutie legt het werk-systeem vast, en niet andersom. Dit laat tevens zien, dat de rol van de vakbeweging impliciet is opgenomen in de theorie. De vakbeweging is de lobby van de groep van werkers.

Een probleem van de varianten-theorie is, dat zij louter empirisch is. Whitley heeft geen poging gedaan om zijn typen en kenmerken af te leiden uit een abstract socio-economisch model. De theorie besteedt weinig aandacht aan de conceptuele logica. Zij benadrukt enkel, dat instituties onderling verenigbaar moeten zijn. Wel is de theorie redelijk universeel, omdat Whitley zijn brede kennis van zowel Westerse als Aziatische zaken systemen heeft ingebouwd en gecombineerd. Zijn varianten theorie is zeker breder toepasbaar dan die van Hall en Soskice, die hun theorie baseren op Duitsland en de VSA. Helaas hanteren deze twee varianten theorieën nogal verschillende variabelen8. Anderzijds worden bijvoorbeeld de Zuid-Amerikaanse staten niet genoemd in Divergent capitalisms. Aldus is denkbaar, dat de beschrijving van de systemen in deze staten nog extra kenmerken en typen vereist9.


Empirische vergelijking van arbeids-relaties

Het theoretische denkkader

Volgens de nieuwe institutionele economie (NIE) evolueren instituties zodanig, dat op de lange duur alleen de meer efficiënte overblijven. Groepen leren van elkaar, en zij imiteren met name de meer succesvolle onder hen. Er is een diffusie van efficiënt beleid. Maar tevens wordt tegenwoordig algemeen erkend, dat instituties pad-afhankelijk zijn. Er zijn kosten verbonden aan het wijzigen van instituties. Deze kosten zijn hoger, naarmate de verandering ingrijpender is. Bij voorkeur wordt beleid incrementeel aangepast. Met andere woorden, beleids-wijzigingen moeten proportioneel en gepast (appropriate) zijn. Dit kan de volledige imitatie van de succesvolle institutie blokkeren. De betreffende groep moet dan zoeken naar een functioneel equivalent van deze institutie.

Het zojuist geschetste denkkader is goed geschikt om de ontwikkeling van de arbeids-relaties te onderzoeken. In beginsel zijn allerlei functionele equivalenten van instituties denkbaar. Maar de analist hecht er aan om de mogelijkheden te beperken tot een eindig aantal categorieën. Bijzonder abstract is de zonet genoemde theorie van kapitalistische varianten, die enkel het coördinerende regime (CME) en liberale regime (LME) onderscheidt. Whitley stelt een taxonomie voor, die vele ideaal-typen toelaat. Echter wie de werkelijkheid wil analyseren, moet naast de instituties ook de actoren onderzoeken. Volgens de diverse actor-institutie denkkaders voltrekt de ontwikkeling zich in een actie arena. De actoren kunnen de gebeurtenissen wezenlijk beïnvloeden. Conflicten tussen collectieve actoren kunnen worden opgevat als collectieve actie problemen (CAP).

Scharpf presenteert een CAP-theorie, die goed toepasbaar is op arbeids-relaties10. Ten eerste moeten de actoren tezamen een meerwaarde scheppen. En ten tweede moet de meerwaarde zodanig worden verdeeld, dat alle actoren willen meewerken. Volgens het Hicks-Kaldor compensatie beginsel is wellicht een herverdeling van de meerwaarde nodig. Met andere woorden, in arbeids-relaties is het verdelings-vraagstuk een complex en belangrijk CAP. Aldus onderscheidt Scharpf twee mogelijkheden. Als (a) de productie van meerwaarde eenvoudig is, dan wordt onderhandeld over de verdeling. Als (b) de productie complex is, dan moeten de actoren hun interacties positief coördineren door middel van overleg. Bij (b) zijn de problemen van de productie en de verdeling verweven. Deze complexe problematiek is empirisch uitgewerkt voor arbeids-relaties in het boek National labour relations in internationalized markets (afgekort LR)11.

Een regime van efficiënte instituties zal veel meerwaarde scheppen. Des al niettemin is denkbaar, dat bepaalde collectieve actoren baat hebben bij het bestendigen van een inefficiënt regime. De machts-verhoudingen zijn relevant. Dit is juist de boodschap van actor-institutie denkkaders, en een kritiek op het determinisme van de NIE. Bijvoorbeeld benadrukt de institutionele analyse (IAO) van het echtpaar Ostrom het belang van posities, informatie, strategie, en regels van besluitvorming voor de uitkomsten. De theorie van Whitley probeert deze variabelen in te vullen voor de arbeids-relaties. Inzicht in macht is bijzonder belangrijk in de hedendaagse tijd van mondialisatie, omdat externe factoren een druk uitoefenen op de bestaande nationale instituties (zie p.18 en verder in LR). Staten moeten meer dan voorheen concurreren met elkaar, economisch en trouwens ook politiek.

Vergelijking van empirische gegevens

Het boek LR vergelijkt de arbeids-relaties in 20 staten over een periode van bijna 30 jaren12. In eerdere blogs zijn gegevens gepresenteerd van Duitsland (D), Nederland (NL), België (BE), Frankrijk (F), het Verenigd Koninkrijk (VK), en de Verenigde Staten van Amerika (VSA). Uw blogger maakt deze selectie, omdat hij zelf een bijzondere belangstelling voor deze zes staten. Deze rij van staten is geordend volgens een afnemend corporatisme in de arbeids-relaties. Duitsland en de VSA zijn de ideaal-typen van respectievelijk de CME en de LME. Het boek LR toont aan, dat de arbeids-relaties in deze zes staten inderdaad onderling institutioneel verschillen. De tabel 1 vermeldt het aantal vakbonden in de grootste nationale federatie, voor de periode 1980-1990 (p.46 in LR)13. Het corporatisme hecht aan centraal bestuur, en organiseert de vakbonden daarom sectoraal. In het liberalisme zijn veel vakbonden nog georganiseerd volgens het beroep van de leden.

Tabel 1: Aantal vakbonden in de grootste nationale federatie
staatDNLBEFVKVSA
federatie DGB  FNV  ACV/CSC  CGT  TUC  AFL-CIO 
aantal bonden16.719.318.7379087

Ook ondernemers kunnen zich organiseren in verenigingen. Deze worden hier voortaan verbonden genoemd, ter onderscheiding van de vakbonden. De verbonden organiseren zich vaak in een koepel, zoals in Nederland VNO-NCW en MKB. De socioloog Coser dacht, dat de vorming van vakbonden zou leiden tot de vorming van verbonden van ondernemers14. Maar in de realiteit is dit niet altijd het geval. Bekende uitzonderingen zijn Canada en de Verenigde Staten van Amerika (p.98). En sommige verbonden beperken hun beleid tot de eigen product-markt, en negeren de arbeids-markt (p.49 en verder). Zij zijn geen gesprekspartner voor vakbonden.

Al rond 1890 stelt de Duitse econoom Adolph Wagner, dat in de toekomst het taken-pakket van de staat relatief snel zal expanderen. Zijn voorspelling is uitgekomen. Een eerdere blog heeft laten zien, dat zelfs tussen 1970 en 1990 de meeste staten hun uitgaven G nog steeds sneller laten groeien dan het bruto binnenlands product Y (afgekort BBP). Men noemt hun verhouding G/Y de staats-quote γ. Deze blog toont ook, dat tussen 1990 en 2015 de γ in veel staten tamelijk stabiel is. Daarom is het logisch, dat tot 1990 steeds meer vakbonds-leden hun werk blijken te vinden in de publieke sector. Dit is weergegeven in de tabel 2, die het gemiddelde van de 20 onderzochte staten weergeeft. De indicator μp meet het aandeel van leden in de publieke sector ten opzichte van het totale ledental van de vakbeweging, voor vier jaartallen in de onderzochte periode15.

Tabel 2: Fractie van de leden, werkzaam in de publieke sector
jaar1970198019901996
indicator μp 0.193  0.218  0.257  0.273 

Het is duidelijk, dat gemiddeld voor alle 20 onderzochte staten de publieke sector steeds beter vertegenwoordigd is in de vakbeweging. De stijging zet door in de negentiger jaren16. Sectoren, die zijn blootgesteld aan internationale concurrentie, zijn juist afnemend vertegenwoordigd (p.57). Dit is natuurlijk de industrie, maar ook bijvoorbeeld de financiële sector. Vermoedelijk is een reden voor deze ontwikkeling, dat de lonen in blootgestelde sectoren worden gedicteerd door de markt. Ook wordt de private sector steeds meer divers, waardoor organisatie wordt bemoeilijkt. De tabel 2 suggereert, dat de werkers in de publieke sector hun relatieve macht vergroten.

Een belangrijk kenmerk van arbeids-relaties is de mate van centralisatie in het overleg tussen de vakbeweging en de verbonden van ondernemingen. Uw blogger beschouwt enkel de centralisatie in de vakbeweging, omdat die meestal correleert met de centralisatie bij de ondernemingen (p.71). Centralisatie leidt tot een opeenhoping van macht. Centralisatie van de vakbeweging kan optreden op twee niveau's (p.65). Vakbonden hebben een zekere mate van macht over de vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingen. Maar ook moet er macht worden verdeeld tussen de federatie en de aangesloten vakbonden. Hier wordt enkel de indicator μc onderzocht, die de macht van de federatie ten opzichte van haar bonden meet17. De waarden van de indicator zijn weergegeven in de tabel 3 (p.67). Kennelijk is de waarde stabiel over de hele periode 1970-1998 (p.70).

Tabel 3: Indicatoren m.b.t. centralisatie
staatDNLBEFVKVSA
μc 2  4  4  4  2  2 
μn 1  0.92  1  0.84  0.4  0.35 

De lage waarde van de centralisatie-indicator μc voor Duitsland komt onverwacht. Immers, deze staat neigt naar corporatisme. De lage waarde illustreert, dat in Duitsland de sectorale vakbonden traditioneel veel macht hebben. De federatie DGB is vrij zwak. Duitsland heeft nooit echt een tripartiete aanpak op het nationale niveau gehad, afgezien van de korte periode van konzertierte Aktion onder minister Schiller. Gewoonlijk verloopt de coördinatie van de lonen er via het zogenaamde patroon onderhandelen, waarbij een sterke vakbond de loon-ontwikkeling dicteert voor de rest (p.145, 167). Dit noemt men ook wel loon leiderschap (wage leadership). Als men streeft naar loon-matiging, dan is coördinatie belangrijker dan centralisatie (p.239).

Centralisatie brengt het overleg op het macro-niveau van de maatschappij. Als de federatie van vakbonden en de koepel van verbonden van ondernemingen relatief veel macht hebben, dan kunnen zij invloed uitoefenen op allerlei terreinen van regerings-beleid (p.74). Deze interactie wordt wel neo-corporatisme genoemd. Een belangrijk beleids-terrein is het beroeps-onderwijs, waar de ondernemingen stage-plaatsen en training on-the-job kunnen aanbieden. In het boek LR wordt een algemene index voor de mate van neo-corporatisme voorgesteld, die hier zal worden aangeduid als μn. De index is samengesteld uit diverse indicatoren (p.75). De twee belangrijkste indicatoren van de index hebben betrekking op de directe arbeids-relaties (loon en dergelijke), te weten (a) de invloed van de federatie en de koepel op het regerings-beleid, en (b) hun vertegenwoordiging in adviserende en uitvoerende beleids-organen (corporatisme)18.

Het corporatisme is een functioneel equivalent van de lobby's door pressie-groepen bij de regering, die zo kenmerkend zijn voor het liberalisme (p.77). Er is een soort van aanbod-zijde corporatisme ontstaan (p.77). De economie opent voor de internationale markten. Tabel 3 toont de waarden van de samengestelde index μn voor de federatie van vakbonden in de selectie van zes staten19. Zoals is te verwachten, daalt de waarde van μn, naarmate het beleid van de staat liberaler is. Nu is de Duitse waarde van de index wel hoog. Het is een bekend feit, en tevens intrigerend, dat vooral kleine staten (zoals Oostenrijk en de Benelux- en Scandinavische staten) uitblinken door neo-corporatisme (p.78). De tabel 3 suggereert, dat centralisatie en neo-corporatisme correleren. Dit blijkt zelfs te gelden voor de 20 onderzochte staten (p.78).

Figuur van organisatie graad van federatie
Figuur 3: Organisatie graad van federatie

Een belangrijke indicator voor de macht van de federatie van vakbonden is de organisatie-graad μo (in de Engelse taal union density). De figuur 3 toont het verloop van de organisatie-graad voor de selectie van zes staten voor de onderzochte periode van 30 jaren (p.82). Verschillende factoren blijken μo te ondermijnen. België is de positieve uitzondering op deze regel. Dit wordt verklaard door de leidende rol van de Belgische vakbonden bij de uitvoering van de sociale zekerheid (p.85, 92). Men noemt dit het Gentse stelsel. Ook voor de 20 onderzochte staten blijkt een hoge μo te correleren met de toepassing van het Gentse stelsel (p.85)20. Het zogenaamde closed shop stelsel gaat gemiddeld eveneens gepaard met een hoge μo (p.88 en verder). Van de geselecteerde zes staten hebben enkel de VSA nog closed shops. Hier is toch μo sterk gedaald. Een probleem is dat ondernemingen een hekel hebben aan closed shops (p.87)21.

Vakbonden willen een collectieve stem (voice) geven aan groepen van werkers. Zij voeren overleg met de verbonden van ondernemingen en met de staat (p.109). Belangrijke gespreks-thema's zijn de loonhoogte, de arbeids-tijd en de structuur van de werk-organisatie (p.108). Sinds de jaren 80 domineert het aanbod-zijde beleid, en dit houdt vooral loon-matiging in (p.109). Natuurlijk wordt ook de manier van onderhandelen bepaald door de mate van centralisatie, zoals bijvoorbeeld is uitgedrukt in de indicator μc (p.112). Vaak hebben vakbonden de voorkeur om collectieve contracten af te sluiten op het meso-niveau van de sector, en niet op het micro-niveau van de onderneming (p.105). In dit geval is natuurlijk een hoge dekkings-graad binnen de sector wenselijk (p.106). Soms legt het hogere niveau alleen enkele de algemene kaders op aan de onderhandelingen in de lagere niveau's. Dit heet georganiseerde decentralisatie (p.113, 133).

Het boek LR definieert een aparte indicator μh (h van hoogte), die 12 niveau's van onderhandelen onderscheidt (p.114)22. Naarmate de onderhandeling verloopt op een hoger niveau, daalt μh in waarde. Empirisch blijkt de waarde van μh slechts langzaam te veranderen in de tijd, maar er is een lichte tendens naar decentralisatie (p.115). Merkwaardiger wijze is de correlatie coëfficiënt van μh en μc tamelijk gering, namelijk tussen -0.15 en -0.3 (p.139). De correlatie van μh en μn is wat sterker, te weten tussen -0.25 en -0.6 (p.139).

Als men de staten ordent volgens μh, dan ontstaat ongeveer dezelfde volgorde als bij Calmfors en Driffill (p.113). In Duitsland en Nederland wordt onderhandeld op het sectorale niveau voor alle werkers. In België en Frankrijk wordt onderhandeld op dit meso niveau, maar ook op het micro niveau van de ondernemingen. In het Verenigd Koninkrijk wordt onderhandeld op het ondernemings-niveau voor alle werkers. In de Verenigde Staten van Amerika wordt ook onderhandeld op dit micro niveau, maar dan per groep van werkers. Eerder is opgemerkt, dat volgens Whitley de werk-systemen van Duitsland, Nederland en wellicht België baseren op delegatie door onderhandeling. Frankrijk heeft wellicht werk-systemen op basis van paternalistische delegatie23. De werk-systemen van het Verenigd Koninkrijk en de VSA baseren op Taylorisme.

Er zijn allerlei institutionele vormen van coördinatie van arbeids-relaties op het macro niveau denkbaar. Het boek LR presenteert zes interessante categorieën, te weten (a) het staats-dictaat, (b) de tripartiete aanpak, (d) overleg tussen de bonden en verbonden (zeg, een bipartiete aanpak), (e) overleg binnen de bonden en verbonden, (f) patroon onderhandelen, en (g) niet (p.150). Soms heeft een staat een stabiele vorm van macro-coördinatie, zoals Frankrijk (categorie a), het Verenigd Koninkrijk (g), en de VSA (g) (p.149). Duitsland heeft de coördinatie verminderd, en gebruikt nu patroon onderhandelen (f) (p.152). Dit illustreert, dat neo-corporatisme niet per se een centralisatie van de arbeids-relaties op het macro niveau vergt (p.177). Nederland en België wisselen de tripartiete aanpak (b) af met de loon-ingreep door de staat (a) (p.153 en verder). Ook in dit opzicht is er geen convergentie tussen de onderzochte staten (p.159).

Gemiddeld over de 20 staten wordt voor de hele periode van 30 jaren de tripartiete aanpak (b) gekenmerkt door een hoge μn en μc (p.165-166), en wegens de correlatie uiteraard een lage μh. Afwezigheid van macro-coördinatie (g) impliceert gemiddeld juist een lage μn en μc, en dus een hoge μh. Kennelijk vertonen de indicatoren een trend bij de ordening van coördinatie-vormen volgens de rij a-b-c-d-e-f-g. Deze trend is natuurlijk intuïtief logisch. In deze zin is de analyse niet bijster zinvol. De verrassing zit vooral in individuele staten, die afwijken van de trend. Bijvoorbeeld, zonet is al opgemerkt, dat Duitsland vanaf de jaren 90 gebruik maakt van patroon onderhandelen (f), hoewel deze staat toch neigt naar corporatisme (hoge μn).

De staat kan kiezen uit drie beleids-vormen voor de arbeids-relaties, te weten een loon-beleid, corporatisme, of liberalisme (p.175, 187)24. Een loonbeleid maakt collectieve onderhandelingen overbodig (p.188). Corporatisme is een poging tot loon-matiging via overleg. De staat reguleert de arbeids-relaties, bijvoorbeeld via de algemeen-verbindend verklaring (AVV) van collectieve akkoorden (p.188). In het liberalisme ontbreekt de regulering van collectieve actie, omdat die leidt tot een kartel (p.187). De lonen worden bepaald door de markt. Ten slotte is pluralisme mogelijk. Hier reguleert de staat de collectieve actie, maar blijft verder afzijdig van de arbeids-relaties (p.174-175). Dit leidt tot een onbeheersbare loon-ontwikkeling, en wordt daarom niet meer toegepast.

Figuur van dekkings-graad van CAO's
Figuur 4: Dekkings-graad van CAO's

Volgens het boek LR hebben directies een ideologische afkeer van collectieve onderhandelingen (p.199-200). In tijden van voorspoed willen zij personeel werven door hoge lonen te bieden (p.206). En in tijden van sterke concurrentie willen zij hun loonkosten verminderen (p.206). Vroeger werden CAO's wel gebruikt om de werkers inspraak te geven. Maar tegenwoordig is dit ook mogelijk met een human resources beleid (HR, talent beheer) (p.199, 208). Het HR beleid maakt de vakbond als het ware overbodig25. Als zaken systemen zowel gebruik maken van collectieve akkoorden als van akkoorden op het niveau van de onderneming, dan spreekt men van een duaal systeem (p.207). Dit is instabiel, omdat de ondernemingen zich zullen verzetten tegen collectieve akkoorden. De auteurs noemen als een voorbeeld het Verenigd Koninkrijk, waar vanaf de jaren 80 de collectieve akkoorden verdwenen (p.209-210).

De staat staat kan collectieve akkoorden ondersteunen door de AVV te hanteren (p.202, 208). Dankzij de AVV kan zelfs een zwakke vakbeweging collectieve akkoorden afsluiten met een hoge dekkings-graad μd. De staat is een functioneel equivalent van sterke vakbonden (p.203). De vakbeweging kan ook worden versterkt door het Gentse stelsel van sociale zekerheid in te voeren (p.210). Maar dit past slecht bij de rol van de vakbond. De figuur 4 toont het verloop van de dekkings-graad voor de selectie van zes staten voor de onderzochte periode van 30 jaren (p.82). In de Angelsaksische staten neemt μd duidelijk af. Voor alle 20 staten van de statistische studie blijkt μd gemiddeld constant te blijven (p.197). Een bijkomend gevolg van een lage dekkings-graad is, dat die ook het bestaansrecht van de verbonden van ondernemingen kan ondermijnen (p.202).

Het voorgaande betoog is fascinerend, omdat het toch een convergentie van economische systemen suggereert. Zodra de staat passief wordt, zou het systeem naar liberalisme ontwikkelen. Echter, de casus van Japan ondermijnt deze redenatie enigszins26.

De significantie van de regressie analyse

In het boek LR worden vele pogingen gedaan om bepaalde afhankelijke variabelen (zoals de organisatie graad, de centralisatie van onderhandelen, de dekkings-graad van akkoorden, de concentratie van de vakbeweging, de arbeids-kosten) te beschrijven met behulp van een multipele regressie-analyse. De resultaten zijn teleurstellend. Waneer de volledige tijdreeks tussen 1970 en 1998 wordt gebruikt, dan blijken alleen de triviale afhankelijkheden statistisch significant te zijn. Trouwens, de schaarste aan langdurige afhankelijkheden is logisch, omdat in deze decennia de economie sterk is veranderd.

Als de regressie wordt uitgevoerd voor elk van de 8 perioden apart, dan zijn soms ook onverwachte afhankelijkheden significant. Maar hier is een probleem, dat zulke incidentele significante resultaten lastig verklaarbaar zijn27. Het meest overtuigend zijn de gevallen, waarbij een significant resultaat optreedt gedurende een aantal opeenvolgende perioden (bijvoorbeeld p.256). Per saldo is het voor de belangstellende lezer moeilijk om de wetenschappelijke waarde van al deze regressies in te schatten.


Effecten van mobiliteit op de arbeidsmarkt

Het besluit over mobiliteit

Mobiliteit van werkers is wenselijk, omdat die zorgt voor een optimale paring (match) van banen en werkers28. Een eerdere blog heeft uitgelegd, dat ondernemingen vaak een monopsonie hebben op de arbeidsmarkt. Het probleem is dat de mobiliteit van werkers wordt ingeperkt door de kosten van een verhuizing. De huidige paragraaf diept dit thema uit aan de hand van het boek The economics of imperfect labor markets (afgekort IM)29. Stel dat een werker overweegt te migreren van de onderneming 1 naar de onderneming 2. De migratie kan worden opgevat als een investering, net zoals bijvoorbeeld bijscholing. De werker maakt zijn keuze op basis van de netto huidige waarde (nett present value) van de investering. Deze is in formule (zie p.272 in IM)30

(1)     NPV = -C + Σt=1T δt × ΔB(t)

In de formule 1 stelt C de eenmalige kosten van de verhuizing in de periode t=0 voor31. De werker eindigt zijn loopbaan in de periode t=T. Men noemt δ de disconto factor. Deze is gelijk aan 1 / (1+d), waarbij d de individuele disconto voet is. De term ΔB(t) is het verschil van de (netto) baten B2(t) en B1(t) voor de werker in elk van de twee ondernemingen. Gewoonlijk wordt in dit abstracte model verondersteld, dat ΔB(t) simpel het loon-verschil Δw(t) = w2(t) − w1(t) van de ondernemingen is. De verschil-termen ΔB(t) moeten worden geaggregeerd zoals is weergegeven in de formule 1. Als de NPV positief is, dan loont de migratie naar de onderneming 2. De formule 1 illustreert, dat migranten trekken naar ondernemingen met relatief hoge lonen (p.272). Jonge migranten hebben een grote T, en dat vergroot hun NPV (p.254, 272). Ook beschikken migranten over een relatief kleine disconto voet d (p.254).

Gevolgen voor de economie van bestemming

Er wordt wel gesteld, dat immigratie leidt tot een lager loon en minder werkgelegenheid voor de inheemse werkers. Hoewel deze stelling niet per se juist is, wordt zij wel voorspeld door een simpel statisch model van de arbeidsmarkt (p.252)32. Namelijk, beschouw een arbeidsmarkt in evenwicht, zoals is weergegeven in de figuur 5. Het evenwicht met L0 werkers en een loonpeil w0 wordt bepaald door het snijpunt van de vraag en het aanbod van arbeid. Stel dat de migranten wedijveren op dezelfde arbeidsmarkt als de inheemse werkers. Hun intrede in de economie van bestemming maakt de arbeid minder schaars, en verschuift de aanbod-kromme naar rechts in de figuur 5. Hierdoor ontstaat een nieuw evenwicht, waarbij het loonpeil is gedaald naar w1. Dien ten gevolge is er geen werkgelegenheid meer voor de inheemse werkers met de hoogste reserverings-inkomens v0. Zij scheppen geen collectieve welvaart meer. Er geldt L1 < L0.

Figuur van migratie op arbeidsmarkt
Figuur 5: Migratie op arbeidsmarkt
    vraag en aanbod (voor en na)

De beroepsbevolking bij het loonpeil w1 bedraagt N1, en zij is groter dan L0. Het verschil M1 tussen N1 en L1 wordt afgedekt door de mobiliteit en de komst van migranten. De figuur 5 laat zien, welke effecten de mobiliteit heeft op de collectieve welvaart en op de verdeling tussen de diverse groepen. Deze groepen zijn de eigenaren van de onderneming, de inheemse werkers, en de migranten. De migranten scheppen voor zichzelf een welvaart B = M1×w1. Zij profiteren van hun mobiliteit, want zij ontsnappen aan het monopsonie van de onderneming in hun thuisland33. Maar hun welvaart B heeft geen nut voor de inheemse bevolking (eigenaren en werkers). Toch voegen de migranten voegen ook meerwaarde toe voor de inheemse bevolking, te weten de lichtblauwe driehoek in de figuur 5.

Helaas verlaagt de mobiliteit de welvaart van de L0 inheemse werkers. Hun verlies is het lichtgroene vlak, dat resulteert uit het lagere loon voor de L1 werkers, en uit het inkomens-verschil w0−v0 van de L0−L1 uitgetreden werkers. De eigenaren van de onderneming profiteren van de mobiliteit. Voor de migratie was hun inkomen het lichtrode vlak. Na de migratie groeit hun inkomen, omdat het loonpeil is gedaald. Het inkomen van de eigenaren neemt dus toe met de meerwaarde L0 × (w0−w1), alsmede het lichtblauwe vlak. De eerst genoemde term bestaat uit de lichtgroene en zeegroene vlakken. Men kan dit als volgt interpreteren. Wegens de mobiliteit is er minder kapitaal per werker beschikbaar, waardoor de arbeids-productiviteit daalt. Tevens stijgt de productiviteit van kapitaal34.

Met andere woorden, de migratie leidt tot een herverdeling ten gunste van de eigenaren. Ook de meerwaarde van de migratie komt in handen van de eigenaren. De inheemse werkers moeten de herverdeling betalen uit hun loon. Dit kan niet worden verhinderd door het dicteren van een minimum loon w0 (p.253)35. Weliswaar blijft dan de werkgelegenheid (vraag) gelijk aan L0. Echter, zolang er migratie is, verschuift de aanbod-kromme naar rechts. In dit geval wordt de werkloosheid gelijk aan het aantal migranten. Deze werkloosheid zal ook de inheemse werkers treffen, wanneer sommige migranten toch een baan vinden. Dit primitieve model onderbouwt de klacht "inpikken van banen"36.

In werkelijkheid bevinden migranten en inheemse werkers zich vaak in verschillende segmenten van de arbeidsmarkt. Bijvoorbeeld, als alle inheemse werkers opzichters worden, dan zijn hun banen complementair (aanvullend) ten opzichte van de migranten-banen (p.255)37. In dit geval kunnen de inheemse lonen juist stijgen. Werkers zijn nooit volkomen complementair, want sommige migranten kunnen ook opzichter worden. In dit geval is er toch weer substitutie van inheemse werkers door migranten (p.256). De wisselwerking van aanvulling en substitutie bepaalt, of de inheemse werkers inkomen verliezen door mobiliteit. Voorts kunnen de eigenaren van de ondernemingen besluiten om te investeren, waardoor ook de laagbetaalde werkers productiever worden (p.256)38.

Vermeldens waard is nog, dat vaak het besluit over mobiliteit wordt genomen door het huishouden als geheel39. In gezinnen kan de NPV van mobiliteit voor de ene partner positief zijn, terwijl zij negatief is voor de andere partner. Men kan dan het Hicks-Kaldor compensatie beginsel toepassen. Dit eist, dat de som NPV1 + NPV2 van het echtpaar positief is. In dit geval kan de partner, die wint bij mobiliteit, de andere compenseren voor diens verlies. Men noemt de verliezer een gebonden migrant40. Volgens Scharpf zullen de partners onderling onderhandelen over de verdeling van hun baten. Hierbij is de gebonden partner een veto-speler.

Merkwaardiger wijze onderzoeken de geraadpleegde bronnen nauwelijks het effect van mobiliteit op de economie van origine (onderneming 1). De emigratie van werkers heeft natuurlijk tot gevolg, dat de collectieve welvaart van het thuisland afneemt. Vaak zijn de emigranten relatief jong, zodat het thuisland vergrijst. Ook kan specifieke kennis verloren gaan. Tevens zal het loonpeil w1 van het thuisland stijgen. Echter, als de emigrant werkloos was, dan spaart zijn vertrek een uitkering uit. In dit geval stijgt de welvaart van de achtergeblevenen wel. Voorts zenden migranten soms een deel van hun inkomen terug naar hun thuisland. Deze afdracht is enkel duurzaam positief, wanneer zij productief wordt geïnvesteerd.

Effecten volgens empirische analyses

Empirisch blijkt een relatief grote immigratie niet per se te leiden tot een hoge werkloosheid van inheemse werkers (p.258). Dit geldt zeker voor staten zoals Australië, Nieuw-Zeeland, Canada of Zwitserland, die veel hoger opgeleide migranten aantrekken (p.257, 258). De werkloosheid van inheemse werkers en migranten blijken te correleren. Kennelijk wordt de werkloosheid vooral bepaald door de nationale arbeids-relaties (p.259). Des al niettemin zijn in Scandinavië, Duitsland, Frankrijk, Nederland en België migranten twee keer meer werkloos dan inheemsen (p.257). Ook de tweede generatie migranten is nog relatief vaak werkloos (p.266)41. Een migratie-golf naar een kleine regio kan natuurlijk toch werkloosheid veroorzaken onder de inheemse werkers. De diverse empirische studies over dit effect spreken elkaar tegen (p.260-263)42. Voorts maken migranten relatief vaak aanspraak op uitkeringen. Die tasten de welvaart van de inheemse bevolking aan (p.264)43.

Mobiliteit veronderstelt een hoger loon in de onderneming 2 dan in de onderneming 1. Dit impliceert niet, dat de migrant direct na zijn aankomst meer verdient dan de inheemse werkers in zijn bestemming. Bijvoorbeeld kan de migrant aanvankelijk in het nadeel zijn ten opzichte van zijn collega's, omdat hij of zij de omgangsvormen of zelfs de taal slecht beheerst. Dan verdient hij een lager loon dan inheemse werkers. Een langdurig dienstverband en de bijbehorende anciënniteit worden vaak extra beloond. Empirisch is vastgesteld, dat migranten bij aankomst in de VSA inderdaad gemiddeld structureel minder verdienen dan de inheemse werkers44. Voorts bevordert anciënniteit, dat de werker meer specifieke kennis over zijn onderneming opbouwt45. Dit wil zeggen, soms is mobiliteit juist niet wenselijk. Dit is het perspectief van de CME.


CPB en SCP: Verdringing op de arbeidsmarkt

In 2018 publiceerden het CPB en SCP tezamen het rapport Verdringing op de arbeidsmarkt (afgekort VA)46. Dit rapport onderzoekt mobiliteit in een breed perspectief. Naast migratie analyseert het ook de mobiliteit onder groepen, die verschillen in leeftijd, in opleiding, en zelfs in begeleiding door de overheid (activering). Verdringing wordt algemeen gedefinieerd als het veroorzaken van negatieve effecten voor de gevestigde groep (p.15 in VA)47. De huidige paragraaf geeft commentaar op het hoofdstuk over migratie. Helaas zijn de gepresenteerde gegevens in het rapport te algemeen om duidelijke conclusies te kunnen trekken. Wel constateert het rapport, dat empirische studies zelfs op de korte termijn geen significante negatieve effecten van migratie vinden op het macro niveau van de economie (p.25). En op de lange termijn (zeg, vijf jaren na de migratie) is het effect bijna altijd positief, in overeenstemming met de theoretische modellen (p.19, 20).

Anderzijds stelt het rapport vast, dat de groepen die direct concurreren met immigranten, een negatief effect van verdringing kunnen hebben (p.25, 38). In Nederland zijn dit vooral groepen werkenden aan de onderkant van de arbeidsmarkt (p.38). Deze groepen melden ook zelf negatieve ervaringen. In een vraaggesprek zegt 35% van de werkers met een VMBO diploma en 23% van de werkers met een MBO-diploma, dat zij minder kans op werk hebben door de komst van migranten (p.78). Een aantal empirische studies in Europa hebben eveneens een negatief effect gemeten (p.28-29). De effecten in Europa lijken groter te zijn dan die in de VSA48. Zij worden veroorzaakt door regelingen zoals ontslag-bescherming, het minimumloon en de sociale zekerheid (p.18, 19, 21, 28). Eerder in de blog is de invloed van het minimum loon al theoretisch onderbouwd. In het algemeen zijn Europese arbeidsmarkten tamelijk star. Het kost veel tijd om een nieuw evenwicht te vinden.

Als de lonen dalen door het toegenomen arbeids-aanbod, dan neemt de winst van de ondernemingen toe. Op de lange termijn zullen de ondernemingen investeren en hun productie uitbreiden (p.19). Wellicht worden ook de producten goedkoper, maar dit hangt af van de instituties op de product-markten (p.22). Ook leiden de groei van de bevolking en de resulterende consumptie tot nieuwe banen (p.20). Migratie heeft geen negatief effect, wanneer de inheemse werkers de banen niet willen accepteren (p.28). Het rapport vindt voor dit geval de migratie positief. Uw blogger vraagt zich af of zulke bedrijvigheid nog bestaansrecht heeft. Soms zijn dit krimpende sectoren in de industrie of landbouw (p.32-33)49. Het rapport oordeelt ook positief over immigratie, die via verdringing de inheemse werkers prikkelt tot mobiliteit naar beter betalende sectoren (p.29, 30). Uw blogger tekent aan, dat dit dan niet een vrije keuze is50.

Het rapport is lezens waard (anders zou het hier niet zijn besproken). Maar hoewel het veel interessante stof tot nadenken geeft, bevat het weinig nuttige eigen metingen over migratie (afgezien van de enquête op p.75 en verder). Er worden bijna alleen vermoedens geuit. Voorts beoordeelt het rapport de effecten van mobiliteit en verdringing vooral vanuit een economisch perspectief. Dit levert inderdaad een objectief criterium op. Het rapport heeft niet de ambitie om uitspraken te doen over de gevoelens van onvrede bij de immigranten en bij de verdrongen inheemse werkers. Inderdaad zijn die gevoelens subjectief. De analyse van de effecten op de lange termijn is eveneens economisch, en negeert de overige processen van maatschappelijke aanpassing (cultureel, demografisch, fiscaal enzovoort). Deze processen zijn wel objectief, maar hun effecten zijn nauwelijks kwantificeerbaar.


CPB en SCP: Kansrijk integratiebeleid op de arbeidsmarkt

In 2020 publiceerden het CPB en SCP tezamen het rapport Kansrijk integratiebeleid op de arbeidsmarkt (afgekort IA). Dit rapport stelt specifiek en generiek beleid voor om de positie van migranten op de arbeidsmarkt te verbeteren. Het zijn vooral voorstellen voor overheidsbeleid, maar ook de ondernemingen kunnen hun beleid verbeteren. Het rapport toetst het beleid aan de effecten op (a) het overheidsbudget, (b) de structurele werkgelegenheid, (c) inkomens-ongelijkheid, en (d) heterogeniteit in effecten (p.35). Het rekent de eerste en de tweede generatie allebei tot de groep van migranten (p.30 in IA). Aangezien de blog focusseert op mobiliteit, is enkel de informatie over de eerste generatie relevant. Helaas bevat het rapport weinig van dit soort gegevens. De grootste groepen migranten zijn de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Indonesische Nederlanders (p.31). Intussen behoort al ruwweg de helft of meer van hen tot de tweede generatie.

Nieuwkomers zijn bijvoorbeeld de Poolse werkers (ruim 200.000) en Syrische vluchtelingen (ruim 100.000) (p.31). Beschouw de groep van mannen op de arbeidsmarkt met een leeftijd van 30-40 jaren in 2017. Het aandeel werkenden in deze groep is 92% voor inheemse Nederlanders, 93% voor Polen, en 16% voor Syriërs (p.47). Poolse werkers van de eerste generatie hebben bij immigratie al een baan in Nederland (p.51). Het hoge Poolse percentage blijft gelden tot 20 jaren na hun immigratie (p.52). Bij een langer verblijf daalt het percentage naar ruwweg 80%, omdat dit de tweede generatie is. Oost-Europese migranten zijn gemiddeld relatief laag opgeleid (p.60) Hun inkomen (man, 30-40 jaar) is gemiddeld 21% lager dan het Nederlandse inkomen (p.61).

De situatie van de Syrische migranten is volkomen anders. Het aandeel werkers in de groep Syriërs (man, 30-40 jaar) met een verblijf tot 5 jaren is slechts 9% (p.53). Kennelijk vergt hun inburgering veel tijd (p.55). Na enige tijd stijgt het percentage naar 55% (5-9 jaar), 66% (10-14 jaar), en bij een verblijf vanaf 15 jaren stabiliseert het aandeel op ruwweg 74% 51. Niet-westerse vluchtelingen zijn gemiddeld relatief laag opgeleid (p.60). De werkloosheid van deze vluchtelingen is typisch 5% hoger dan die van Nederlanders (gemiddeld over alle verblijfs-tijden, dus inclusief de tweede generatie, zie p.57). Bovendien werken ze gemiddeld 5% minder uren, en hun bruto uurloon is 25% lager (p.58). Dit alles heeft tot gevolg dat hun inkomen gemiddeld ongeveer de helft is van het Nederlandse inkomen (p.61).

Het zal niet verbazen, dat het rapport Verdringing op de arbeidsmarkt de komst van Oost-Europese migranten ziet als een mogelijke bron van verdringing op de arbeidsmarkt, met name bij laag-opgeleide Nederlanders (p.35 in VA). Het effect van de niet-westerse vluchtelingen op de arbeidsmarkt blijft aanvankelijk beperkt. Maar deze migranten maken veel gebruik van de sociale zekerheid, en dit tast de welvaart van de inheemse bevolking aan. Bovendien krijgen vluchtelingen vaak een persoonlijke begeleiding op de arbeidsmarkt, wat een competitief voordeel is ten opzichte van inheemse werkzoekenden (p.73, 79 in IA). Ook worden soms de loonkosten deels gesubsidieerd (p.119). Het is inderdaad een logisch beleidsdoel om de druk op de sociale zekerheid te verlichten. Sommige economen menen, dat vluchtelingen snel zullen inburgeren, omdat de optie van terugkeer naar het thuisland ontbreekt52. Maar de resultaten van het IA rapport bevestigen dit dus niet.

  1. Zie Divergent capitalisms (2000, Oxford University Press) van R. Whitley. Bekend is ook Varieties of capitalism (2001, Oxford University Press) onder redactie van P.A. Hall en D. Soskice. Met enige goede wil kan Corporatism or competition? (1998, Cambridge University Press) van C. Teulings en J. Hartog eveneens worden gerekend tot deze stroming. Op p.4-5 in Varieties of capitalism and business history (2015, Routledge) noemt K. Sluyterman nog andere pogingen, die deels voortbouwen op de theorie van Esping-Andersen. Sluyterman geeft de voorkeur aan de theorie van Hall en Soskice wegens diens eenvoud. De blog over de welvaarts-staat beschrijft enkele oudere theorieën van kapitalisme-varianten. Bijvoorbeeld onderscheidt Giddens het conservatieve liberalisme en het sociale liberalisme. De oudere theorieën zijn vaak normatief. (terug)
  2. Volgens Divergent capitalisms zijn er 6 typen van zaken systemen. Sluyterman vermeldt op p.5 in Varieties of capitalism and business history, dat Whitley 8 typen van zaken systemen hanteert. Uw blogger heeft geverifieerd, dat inderdaad Whitley enkele jaren na publicatie van Divergent capitalisms zijn categorieën enigszins heeft aangepast. Kennelijk mag de lezer zelf kiezen. Dit maakt zijn theorie natuurlijk niet duidelijker. (terug)
  3. Dit is een belangrijke stelling van alle theorieën van kapitalisme-varianten. Die idee wijkt af van de opvattingen in de jaren 60 van de vorige eeuw, toen men zocht naar het best mogelijke systeem. Bijvoorbeeld meende Tinbergen, dat het kapitalisme en het communisme zouden convergeren tot een gemengd systeem. Het vermelden waard is, dat de bijdragen in Varieties of capitalism and business history wijzen op de dynamiek in de Nederlandse variant van kapitalisme. Bijvoorbeeld op p.73 stellen De Jong, Roëll en Westerhuis, dat Nederland rond 1900 nog een (liberale) LME was. Als alle nationale varianten voortdurend en grillig transformeren, dan wordt het lastig om convergentie te definiëren. (terug)
  4. Volgens p.92 in Divergent capitalisms zijn de 6 kenmerken van het werk-systeem (a) de fragmentatie van taken (arbeids-deling), (b) de autonomie van de werker, (c) de dominantie van de directie, (d) status-verschillen, (e) baan-zekerheid (ontslag-bescherming), en (f) het criterium voor beloning. Deze kenmerken herinneren aan een blog van acht jaren terug, waarin de factoren voor arbeids-vreugde volgens de socialist Hendrik de Man worden opgesomd. Naast de zonet genoemde 6 kenmerken noemt De Man ook nog de kennis, wedijver, respect, en secundaire arbeids-voorwaarden. Dit illustreert, dat de selectie van kenmerken sterk afhangt van het gekozen perspectief. Alleen de practijk kan uitwijzen, welk perspectief het meest vruchtbaar is. (terug)
  5. Maar voorbeelden spreken wellicht meer tot de verbeelding. Volgens p.43-44 en 92 en verder in Divergent capitalisms treft men de genoemde combinaties aan in bijvoorbeeld: type (a) in Angelsaksische staten, (b) in Duitsland, (c) in Japan, (d) in Denemarken of Noord-Italië (industriële regio's), en (e) in Chinese ondernemingen (fragmentatie) of Zuid-Korea (staats-interventie). Men ziet dat zich achter de abstracte indeling van Whitley concrete staten verbergen. Trouwe lezers herinneren zich voorts een blog, die het vertrouwens-model van Fukuyama beschrijft. Volgens Fukuyama hebben zaken systemen baat bij sociaal kapitaal. In zijn perspectief zijn de zaken systemen van Frankrijk en Taiwan een mengvorm van fragmentatie en staats-interventie. (terug)
  6. Volgens p.48 in Divergent capitalisms moet men bij de staat een onderscheid maken tussen (a) de bereidheid om in te grijpen in de economie, (b) onwil tot neo-corporatisme, en (c) de markt-regulering. Het financiële systeem kan de voorkeur geven aan (d) aandelen of kredieten. De arbeids-relaties omvatten (e) tripartiete samenwerking, bijvoorbeeld in scholing, (f) de macht van vakbonden, (g) de organisatie volgens sectoren of beroepen, en (h) de centralisatie van de onderhandelingen. Tenslotte heeft de collectieve moraal betrekking op (i) vertrouwen, (j) paternalisme, en (k) een gedeeld mentaal model. Voor het werk-systeem schrapt Whitley op p.103 de institutionele kenmerken (a), (c), (f), (h), en (k), zonder een nadere toelichting. Hij voegt twee nieuwe institutionele kenmerken toe, te weten de lagen van formele scholing (zoals de universiteit), en de reikwijdte van publieke (algemene) scholing (p.103). Deze twee kenmerken geven de mate aan, waarin een staat kiest voor beroeps-onderwijs. Bijvoorbeeld heeft Frankrijk de Grandes Écoles, die exclusief de Franse elite opleiden (p.105). (terug)
  7. Logischer wijze moeten theorieën enigszins op elkaar lijken, wanneer zij dezelfde maatschappelijke fenomenen beschrijven. Eerder in deze blog is al de institutionele analyse van Ostrom genoemd. Maar met enige moeite ontwaart men ook een overeenkomst met de abstracte systeem-theorie van Parsons, die het organiseren (I systeem) gebruikt om de collectieve moraal (L-systeem) te koppelen aan de productie (G-systeem). Zie p.44 en 68 in Economy and society (1957, Routledge and Kegan Paul Ltd) van T. Parsons en N.J. Smelser. (terug)
  8. Op p.7 Varieties of capitalism worden 5 typen van coördinatie onderscheiden: (a) de arbeids-relaties, (b) de beroeps-opleiding, (c) de kapitaal-voorziening, (d) het productie-netwerk, en (e) de aansturing van werkers. Hall en Soskice geven helaas geen theoretische onderbouwing van hun keuze voor juist deze typologie. Bij Whitley zijn de arbeids-relaties, de beroeps-opleiding en de kapitaal-voorziening institutionele kenmerken. Het productie-netwerk is een kenmerk van het zaken systeem. De aansturing van werkers is een kenmerk van het werk-systeem. Er is nog weinig wetenschappelijke consensus. (terug)
  9. Natuurlijk hebben Hall en Soskice in Varieties of capitalism hier een nog groter probleem. Op p.21 constateren zij, dat ze Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal en Griekenland niet kunnen indelen als een liberaal of coördinerend regime. Ze suggereren, dat er wellicht een derde regime bestaat, genaamd Mediterraans. Merk voorts op, dat de theorie van Hall en Soskice meer baseert op economische inzichten dan die van Whitley. Bijvoorbeeld stellen Hall en Soskice, dat zaken systemen ontstaan via evolutie, op basis van specifieke institutionele sterkten. Zie bijvoorbeeld p.36 en verder. (terug)
  10. Zie hoofdstuk 6 in Games real actors play (1997, Westview Press) van F.W. Scharpf. Het siert Hall en Soskice, dat zij op p.11 in Varieties of capitalism het belang van dit model erkennen. (terug)
  11. Zie National labour relations in internationalized markets (2001, Oxford University Press) van F. Traxler, S. Blaschke, en B. Kittel. (terug)
  12. Volgens p.26 in National labour relations in internationalized markets wordt de statistische analyse van arbeids-relaties uitgevoerd voor 20 staten uit de OESO. De analyse baseert op tijd-reeksen tussen 1970 en 1998, dus bijna 30 jaren. De tijds-eenheid bestaat uit perioden, in totaal 8, en niet uit afzonderlijke jaren. De staten zijn Oostenrijk, Australië, België, Canada, Zwitserland, Duitsland, Denemarken, Spanje, Frankrijk, Finland, Verenigd Koninkrijk, Italië, Ierland, Japan, Noorwegen, Nederland, Nieuw-Zeeland, Portugal, Zweden, en de VSA. Merk op, dat Oost-Europa en Zuid-Amerika ontbreken in deze verzameling, evenals belangrijke democratische staten in Azië, zoals India en Zuid-Korea. Dit is jammer, omdat hierdoor de algemene conclusies en generalisaties van het boek slechts een beperkte geldigheid hebben. Anderzijds, wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. Want ook de blogs in de Gazet zijn Euro-centrisch. (terug)
  13. Zie p.41 in National labour relations in internationalized markets voor de grootste federaties. De aantallen aangesloten vakbonden staan vermeld op p.46. (terug)
  14. Zie p.130-131 in The functions of social conflict (1969, The Free Press) van L.A. Coser. Volgens p.95 in National labour relations in internationalized markets is er geen correlatie tussen de organisatie-graad van de federatie van vakbonden en de organisatie-graad van de koepel van verbonden van ondernemingen. (terug)
  15. Zie p.58 in National labour relations in internationalized markets. Concreet heeft het weergegeven getal betrekking op de grootste nationale federatie van vakbonden. Het deelt het gesommeerde ledental njp van de drie grootste publieke vakbonden (zorg, onderwijs, ambtenaren en dergelijke) door het totale ledental N van de federatie. In formule μp = (np1 + np2 +np3) / N. Helaas is de tabel II.5 in het boek niet helemaal duidelijk. Namelijk, de indicator μp wordt gepresenteerd voor de perioden 1970-1979, 1980-1989, en 1990-1996. Deze zijn weergegeven in de tabel 2 van de blog. Maar het boek beschouwt ook de totale periode 1970-1996, en geeft daarvoor andere waarden van μp. Uw blogger begrijpt niet waarom zij verschillen. Gelukkig zijn de verschillen niet zeer groot. (terug)
  16. Maar volgens p.58 in National labour relations in internationalized markets is de stijging in de perioden 1980-1989 en 1990-1996 niet statistisch significant. De waarde van de t-toets wordt gegeven, maar een toelichting ontbreekt. De t-waarde voor het verschil tussen 1980 en 1989 is -1.58, en voor het verschil tussen 1990 en 1996 is het -1.45. Kennelijk is het een toets met twee staarten. Dan is de kritische t-waarde gelijk aan 2.02 voor een significantie p=5%, 1.68 voor p=10% en 1.30 voor p=20%. Er is dus wel significantie op het 20% niveau. (terug)
  17. Volgens p.312 in National labour relations in internationalized markets wordt de macht van de federatie bepaald door (a) het recht om collectieve akkoorden af te sluiten namens de vakbonden; (b) geld-afdrachten van de vakbonden aan hun federatie; (c) het bezit van een eigen stakings-fonds; (d) een veto recht op afgesloten CAO's in de sectoren; (e) mee onderhandelen over de CAO's; (f) de plicht om een leden-referendum te houden. Al deze 6 aspecten worden even zwaar gewogen in de indicator μc. Merk op, dat Whitley de centralisatie van onderhandelingen opvat als een institutie. (terug)
  18. De samengestelde index wordt gedefinieerd op p.76 in National labour relations in internationalized markets. Volgens p.312 hebben de twee belangrijkste indicatoren ieder een weeg-factor van 35%. De overige acht indicatoren worden ieder gewogen met 4%. Volgens p.76 zijn zij de bijdrage in het formuleren van (a) het industrie beleid, (b) regionale programma's, (c) beroeps-onderwijs, en (d) onderzoek en ontwikkeling. De resterende vier indicatoren betreffen de bijdrage in de uitvoering van (a), (b), (c) en (d). De koepels van verbonden hebben soms ook nog zeggenschap over het kwaliteits-beleid van producten. (terug)
  19. Zie p.68 in National labour relations in internationalized markets. De gegeven waarden hebben betrekking op de periode 1980-1990. (terug)
  20. Volgens p.85 in National labour relations in internationalized markets hanteren Denemarken, Finland, Zweden en België nog heden het Gentse stelsel. (terug)
  21. Vooral in de Verenigde Staten van Amerika zijn de ondernemingen (en in mindere mate ook de staat) vijandig jegens de vakbeweging. Dit blijkt ook uit p.60 in Divergent capitalisms, waar de matrix van zaken systemen en instituties wordt gepresenteerd. Zie het zaken systeem van het type compartimentaal. Merk op, dat de statistische analyse van National labour relations in internationalized markets op zoek is naar gemiddelde trends voor de 20 staten. De organisatie graad van het Verenigd Koninkrijk volgt de gemiddelde trend, omdat het in de tachtiger jaren het closed shop systeem heeft afgeschaft. Natuurlijk werken ook andere factoren in op de organisatie graad, zoals de omvang van de staats-uitgaven. Zie p.90. (terug)
  22. Volgens p.114 en 307 in National labour relations in internationalized markets zijn de niveau's (a) centraal voor allen, (b) centraal per groep, (c) centraal en sectoraal voor allen, (d) centraal, sectoraal en per onderneming, (e) sectoraal voor allen, (f) sectoraal per groep, (g) sectoraal en per onderneming voor allen, (h) sectoraal en per onderneming voor allen en per groep, (i) sectoraal en per onderneming per groep, (j) per onderneming voor allen, (k) per onderneming voor allen en per groep, en (l) per onderneming per groep. (terug)
  23. Helaas deelt Divergent capitalisms niet zelf alle staten in volgens de ideaal-typen van werk-systemen. Maar op p.53 wordt gesteld, dat Frankrijk een grote sociale afstand heeft tussen werkers en de directie. Op p.105 wordt gewezen op de sterke positie van de Franse elite. Alleen de elite zou als belangen-groep sterke horizontale relaties vormen. Dit suggereert paternalisme. (terug)
  24. Dit is redelijk in overeenstemming met Divergent capitalisms, die op p.48 drie mogelijke instituties van de staat noemt, te weten directe interventie, neiging tot neo-corporatisme, en (de-)regulering van markten. Op p.177 in National labour relations in internationalized markets wordt bijvoorbeeld Japan ingedeeld bij het liberalisme, tezamen met het Verenigd Koninkrijk en de VSA. Dit is onbevredigend, gezien de grote institutionele verschillen onderling. Daarom noemt Whitley het Japanse zaken systeem intense coördinatie. Het zaken systeem van de VK en de VSA is compartimentaal. (terug)
  25. Zie p.104 in An introduction to collective bargaining and industrial relations (2004, McGraw-Hill/Irwin) van H.C. Katz en T.A. Kochan (terug)
  26. Volgens p.207 in National labour relations in internationalized markets is inderdaad de dekkings-graad van collectieve overeenkomsten in Japan verminderd. Maar zelfs op het niveau van de onderneming heeft de Japanse CAO een grote reikwijdte, omdat de ondernemingen zo groot zijn. (terug)
  27. Volgens p.252 in National labour relations in internationalized markets zijn de statistisch gemeten ontwikkelingen binnen een periode vaak het gevolg van toevallige gebeurtenissen in enkele staten. Enkele jaren na de publicatie van dit boek deed Kittel opnieuw een kwantitatief onderzoek naar arbeids-relaties in het boek Politische Ökonomie (2003, Leske + Dudrich), tezamen met H. Obinger en U. Wagschal. Deze boeken hanteren allebei de statistische analyse van kleine-N gegevens. Kennelijk waren de ervaringen zodanig, dat Kittel enigszins zijn geloof in deze methode verloor. In 2004 stelt hij in zijn oratie bij de Universiteit van Amsterdam, dat de conclusies van dit soort analyses instabiel zijn bij kleine veranderingen aan het model. Kittel veronderstelt dan, dat het niet mogelijk is om sociale mechanismen op het macro niveau te ontdekken. Het probleem is, dat de actoren op het micro niveau subjectief handelen. Een bestuurs-besluit is niet de geaggregeerde keuze van alle betrokken burgers, maar de strategische keuze van een kleine groep. Dit leidt tot willekeur, en niet tot een wetmatigheid. Helaas verliet Kittel na enkele jaren de UvA, zodat zijn kritiek niet tot wasdom is gekomen.(terug)
  28. Zie p.324 en 354 in Modern labor economics (2009, Pearson Education, Inc.) van R.G. Ehrenburg en R.S. Smith (terug)
  29. Zie hoofdstuk 9 in The economics of imperfect labor markets (2013, Princeton University Press) van T. Boeri en J. van Ours. (terug)
  30. Zie ook p.325 in Modern labor economics, en p.318 in Labor economics (2010, McGraw-Hill) van G.J. Borjas. (terug)
  31. Het is gebruikelijk om de kosten van de migratie voor te stellen als een eenmalige uitgave. Dit is een abstracte voorstelling van zaken. In werkelijkheid heeft elke periode t kosten en baten. Het verschil van baten en kosten leidt tot netto baten. Vervolgens moet de migrant de netto baten voor de banen bij de twee ondernemingen vergelijken voor alle perioden. Op p.341 in Labor economics merkt Borjas inderdaad op, dat stijgende kosten C van migratie equivalent zijn aan een verlaging van de baten B2(t) in de economie van bestemming. Op p.327 in Modern labor economics wordt opgemerkt, dat jongeren minder zijn vergroeid met hun thuisland dan ouderen. Daarom is verhuizen voor hen goedkoop. Dit is een extra reden, dat jongeren relatief veel migreren. Op p.329 wordt voorts opgemerkt, dat C ook de kosten van zoeken naar vacatures en informatie omvat. Deze bewering compliceert het model, want werkers kennen hun baten B2(t) pas na het verzamelen van informatie. Dus dan zou de NPV pas kunnen worden berekend, wanneer deze uitgave in C al is gedaan. Dit soort paradoxen in de beraadpleegde literatuur maakt bloggen extra boeiend. (terug)
  32. Dit model wordt ook beschreven op p.338-342 in Modern labor economics, en p.608-609 in Labor economics (2004, The MIT Press) van P. Cahuc en A. Zylberberg. (terug)
  33. Het model is neoklassiek, en veronderstelt, dat de arbeidsmarkt in de economie van bestemming volkomen concurrerend is. Hier is dus geen monopsonie. (terug)
  34. Deze samenhang wordt in detail uitgelegd op p.608 in Labor economics van Cahuc en Zylberberg. Zij hanteren de productie-functie Y = F(K, L). Het loon is w = ∂F/∂L, en het rendement van kapitaal is r = ∂F/∂K. Migratie vergroot L, in eerste instantie bij een vaste K. Op de lange termijn kan K groeien, zodat de arbeids-productiviteit weer haar oude peil bereikt. Dit boek beschrijft op p.609-611 ook de situatie Y = F(K, Ll, Lh), waarin Ll het aantal laag-opgeleide werkers is, en Lh het aantal hoog-opgeleide werkers. (terug)
  35. Zie ook p.339-340 in Modern labor economics. (terug)
  36. Volgens p.269 in The economics of imperfect labor markets trekt het minimum loon migranten aan. (terug)
  37. Zie ook p.342 in Modern labor economics. (terug)
  38. Dit argument is complexer dan het lijkt. Immers, de eigenaren zouden ook kunnen investeren in de banen van inheemse werkers, waardoor die extra productief worden. Investeringen in migranten-banen zijn niet meer beschikbaar voor de inheemse werkers. (terug)
  39. Zie p.332 in Modern labor economics, p.325-328 in Labor economics van Borjas, en p.611 in Labor economics van Cahuc en Zylberberg. (terug)
  40. Zie p.325-327 in Labor economics van Borjas. (terug)
  41. Het is denkbaar, dat migranten worden gediscrimineerd op de arbeidsmarkt. Maar het is evengoed denkbaar, dat er onvoldoende geschikte banen zijn voor migranten. (terug)
  42. Zie ook p.342 in Modern labor economics. Hier wordt gesteld, dat het loonpeil van de inheemse werkers in stand blijft. Hierbij wordt aangetekend, dat wellicht inheemse werkers zelf migreren, wanneer hun regio wordt geconfronteerd met een migratie golf. Dan houden immigratie en emigratie elkaar in evenwicht. Zie voorts p.612-613 in Labor economics van Cahuc en Zylberberg. (terug)
  43. Op p.264 in The economics of imperfect labor markets wordt opgemerkt, dat de economie van bestemming ook de opleiding van de kinderen van migranten moet betalen. Dit kan echter worden opgevat als een renderende investering. Uw blogger wil niet de maatschappelijke gevolgen van immigratie analyseren. Vermeldens waard is nochtans, dat volgens p.346 in Modern labor economics migranten relatief weinig crimineel zijn. (terug)
  44. Zie p.333 in Modern labor economics. Op p.334 wordt opgemerkt, dat de migrant foute informatie kan hebben over de baten B2 in de bestemming. Aldus zal soms blijken, dat de NPV van migratie negatief uitvalt. Mobiliteit baseert op verwachtingen, en is daarom altijd enigszins riskant. Zie ook p.322 in Labor economics van Borjas. (terug)
  45. Zie p.354 in Labor economics van Borjas. Op p.356 en 358 wordt geconstateerd, dat empirisch anciënniteit inderdaad leidt tot een hoger loon. Een alternatieve uitleg is, dat werkers vasthouden aan een baan, die hun vaardigheden en capaciteiten uitstekend beloont (p.357). (terug)
  46. Samenwerking van het CPB en het SCP is begrijpelijk, want het bestuur wil graag sluitend worden geadviseerd. Maar als blogger is het prettig om twee onafhankelijke adviezen te lezen, vooral omdat het CPB en het SCP een verschillend perspectief hanteren. Een blogger wil zelf een subjectieve afweging maken, en niet een ondoorzichtig compromis lezen. (terug)
  47. Op p.17 in Verdringing op de arbeidsmarkt wordt ook de verplaatsing van productie naar staten met een lager loonpeil een vorm van verdringing genoemd. Dit is een verrassende opmerking. Inderdaad kunnen ondernemingen zich onttrekken aan het monopolie van de arbeid door internationaal mobiel te worden. Dit heeft het voordeel, dat de goedkope werkers niet hoeven te migreren. Maar het schaadt toch de achtergebleven werkers. (terug)
  48. Op p.27 in Verdringing op de arbeidsmarkt wordt een intrigerend voorbeeld gegeven, waarbij emigratie in de VSA geen effect had. Tijdens de Grote Depressie repatrieerden de VSA ongeveer een half miljoen Mexicaanse migranten ten einde hun banen beschikbaar te stellen aan de inheemse bevolking. Het bestuur was overtuigd, dat deze maatregel effect zou hebben. Echter de ondernemingen gebruikten de repatriëring als een afvloeiing van personeel. Mede hierdoor nam ook de werkgelegenheid onder de hoger opgeleide werkers af. Uw blogger vindt het lastig om deze waarnemingen te duiden. Wellicht zouden zonder repatriëring de migranten werkloos zijn geraakt. Het CPB-SCP rapport wijdt hier niet over uit. (terug)
  49. Uw blogger is geboren in Utrecht, dat tot in de jaren 70 van de vorige eeuw een grote staal-industrie had. Tijdens de neergang van de staal-sector huurde de onderneming Demka al in de jaren 60 veel migranten, eerst uit Zuid-Europa, en later uit Noord-Afrika en Turkije. Naar Nederlandse begrippen waren hun arbeidsvoorwaarden en huisvesting schramel. Zij verloren hun baan, toen Demka in de jaren 80 definitief dicht ging. Alleen de migranten zelf kunnen beoordelen, of dit een verrijkende ervaring was. (terug)
  50. Op p.34 in Verdringing op de arbeidsmarkt presenteert het rapport een grafiek over de verandering van loon bij een wisseling van baan. Het blijkt dat een wisseling gemiddeld gepaard gaat met een loons-verhoging. Dit fenomeen wordt natuurlijk verklaard door de formule 1 in de huidige blog. Het fenomeen blijkt niet te zijn ondermijnd door de komst van Poolse en andere Oost-Europese werkers. Daarom doet het rapport op p.36 de suggestie, dat er geen verdringing was. Uw blogger twijfelt aan deze redenatie, omdat de verandering van loon bij afwezigheid van immigratie (zeg, de controle groep) onbekend is. (terug)
  51. De vergelijking is niet helemaal correct, omdat de 35-jarige man met een verblijf van 10 jaren niet dezelfde is als de 35-jarige man, die net is gevlucht. Er kan een zogenaamd cohort effect zijn. Zie p.332-336 in Labor economics van Borjas. Bovendien treedt een selectie effect op bij het berekenen van gemiddelden. Langdurig werkloze migranten kunnen besluiten om Nederland weer te verlaten. Vooral de meer succesvolle migranten zullen blijven. Zie p.334 in Modern labor economics. (terug)
  52. Zie p.352-353 in Modern labor economics. (terug)