Corporatisme (3)

Plaatsing in Heterodoxe Gazet Sam de Wolff: 3 juni 2021

E.A. Bakkum is blogger voor het Sociaal Consultatiekantoor. Hij denkt graag na over de arbeiders beweging.

De analyse en evaluatie van het boek Corporatism or competition? wordt voltooid. Het selectie model en het LIFO model worden beschreven, evenals de flexibiliteit van lonen. De theorie van de varieties of capitalism wordt kort besproken. De liberale kritiek op het corporatisme wordt onderzocht, met name die van het Walter Eucken instituut, Hayek, en de Telders stichting. Het denken van Easton over politieke systemen wordt samengevat. Als toegift wordt de kritiek van Michels op de democratie als oligarchie vermeld.


Corporatisme volgens Teulings en Hartog (3)

In eerdere blogs is het boek Corporatism or competition? (afgekort CC) geraadpleegd, dat positief oordeelt over corporatisme1. In dit boek is corporatisme simpelweg het centrale overleg tussen de vakbeweging en de organisaties van ondernemers. Corporatisme vermindert wellicht het opportunistisch rente zoeken van de vakbonden (p.25 in CC). Bovendien blijkt empirisch, dat de vakbeweging probeert om de loonverschillen te verminderen (p.25, 157). De vakbeweging heeft een moraal van solidariteit (p.28). Dankzij solidariteit verminderen de belangen-conflicten in de onderneming. Dit heeft waarschijnlijk een positief effect op de productie (p.160). Voorts houden centrale vakfederaties rekening met de externe effecten van loonvorming (p.34, 156).

Effecten van anciënniteit en ervaring op de loonvorming

De tweede blog over CC heeft laten zien, dat volgens de empirische gegevens het corporatisme inderdaad de spreiding in de lonen vermindert, bijvoorbeeld tussen de verschillende bedrijfstakken. Dit suggereert, dat het corporatisme een rem is op hoge lonen in de meest winstgevende takken. Voorts toont deze blog aan, dat anciënniteit (zittings-duur, tenure) in alle staten wordt gewaardeerd met een wat hoger loon. Kennelijk hebben de oudgedienden (insiders) een gunstiger positie dan buitenstaanders (outsiders). Echter, het corporatisme matigt de hogere lonen op grond van anciënniteit. Met andere woorden, het corporatisme vermindert de uitbuiting van nieuw toegetreden werkers. In het algemeen wordt ook de ervaring van werkers extra beloond. Op p.42 in CC wordt empirisch vastgesteld, dat deze extra beloning voor ervaring niet significant wordt beïnvloed door de aanwezigheid van corporatisme2.

Op p.225-226 in CC worden ook de empirische resultaten van andere onderzoekers geciteerd. Deze studies analyseren vooral de invloed van de vakbeweging, en niet van corporatisme. Ruwweg is de conclusie, dat vakbonden een rem zijn op loon-verschillen op grond van ervaring. En ze vergroten juist de verschillen op grond van anciënniteit. Merk op, dat corporatisme weliswaar vakbonden nodig heeft, maar dat omgekeerd vakbonden ook kunnen kiezen voor decentraal overleg. De eerdere blog heeft laten zien, dat in staten met decentraal overleg de organisatie-graad van de werkers vaak vrij laag is. De vakbonden zijn er zwak. Een uitzondering is Engeland, met decentraal overleg en tamelijk sterke bonden.

In het corporatisme denkkader van Teulings en Hartog wordt verondersteld, dat de oudgedienden in de onderneming beter in staat zijn tot rente zoeken dan de nieuwkomers. De auteurs willen dit proces van rente zoeken beter begrijpen, en bedenken daarom twee bijpassende modellen, te weten het selectie model en het last-in, first-out (LIFO) model. Zij geven weinig informatie over corporatisme, maar zijn toch interessant genoeg om hier te beschrijven.

Het selectie model

In het selectie model wordt het loon w beschreven als ln(w) = a(t) + b(τ) + c(t, τ) − d(t, τ). In deze formule is t de werk-ervaring gedurende de hele loopbaan, en τ is de anciënniteit van de werker binnen de onderneming. Ervaring wordt normaal beloond met a, en anciënniteit met b. Echter in sommige ondernemingen kunnen de werkers ook nog een extra rente c afdwingen. Alle werkers proberen van baan te wisselen naar zulke ondernemingen. Ze verliezen anciënniteit door de wissel, maar dat wordt (ruim) gecompenseerd door de extra rente. Daar en tegen veroorzaakt een gedwongen ontslag een carrière breuk. Zowel de anciënniteit als de opgebouwde rente gaan verloren door het ontslag. Dit wordt uitgedrukt door de verlies-term d.

Het selectie model stelt c en d voor als stochastische termen. Een werker krijgt in elk tijds-interval Δt een aanbod om vrijwillig te wisselen van baan, waarbij de hoogte van de rente c van het baan-aanbod toevallig is. Om redenen die onbekend zijn voor uw blogger gebruikt het selectie model de Gumbel verdeling om de spreiding in de rente c te beschrijven3. Neem nog aan dat geldt b(τ) = β×τ. Op p.227-232 in CC wordt afgeleid dat geldt

(1)     ln(w) = a(t) + s × (ln(t) − (λ/2) × (t−τ)² / t) + (β/2) × (t − (λ/2) × (t−τ)²)

In de formule 1 is s×π / √6 de standaard fout (spreiding) van de verdeling van c, en λ is de ontslag frequentie. De term b(τ) is verdwenen uit de formule, omdat deze wordt gecompenseerd door de rente. Empirisch blijkt ongeveer te gelden s=0.14 voor decentrale loonvorming, en s=0.07 voor corporatisme (p.216 in CC)4. Dat wil zeggen, het corporatisme remt hier inderdaad het rente zoeken af. Helaas blijkt een empirische toetsing van de formule 1 met behulp van een statistische analyse deels strijdige resultaten op te leveren5. Aldus is de wetenschappelijke basis van de formule 1 nog wankel.

Des al niettemin suggereert de formule 1 interessante samenhangen van w, t en τ. Bijvoorbeeld zullen de vakbonden eisen, dat de ondernemingen een lage ontslag-frequentie λ nastreven. In ruil zullen de bonden akkoord gaan met een lagere beloning voor ervaring (a), anciënniteit (β), en rente afdracht (s) (p.219). Empirisch blijkt, dat bedrijfs-takken met veel rente zoeken (grote s) worden gekenmerkt door een hoge gemiddelde anciënniteit τ (p.223). Werkers in deze takken wisselen weinig meer naar andere takken.

Het LIFO model

Volgens het LIFO model worden de laatst ingehuurde werkers als eerste ontslagen (p.151 en verder in CC). Stel dat de loon-hoogte varieert met de anciënniteit als w(τ). Stel dat er N werkers zijn, en orden ze naar afnemende anciënniteit. Dat wil zeggen, er geldt Δτ/Δn < 0 (met n=0, ..., N), zodat werker N als laatste is ingehuurd. Stel het loon voor door een continue functie v(n) = w(τ(n)). Dan is de loonsom V(N) = ∫0N v(n) dn. De winst is π(N) = Q(N) − V(N), waarbij Q de omzet in geld is. De onderneming huurt juist zoveel werkers N* in, dat de winst π maximaal is. Dit is het geval, wanneer geldt ∂Q/∂n = v(n) = w(τ(n)). Dit kenmerkt de arbeidsvraag van de onderneming. Uit π(N) ≤ π(N*) volgt

(2)     ∫NN* v(n) dn ≤ Q(N*) − Q(N)

Figuur van arbeidsvraag en loon-akkoord
Figuur 1: Arbeids-vraag
   en loon-akkoord

Blijkens de formule 2 kan de loonsom voor de nieuwste werkers lager zijn dan de waarde, die zij toevoegen aan het product. De vakbond kan gebruik maken van deze mogelijkheid door een akkoord af te sluiten, waarin de nieuwste werkers een loon a krijgen, dat juist hun reserverings-inkomen is (het alternatieve inkomen uit externe bronnen). Daarbij krijgen de werkers met een hogere anciënniteit allemaal een loon wo > a. Aldus kan de vakbond het loon-profiel eisen, dat is getoond in de figuur 1. Een deel van de gevestigde werkers krijgt een loon boven hun productiviteit. Een eigenaardigheid van dit loon-profiel is, dat de onderneming haar nieuwste werkers niet zal ontslaan, omdat daardoor de winst zou afnemen (p.152).

Teulings en Hartog betogen, dat een profiel zoals in de figuur 1 niet optimaal is voor de vakbond. Zij veronderstellen, dat de vakbond het nut u van de werkende leden optimaal wil maken. Wegens het afnemende grensnut van loon (∂ (∂u/∂w) / ∂w < 0) wil de vakbond juist de laagste lonen maximaal maken. Met andere woorden, nieuwe werkers met n=N* moeten hebben

(3)     w(τ(n)) = ∂Q(n)/∂n

Zij verdienen juist zoveel als zij voortbrengen aan waarde. Bovendien wil de vakbond zich alle winst toe-ëigenen als rente. Daarom eist zij een loon-contract, dat voldoet aan de formule 3 voor alle werkers. In feite is hier sprake van loon-discriminatie. De loonschaal volgt volkomen de geproduceerde grenswaarde. Dit is tevens de optimale uitkomst voor contracten, die baseren op het RTM model (labour demand curve of LDC model). Kennelijk past de beloning naar anciënniteit τ inderdaad goed bij de voorkeuren van de vakbond (p.153-154). Overigens is het efficiënt onderhandelen model (EB model) nog aantrekkelijker voor de bond, omdat dan de werkgelegenheid kan worden uitgebreid voorbij de vraagkromme naar arbeid. Merk overigens op, dat de onderneming winst wil maken. In de practijk zal de vakbond niet alle winst krijgen, zodat het loon-profiel toch onder de vraag-kromme van de figuur 1 zal liggen (p.220).

Het LIFO model is een frappant voorbeeld van rente zoeken. De langst-zittende werkers krijgen de hoogste lonen, en zijn het best beschermd tegen ontslag (p.210). Dit betekent in de formule 1, dat voor hen ruwweg geldt t=τ. Hun negatieve termen in de loon-formule zijn relatief klein. De samenhang van anciënniteit en baan-zekerheid wordt empirisch bevestigd (p.222-224)6. Men zou kunnen beweren, dat LIFO voordelen heeft voor de werkers en voor de onderneming (p.224). De lang-zittende werkers hebben relatief veel baan-zekerheid. En de onderneming vermindert de kans, dat deze groep van relatief productieve werkers vrijwillig vertrekt. Deze bewering veronderstelt echter, dat lang-zittende werkers voortdurend bij-leren. Dit is natuurlijk niet per se het geval.

Zonet is al opgemerkt, dat corporatisme het rente zoeken van gevestigde werkers vermindert. Voorts kan het corporatisme snel reageren op algemene productieve schokken, en de contracten aanpassen. Dit vermindert het aantal ontslagen, en verlaagt daarmee de waarde van λ in de formule 1. De productie blijft hoger (p.75-76 en 210).

Evaluatie van de modellen

Het selectie model en het LIFO model bieden boeiende denkkaders aan voor de loon-vorming en de dynamiek op de arbeids-markt. Inzicht in de processen op de arbeids-markt draagt bij aan een beter begrip van corporatisme. Maar de modellen zeggen helaas weinig over de voor- en nadelen van corporatisme.

Loon-flexibiliteit bij werkloosheid

Soms wordt de economie getroffen door een schok, die de vraag naar producten negatief beïnvloedt. De aantasting van de consumenten-vraag q kan worden tegengegaan door de product-prijzen p te verlagen. Met andere woorden, de toenemende werkloosheid u kan worden bestreden door de lonen w te verlagen. Kennelijk zijn vraag-schokken relevant voor de loon-vorming, en daarom besteedt CC er aandacht aan in hoofdstuk 7. De analyse is slechts indirect relevant voor het corporatisme, maar toch voldoende interessant om hier te beschrijven. De auteurs onderscheiden op de arbeidsmarkt de effecten van een negatieve schok op de korte termijn, en op de lange termijn. Twee variabelen zijn van bijzonder belang, te weten de vaardigheid s van een werker, en de complexiteit c van zijn baan. Vaardige werkers (met een hoge s) werken vooral in gecompliceerde banen, die een hoog loon w opleveren (p.245). In formule ∂s/∂c > 0, en ∂s/∂w > 0.

Bij een oplopende werkloosheid worden op de korte termijn de werkers met de minste vaardigheid (laagste s) verdrongen van de arbeidsmarkt. Dit verloopt als een lawine-effect. Namelijk, stel de vraag-vermindering treft alle banen. Een fractie u van de werkers uit de meest complexe banen moet noodgedwongen afdalen naar een minder complexe baan, met een lager loon. Een fractie u van de werkers in de minder complexe banen moet eveneens afdalen, alsmede ook nog de werkers, die worden verdrongen. Enzovoort. Op die manier worden de werkers in de minst complexe banen verdrongen door alle werklozen met een hogere vaardigheid s (p.251). Merk op, dat de lonen w(c) behorende bij complexiteit c nog constant blijven. Maar wegens de verdringing en de werkloosheid van de minst vaardige werkers neemt de loonsom toch af. Teulings en Hartog stellen, dat dit niet een echte loon-flexibiliteit is (p.252).

Op de wat langere termijn worden de ondernemingen zich bewust van de werkloosheid, en verlagen hun lonen. Dit is een echte loon-flexibiliteit, die de werkgelegenheid herstelt. Het fenomeen wordt empirisch getoetst met behulp van het model ln(w) = a1×u + a2×e×u + a3×o×u, waarbij e staat voor ervaring en o voor opleiding (p.254)7. De gegevens zijn weer ontleend aan het Noord-Amerikaanse CPS bestand uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. Het resultaat is a1 = -0.12, terwijl de kruistermen positieve schattingen van a2 en a3 hebben. De variaties in w zijn het gevolg van zowel het korte- als lange-termijn effect. De kruistermen tonen aan, dat vaardigheden inderdaad een rem zijn op de loondaling bij een toenemende algemene werkloosheid. De minst vaardige werkers dragen de zwaarste last van de negatieve vraag-schok.

Dezelfde gegevens-verzameling is gebruikt om het model ln(w) = b1×u + b2×c×u te schatten. Nu is het resultaat b1 = -0.07, terwijl de kruisterm een positieve schatting van b2 geeft. Merk op, dat kennelijk geldt a1 < b1. Dat wil zeggen, de loondaling behorend bij de de baan is minder dan de loondaling behorend bij de werker. Dit verschil is natuurlijk te wijten aan de verdringing. Voorts wordt de loondaling bij complexe banen gematigd, omdat de werkloosheid van de meest vaardige werkers meevalt (p.255).

Figuur van vaardigheid versus loon
Figuur 2: Functie s(w)
   en het optimum w*

Teulings en Hartog verwachten, dat in het corporatisme alle loon-informatie wordt verzameld op het centrale niveau (p.255-256). Men wordt zich bewust van de onevenwichtige arbeidsmarkt, en kan alle lonen passend verlagen via een centraal akkoord. Dat herstelt overal de werkgelegenheid. Op deze manier zou het corporatisme beschikken over een flexibelere loonvorming dan decentrale staten. Helaas is niet empirisch vaststelbaar, of dit mechanisme inderdaad optreedt. Namelijk, een internationale vergelijking van de loon-flexibiliteit faalt, omdat de heterogeniteit van vaardigheden s en complexiteit c verschillen per staat (p.256-259). Zelfs bij een algemene vraagschok zal de werkloosheid toch verschillend zijn per sector c. En vakbonden kunnen heel verschillend reageren op een vraagschok. In conclusie, het betoog illustreert helder de dynamiek in loonvorming, maar zegt helaas weinig over corporatisme.

Er wordt ook een formeel model gepresenteerd, dat uw blogger voldoende fascinerend vindt om weer te geven. Zij de productie-functie q(c) = s×c + ln(N(c)), waarbij N(c) het aantal werkers in baan c is (p.246)8. De onderneming maakt haar winst π = p×q(c) − w(c)×N(c) maximaal door een geschikte N(c) en w(c) te kiezen. Dit geeft twee voorwaarden van optimaliteit, te weten N(c) = p/w(c) en ∂s/∂w = N/(p×c) = 1/(w×c). De tweede-orde voorwaarde van optimaliteit leidt tot ∂²s/∂w² < 0 9. De tweede-orde formule laat zien, dat s(w) een stijgende functie is, maar in afnemende mate. Dit functionele gedrag is afgebeeld in de figuur 2. Het optimum is het punt w*, waar de helling van de functie gelijk is aan 1/(w×c). Merk op, dat de figuur 2 ook kan worden uitgelegd als w(s). Deze inverse functie van s(w) weerspiegelt het rendement van vaardigheden. Het rendement neemt exponentieel toe met s.

Dit formele model kan de gevolgen van een negatieve vraagschok uitrekenen. Stel dat vraagschok in elke baan c wordt gecompenseerd door een prijsdaling p'(c) = ν×p(c), met ν<1. De werkgelegenheid N(c) blijft behouden, zolang de lonen dalen naar w'(c) = ν×w(c). Maar de figuur 2 laat zien, dat een individuele onderneming zijn loon w(c) niet kan verlagen. Immers, dan zou die werkers aantrekken met onvoldoende vaardigheden s (p.250). Op de korte termijn blijft w(c) in stand, zodat N(c) moet dalen vanwege de afnemende vraag q(c). Zonet is al uitgelegd, dat de ondernemingen hun loonbeleid moeten coördineren, en tezamen hun lonen moeten verlagen. Pas dan zal de arbeidsmarkt weer ruimen.


Evaluatie van het corporatisme volgens Teulings en Hartog

Deze blog sluit een drieluik over corporatisme af. De kern van de blogs is het boek Corporatism or competition? van Teulings en Hartog. Opvallend is de eruditie van CC. Het boek hanteert formele theorie, empirie, vraag-gesprekken en culturalisme. De zonet genoemde drie blogs putten enkel uit de meest toegankelijke passages in het boek, en geven zeker geen compleet beeld. Een eerste evaluatie van het denkkader is mogelijk aan de hand van hun afsluitende hoofdstuk 9. De auteurs wijzen de spreiding in de uurlonen tussen de bedrijfstakken aan als de meest gevoelige indicator van corporatisme (p.300). Corporatisme beteugelt de spreiding. Zie de eerdere blog. In het model van CC vermindert het corporatisme het rente zoeken, en stimuleert aldus investeringen (p.303). Echter het is niet uit te sluiten dat de spreiding van de lonen een andere oorzaak heeft dan rente zoeken (p.304).

Een voor de hand liggende alternatieve verklaring voor de spreiding in de lonen is, dat zij het gevolg is van heterogeniteit onder de ondernemingen en de werkers. Heterogeniteit veroorzaakt een rechtvaardige spreiding. Wellicht houdt de statistische analyse onvoldoende rekening met al deze heterogeniteit. Dit zou betekenen, dat de sectoren in de Angelsaksische staten onderling meer verschillen in heterogeniteit dan die in Scandinavië (p.305). Evenzo zou anciënniteit in de Angelsaksische staten kunnen leiden tot meer heterogeniteit in het specifieke menselijke kapitaal dan in Scandinavië (p.305). Wellicht kan dit worden toegeschreven aan een cultuur-verschil. Maar Teulings en Hartog vinden dit weinig geloofwaardig. Ze merken op, dat het corporatisme (zoals in Scandinavië) juist aanmoedigt om menselijk kapitaal te accumuleren tijdens de loopbaan (p.305). Dan zou anciënniteit vooral verdiende loon-verschillen veroorzaken in het corporatisme10.

Een andere alternatieve verklaring is het efficiëntie loon. Het decentrale systeem zou dan vaker een efficiëntie loon betalen dan het corporatisme. Teulings en Hartog zien hiervoor geen goede reden (p.307). Ook in het corporatisme hechten de ondernemingen aan excellente werkers. Merk op, dat de ondernemingen vrij zijn om extra te betalen bovenop het contract-loon. Men zou kunnen stellen, dat wegens de harmonie in het corporatisme er geen noodzaak is voor efficiëntie lonen. De werkers spannen zich spontaan in, zonder externe prikkel. Maar deze visie zou het efficiëntie loon feitelijk veranderen in rente zoeken (p.308)11. Aldus menen de auteurs, dat zij het rente zoeken in decentrale systemen aannemelijk hebben gemaakt. Uw blogger moet de gedachte nog laten inzinken, maar hun betoog oogt zeker wel-doordacht.

Critici van het corporatisme wijzen vaak op de relatief hoge werkloosheid in Europa, in vergelijking met Angelsaksische staten. Zelfs het dure en ingesleten Zweedse corporatisme kon vanaf de jaren negentig de werkgelegenheid niet meer op peil houden. Volgens de kritiek zou dat een onwenselijk gevolg zijn van corporatisme. Maar p.313-314 in CC schrijft de werkloosheid toe aan de ruimhartige sociale zekerheid, en niet aan het corporatisme. De koopkracht van de sociale zekerheid wordt gekoppeld aan de lonen. Dien ten gevolge beweegt het reserverings-inkomen a mee met het loon w. Een ontkoppeling zou zorgen, dat a een rem legt op de groei van w. Echter deze verklaring van de werkloosheid kan niet empirisch worden getoetst, omdat corporatisme en een ruime sociale zekerheid onderling blijken te correleren (p.313).

In conclusie: het is een enorme uitdaging en een project van vele jaren studie om alle invloeds-factoren op de arbeidsmarkt passend in rekening te brengen. Corporatism or competition? presenteert tal van fascinerende ideeën. Het is zeker denkbaar, dat corporatisme een rem plaatst op het rente zoeken van de diverse productie-factoren. Dit rente zoeken uit zich in diverse opzichten, zoals de opstelling (attitude) van de vakbeweging en de beloning van anciënniteit. Het zijn even zovele blijken van de culturele verschillen tussen Scandinavië en de Angelsaksische staten. Het is voor uw blogger niet geheel duidelijk, waar de economische effecten ophouden en de culturele effecten beginnen12. Hoewel de auteurs Corporatism or competition? verkopen als een vergelijking van systemen, zit de waarde van het boek vooral in de vele modellen en empirische analyses.


Varianten van het kapitalisme

Twee eerdere blogs hebben de theorie van het (neo-)corporatisme beschreven. De corporatisten sympathiseren met de theorie van een klassen-tegenstelling tussen de productie-factoren kapitaal en arbeid. In dit opzicht is de theorie van het corporatisme verwant met de theorie van machts-middelen, die is ontwikkeld door onder anderen Esping-Andersen. Echter na de Tweede Wereldoorlog is de idee van de klassen-strijd weinig realistisch meer. Theoretici met dit denk-kader voeren een achterhoede gevecht. Daarom is in de jaren negentig van de vorige eeuw een alternatieve theorie ontwikkeld, de zogenaamde varianten (varieties) van het kapitalisme. Uw blogger raadpleegt voor het vervolg van deze paragraaf het Handbuch Policy-Forschung (afgekort PF)13.

De varianten-theorie bestudeert de economie vanuit een institutioneel perspectief. De instituties sturen allerlei economische processen, zoals de arbeids-relaties, de financiering, de scholing, en de standaardisatie van de productie (p.176)14. Zij kunnen een voordeel bieden in de internationale wedijver. De varianten-theorie verdeelt de economische instituties in twee categorieën, te weten liberaal en coördinerend (p.174). Liberale systemen vertrouwen vooral op marktwerking. Coördinatie kan verlopen via onderlinge solidariteit, onderhandelingen of bevelen (in de hiërarchie) (p.176)15. De twee categorieën zijn ideaaltypen (p.178). Zij vormen een dichotomie, die een nuttig denkkader schept voor het vergelijken van de maatschappelijke systemen van staten16. Natuurlijk laat de realiteit altijd allerlei mengvormen toe, maar die moeten wel functioneel logisch en samenhangend zijn (p.179, 180, 184).

Een belangrijk aspect in de varianten-theorie is het menselijk kapitaal17. Liberale systemen geven de voorkeur aan algemeen menselijk kapitaal (p.630). Zij hechten vooral aan investeringen met een korte-termijn rendement. Innovatie heeft een toevallig karakter, en is daarom radicaal. Men denke aan sociale media op het internet, of aan ruimtevaart. Anderzijds zet het coördinerende systeem in op specifiek menselijk kapitaal (p.630). Investeringen zijn gericht op de lange termijn. Denk aan beroeps-kwalificaties. De nadruk op specifieke kennis vergroot de onderlinge afhankelijkheid tussen de ondernemingen en de werkers. Dit wordt institutioneel bevestigd, bijvoorbeeld in ontslag-bescherming en medezeggenschap van de werkers (p.631). De innovatie verloopt planmatig, en is daarom incrementeel.

Het liberale en coördinerende systeem hebben allebei hun eigen voordelen (p.181). Er is wel gesuggereerd, dat elke afzonderlijke maatschappelijke functionaliteit moet worden ingebed in een bijpassende structuur (p.185). Maar dat is dubieus. In de jaren negentig van de vorige eeuw werd de noodzaak van liberalisering vrij algemeen erkend (p.186). Per saldo neemt de coördinatie af. Allerlei motieven spelen een rol in de beleids-vorming, bijvoorbeeld efficiëntie, maar ook het rente zoeken (p.186). Baan-zekerheid en de sociale zekerheid blijven nodig om de grillen van de mondialisatie te dempen (p.188). Zij moedigen investeringen in menselijk kapitaal aan (p.189). Overigens is de varianten-theorie niet bedoeld als een exacte weergave van de realiteit. Men heeft wel geprobeerd om de varianten-dichotomie te gebruiken voor een ordening van staten op een continu spectrum. Maar zo een indexering geeft statistisch onstabiele resultaten (p.180).

Evaluatie

De varianten-theorie van het kapitalisme bouwt voort op bestaande inzichten. Eerder al hebben de economen Coase en Williamson in hun werken gewezen op de markt en de organisatie als twee verschillende opties voor interacties. De varianten-theorie heeft ook verwantschap met het corporatisme model van Teulings en Hartog. Feitelijk is zij een sociologische en beleids-analytische uitwerking van de formele economische modellen. De investeringen moeten worden beschermd tegen verdelings-coalities. Echter de varianten-theorie beschouwt naast de loon-vorming een heel pakket van instituties. Een nadeel van deze theorie is het hoge niveau van abstractie, al is dit minder dan bij Teulings en Hartog. Men moet ze niet gebruiken als een doctrinair dogmatisme. Zij dienen als denkkaders, maar niet als eindpunten van de toegepaste beleids-analyse18.


Liberale kritiek op het corporatisme

Walter Eucken instituut: Bündnis für Arbeit

Niet iedereen deelt het enthousiasme van Teulings en Hartog voor het corporatisme. De varianten theorie suggereert al, dat met name de liberale kritiek relevant is. In 1998 komt in Duitsland een regering onder kanselier G. Schröder aan de macht, die streeft naar de vorming van corporatieve instituties. Echter het beoogde Bündnis für Arbeit zal nooit tot stand komen, omdat de verbonden dwars liggen. Het gelijknamige boek Bündnis für Arbeit (afgekort BA) somt de bezwaren op vanuit een liberaal perspectief19. Het argument in BA is klassiek: werkloosheid moet worden bestreden door de loonhoogte te verlagen (p.12 in BA). In zekere zin wordt hier het rente zoeken omgekeerd. Als de winst daalt, dan kan de onderneming deze ontwikkeling temperen door de lonen w te reduceren. Zij zoekt als het ware rente bij de werkers. De werkers zullen dit accepteren, zolang w hoger blijft dan het alternatieve inkomen a (p.16).

Afbeelding van spotprent van Kuyper
Figuur 3: Kuyper ontmoet de geest van
   Thorbecke (1903, Braakensiek)

In het corporatisme treedt echter het insider-outsider probleem op. De vakbond negeert de belangen van de werklozen, te weten het scheppen van werk (p.17, 73). Inderdaad zijn Teulings en Hartog wel erg optimistisch, wanneer zij vertrouwen op de representativiteit en redelijkheid van vakbonden. De gevestigde werkers profiteren van de hoge lonen, maar dat gaat op kosten van de werklozen. Met andere woorden, de lonen zijn te star, zodat vraag-schokken moeten worden opgevangen via de vermindering van arbeid (p.44). De verbonden gedragen zich eenvoudig als een kartel (p.73).

Een sterk argument ten gunste van het centraal akkoord is de bescherming van investeringen door de onderneming en de werkers. Echter het akkoord vermindert ook de loon-spreiding. Volgens Corporatism or competition? (CC) komt dat door de eliminatie van rente zoeken. Maar p.70 in BA stelt, dat de nivellering van lonen leidt tot een lager rendement op investeringen, en ze daarom ontmoedigt. Het boek houdt vast aan de gedachte, dat de hoge lonen echt verdiend zijn. Zij zijn een gevolg van regionale, sectorale en individuele bijzonderheden (heterogeniteit). Dankzij de decentralisatie van akkoorden kan rekening worden gehouden met de heterogeniteit (p.75). Volgens CC maken empirische studies aannemelijk, dat in het corporatisme meer wordt geïnvesteerd. Maar investeringen kunnen allerlei vormen aannemen, en zij zijn daarom slecht meetbaar. Daarom is uw blogger nog onzeker wie hier feitelijk gelijk heeft.

Het boek Bündnis für Arbeit wijst ook op een institutioneel probleem. Namelijk, de staat vertrouwt op het centrale akkoord om loon-matiging te realiseren (p.30 en verder, 41). Maar dan zullen de verbonden misbruik maken van de situatie, en de kosten van het akkoord deels afwentelen op de staat (p.19, 43, 77). Bijvoorbeeld verplicht de staat zich tot subsidies, of regelingen voor de verkorting van de werktijd, in ruil voor het akkoord. Dit probleem komt in CC terloops ter sprake, wanneer de werkloosheid wordt toegeschreven aan de genereuze sociale zekerheid. Echter, op p.26, 33 en 43 in BA wordt betoogd, dat de sociale zekerheid een noodzakelijke concessie is om de verbonden te bewegen tot loon-matiging. De sociale zekerheid hoort bij het corporatisme, en kan daarvan niet worden gescheiden.

Aldus is Bündnis für Arbeit een warm voorstander van decentrale contracten, die rekening houden met heterogeniteit. Zwakke regio's, sectoren of werkers kunnen het loon-niveau verlagen, en daarmee toch concurrerend worden. Dat houdt de werkgelegenheid op peil (p.81). De verbonden kunnen hun kosten niet meer afwentelen op de staat, en daardoor worden de arbeids-kosten realistischer. Hieraan moet worden toegevoegd, dat BA de decentralisatie en concurrentie ziet als een oplossing voor allerlei problemen. Een centrale uitvoering leidt tot overdrachten van inkomens, die de prikkels tot presteren ondermijnen. Zo mogelijk moeten bestuurs-taken decentraal worden uitgevoerd. De decentrale eenheden moeten autonomie krijgen, en worden gecoördineerd in een los federaal verband. Dit bevordert de institutionele wedijver20.

Kennelijk is in BA het verschil tussen corporatisme en concurrentie meer dan louter het niveau van de loon-vorming. Per saldo ziet BA dit als een keuze voor een totaal pakket van instituties, en dan wordt de voorkeur toch ideologisch of cultureel. Weliswaar dragen Teulings en Hartog objectieve argumenten aan inzake de institutie van de loonvorming, maar zij laten nog vele vragen onbeantwoord.

Hayek

Het is de vraag of het liberalisme een visie op corporatisme heeft. Hayek geldt algemeen als de grondlegger van het hedendaagse liberalisme, net zoals Marx de aartsvader van het socialisme is. Deze paragraaf raadpleegt vooral The road to serfdom en zijn trilogie Law, legislation and liberty21. Volgens Hayek moet de maatschappij zich spontaan ontwikkelen, in een evolutionair proces. Hij verwerpt het constructivisme, dat wil zeggen, de doelgerichte constructie van instituties. Echter zijn denkkader heeft geen duidelijk standpunt over het corporatisme. Ogenschijnlijk is corporatisme een constructie. Maar de vakbeweging ontstaat evolutionair in de negentiende eeuw, als een moderne variant van het gilde-wezen. Inderdaad stelt de pauselijke encycliek Rerum Novarum, dat de vakbeweging een maatschappelijk orgaan is geworden22. Daarom kan het liberalisme geen bezwaar maken tegen de organisatie in een collectief23.

Vervolgens is het collectieve arbeids-contract de logische consequentie van de vorming van vakbonden. Het kartel van de arbeid is een institutie, die spontaan ontstaat, als een oplossing van het collectieve-actie probleem van loonvorming. Maar volgens Hayek treden er nu een aantal problemen op. Allereerst schept het kartel een insider-outsider probleem24. Ten tweede krijgt het kartel een ongebreidelde macht25. Het is dan weer merkwaardig, dat Hayek althans het productieve monopolie van ondernemingen toch wil tolereren26. Ten derde wijst hij op het belang van de individuele vrijheid. Strikt genomen is de centrale loonvorming geen dwang, omdat de ondernemingen en hun werkers vrijwillig meewerken. Maar Hayek verwerpt toch het centrale akkoord27.

Klaarblijkelijk wantrouwt Hayek de collectieve actie, althans op de arbeidsmarkt. Maar hij is werkelijk onverbiddelijk in zijn afwijzing van de algemeen-verbindend verklaring (afgekort AVV) van centrale akkoorden. Het probleem is hier de staats-dwang. Om dezelfde reden is hij een tegenstander van het wettelijk minimum-loon, en dergelijke. Immers, dan verdwijnt de vrijwilligheid28. Voorts verwerpt Hayek de centrale aansturing, omdat men niet alle informatie kan verzamelen, die op het micro-niveau aanwezig is. Dit is zelfs het hoofd-thema van The road to serfdom, dat een kritiek op het socialisme is. Hij is overtuigd, dat in het algemeen de marktwerking de beste resultaten biedt29. Echter de structuur van de vakbeweging is tamelijk decentraal.

De voetnoten bij deze paragraaf laten wel zien, dat Hayek feitelijk de vakbeweging als een institutie verwerpt. Trouwens, hij levert zelfs kritiek op de moderne democratie30. Echter zijn afkeer van de vakbeweging kan niet goed worden verzoend met zijn denkkader. De ideologie, die Hayek schetst voor het liberalisme, staat in beginsel het corporatisme toe, althans in de bipartiete vorm, waarbij de staat afzijdig blijft. Dit is een verrassende conclusie.

De Telders-stichting

Het is saillant, dat in Nederland de Stichting van de Arbeid is opgericht mede op initiatief van de ondernemer D.U. Stikker, die enkele jaren later ook de liberale partij VVD zou helpen oprichten. Dit suggereert, dat liberalen toch hechten aan centrale loon-vorming. De Telders-stichting van de VVD onderzoekt de liberale beginselen. Uw blogger heeft geen recente publicaties over het corporatisme kunnen vinden31. De huidige paragraaf raadpleegt de oudere publicatie De publiek-rechtelijke bedrijfs-organisatie in Nederland (afgekort PB) voor haar opvattingen over het corporatisme32. Deze publicatie behandelt vooral de ordening van de productie, maar incidenteel komt toch de loon-vorming ter sprake. Bovendien kan het commentaar op prijs-vorming ook worden betrokken op de loon-vorming.

De auteurs van PB accepteren de vrije verbonden van ondernemers en de vakbonden van de werkers. In beginsel verwerpen zij evenwel een tripartiet systeem van corporatisme, waar verordeningen centraal worden bepaald, en publiek-rechtelijk kunnen worden afgedwongen. Dit is enkel verdedigbaar in bijzondere situaties. De CAO wordt geaccepteerd, evenals de algemeen-verbindend verklaring (AVV) ervan (p.94, 106). Volgens PB is participatie van de werkers wenselijk (p.109). Het verwacht, dat medezeggenschap de samenwerking in de onderneming bevordert. Maar het beste instrument voor participatie is de ondernemings-raad, en niet de vakbond (p.111, 130).

Een probleem van het corporatisme is het waarborgen van het democratische proces. Immers, de akkoorden worden afgesloten tussen deskundigen van de diverse verbonden (p.77 en verder)33. De leden van de verbonden hebben geen directe invloed op de onderhandeling. Erger nog, de verbonden vertegenwoordigen vaak slechts een fractie van de actoren in hun eigen sector (p.18, 75). Toch legt het corporatisme het akkoord dwingend op aan allen in de sector. Dat is een kneveling van de individuele vrijheid. Voorts kan het akkoord kosten afwentelen op buitenstaanders (p.103). Daarom moet de staat de akkoorden toetsen aan het algemeen belang. Bijvoorbeeld de AVV heeft zo een toetsing (p.93, 100). Dus het zelf-bestuur is nooit volledig. Ook problematisch is de afdracht van de ondernemers-verbonden aan de vakbonden. Immers, de afdracht komt uit de loonruimte, terwijl de ongeorganiseerde werkers niet profiteren van de vakbonds-diensten34.


Het politieke systeem

De rol van het politieke systeem in het corporatisme is controversieel. In het denkkader van Teulings en Hartog is de staat enkel belangrijk voor de algemeen-verbindend verklaring van centrale akkoorden. Maar volgens de theorie van het corporatisme probeert de staat zijn invloed te vergroten door middel van concertatie. Dit was voldoende aanleiding om in een eerdere blog over corporatisme het politieke systeem nader te onderzoeken. De huidige paragraaf bouwt voort op dat betoog, en raadpleegt het boek A systems analysis of political life (afgekort PL) van de politicoloog D. Easton35. Easton presenteert een systeem theorie, net zoals Parsons. Hun uitgangspunt is het (indertijd) nieuwe inzicht in communicatie-processen als stabiliserende factor (p.367 in PL). Easton focusseert zijn studie op het politieke beleid. Net zoals Parsons benadrukt Easton het belang van stabilisatie en aanpassing in het maatschappelijke systeem (p.19 en verder).

Figuur van politieke systeem
Figuur 4: Politieke systeem: kern en grenzen,
   en lus met maatschappelijke systeem

Feitelijk is het betoog van Easton vooral een algemeen (denk-)kader of schema, in de zin van Boudon (p.7, 489 in PL). Het kader reikt de concepten aan, die de bouwstenen vormen voor partiële of bijzondere theorieën (p.12, 16, 475). De concepten zijn later gebruikt in allerlei theorieën van de beleids-agenda. Bovendien geeft Easton een algemene beschrijving van de communicatie en de activiteiten in de beleids-cyclus36. Het politieke sub-systeem is open (p.18). De invoer (input) van het systeem bestaat uit de verlangens, vragen en eisen van de burgers, alsmede uit hun politieke steun. De uitvoer of het resultaat (output) van het systeem bestaat uit de besluiten en de uitvoering van beleid. Deze uitvoer heeft een uitwerking (outcome) op de burgers (p.351). De uitwerking verandert natuurlijk weer de invoer in het systeem, zodat er sprake is van een terugkoppeling (feedback) (p.28, 345). Zie de figuur 4 37.

De kern van het politieke systeem wordt gevormd door de politieke gemeenschap, het regime, en het gezag (p.157, 171)38. Zij zijn het centrum van de maatschappelijke besluitvorming. Zij kunnen alleen overleven, zolang zij beschikken over voldoende steun. Daarom is de steun de controle variabele van de regelkring (lus)39. Het systeem meet de mate van steun door allerlei informatie te verzamelen (p.253, 365, 411). De levensvatbaarheid van het systeem wordt bepaald door zijn vermogen om voldoende steun te mobiliseren. Specifieke steun wordt verworven door het aanbieden van goederen en diensten als uitvoer. Diffuse steun wordt verkregen door de uitvoer communicatief in te kaderen (framing) (p.249, 273)40. Gewoonlijk propageert het systeem een bepaalde ideologie, die wordt versterkt met symboliek41. De ideologie is zelf een uitvoer. Maar Easton noemt haar bijkomstig (associated), omdat de allocatie van middelen in het beleid het primaire proces is42.

Volgens Easton beschikt elk politiek systeem over poortwachters of veto-spelers, die bepalen welke vragen op de beleids-agenda komen (p.66, 85 en verder). Zij bevinden zich op de systeem-grens aan de invoer zijde. Hier vindt men dus allerlei opinie-leiders, zoals de verbonden van werkers en van ondernemingen. Binnen het politieke systeem zelf wordt de invoer bewerkt, gebundeld, of aangepast (p.76). Dit is essentieel, omdat de agenda niet verstopt mag raken43. In moderne staten is er een groei van het aantal poortwachters, wegens de structurele differentiatie, die leidt tot arbeids-deling (p.91)44. Easton benadrukt de invloed van de cultuur op de beleids-agenda (p.100 en verder). Ondanks de poortwachters erkent Easton, dat de systeem-grenzen permeabel zijn. Feitelijk is de maatschappij één groot netwerk. Evenzo zijn er poortwachters binnen het politieke systeem zelf (p.119, 133). Het systeem is slechts een nuttige abstractie45.

Er zij nog eens herinnerd aan de theorie van het corporatisme, die meent dat de poortwachters feitelijk hun achterban domineren. Zij zouden een identiteit opleggen aan hun achterban. Anderzijds zijn volgens het pluralisme de poortwachters slechts de vertegenwoordigers van hun achterban. Easton blijft hier vaag over, en houdt beide mogelijkheden open46. De politieke gemeenschap kan alleen in stand blijven, zolang de groepen en hun poortwachters zich identificeren met de instituties (liberalisme, corporatisme, en dergelijke) (p.327). Zonet is al geconstateerd, dat enige integratie onmisbaar is (p.330). Easton beschrijft de identiteit in termen van percepties, inkadering en interpretatie, en put hier kennelijk uit het constructivisme (p.388, 413). Met name de uitwerking van beleid (outcome) is slecht objectief waarneembaar, zodat de evaluatie subjectief wordt. De causaliteit is nogal eens onduidelijk, mede wegens de dynamische context (p.392-393).

Nochtans ziet Easton niets in een radicaal constructivisme. Immers, de burgers doen deels objectieve ervaringen op met de uitwerking van beleid (p.396). De perceptie, inkadering of interpretatie moet voldoende dicht bij de reële ervaringen blijven om haar geloofwaardigheid te behouden47. De perceptie en de moraal hebben ook invloed op de heuristieken van het gezag (p.455). De collectieve heuristieken kunnen enigszins worden aangepast bij de eigen perceptie (p.458). Dit geeft ideologische vrijheid. Zij zijn onmisbaar wegens de complexiteit van de context. Aldus verschilt het probleem-oplossend vermogen per systeem (p.456). Een handicap van opkomende staten is, dat zij nog weinig beproefde heuristieken hebben (p.462 en verder). Afsluitend noemt Easton zijn systeem-kader abstract en niet direct toepasbaar (p.481-482). Het moet verder worden uitgewerkt met behulp van de theorie van spellen, besluitvorming en coalities (p.475).


Uit de oude doos: Robert Michels

De theorie van het corporatisme is deels verweven met elite theorieën. De rol van de elite is al in 1911 onderzocht door Robert Michels in zijn bekende boek Soziologie des Parteiwesens (afgekort SP)48. Dit boek is vooral een nogal naïeve kritiek op de moderne democratie, net zoals het werk van Hayek. Inderdaad zou Michels zich later bekeren tot het Italiaanse fascisme van Mussolini49. Trouwe lezers van de Gazet kennen intussen de kenmerken van de moderne democratie. Een blog heeft laten zien, dat politici proberen kiezers te binden door hun programma aan te passen bij de wil van de kiezers. Anderzijds toont een blog, dat politici altijd een eigen belang hebben, dat afwijkt van het algemeen belang. Ten tijde van Michels moesten deze inzichten nog groeien. Hij benadrukt als één van de eersten vooral het laatst genoemde fenomeen (p.173 in SP). Dat maakt zijn betoog eenzijdig.

Het betoog wordt verder ondermijnd door de overtuiging, dat de maatschappij bestaat uit klassen (p.163 en elders, 166, 169). Aldus moet de leiding wel verworden tot een oligarchie, dat wil zeggen, een heersende klasse. De sociale mobiliteit kan de klassen niet uitwissen (p.106, 110 en verder, 117). Er is wel mobiliteit, maar die leidt tot assimilatie in de oligarchie (p.129 en verder, 136). De oligarchie kan niet worden verwijderd. Immers, politiek is een machtsstrijd, en vereist een organisatie op basis van gezag en discipline (p.52, 125). De organisatie is een functionele arbeids-deling (p.54). Er ontstaat een bureaucratie met eigen belangen (p.65 en verder, 170)50. De bureaucratie is geneigd tot zelf-behoud, en verwaarloost de ideologie (p.95, 154). Wanneer een oligarchie ten val komt, ontstaan er vanzelf nieuwe (p.106). Michels verwerpt de fractie-discipline (p.115), maar ook het individuele beroep op het geweten (p.83).

Michels focusseert zijn analyse op de sociaal-democratie. Hij constateert, dat de opkomst van de oligarchie gepaard gaat met een integratie van de partij in de bestaande orde (p.156 en verder, 169). Michels is overtuigd van de klassenstrijd, en vindt daarom de integratie een vorm van verraad. Helaas definieert Michels nergens, wat hij feitelijk verstaat onder de democratie. Wellicht denkt hij, dat de democratie alleen kan bestaan in de aanwezigheid van een universele volkswil. Maar dan miskent hij het pluralisme. Men krijgt de indruk, dat Michels de menselijke natuur onvoldoende doorziet. Zijn actor model is fout.

  1. Zie Corporatism or competition? (1998, Cambridge University Press) van C. Teulings en J. Hartog. (terug)
  2. In Corporatism or competition? is het relatieve loon-verschil Δy/y voor nieuwe werkers en werkers met acht jaren ervaring gemeten. De gepresenteerde gegevens voor het effect van ervaring zijn uitgezet tegen de Lehmbruch index van corporatisme. Uw altijd recalcitrante blogger heeft deze gegevens omgezet naar de Calmfors-Driffill index. Een regressie van het loonverschil geeft Δy/y = 0.23 + 0.004 × index. Hier is echter de helling statistisch totaal insignificant. Met andere woorden, de hypothese dat de helling nul is, kan absoluut niet worden verworpen. De bevindingen inzake ervaring en anciënniteit suggereren, dat het corporatisme wel waarde hecht aan werk-ervaring, maar niet aan de specifieke ervaringen binnen één en dezelfde onderneming. Of, zo men wil, het corporatisme beloont bedrijfs-trouw slechts matig. (terug)
  3. Zie p.227 in Corporatism or competition?. Gumbel definieert de cumulatieve verdeling als G(c) = exp(-exp(-(c/s + γ − ln(Δt))). In deze formule is γ = 0.5772 de constante van Euler. De standaard afwijking van de verdeling is σ = s×π / √6. Uw blogger kon de Gumpel verdeling enkel vinden op p.118 en 542-543 in Introduction to the theory of statistics (1974, McGraw-Hill, Inc.) van A.M. Mood, F.A. Graybill en D.C. Boes. Hij kent de verdeling niet, en kan daarom de berekeningen in Corporatism or competition? niet zelf nadoen. (terug)
  4. Als uw blogger het goed begrijpt, dan zijn deze waardes afkomstig van de meetresultaten op p.38 in Corporatism or competition?. Hier worden de empirische resultaten getoond van een statistische analyse voor 16 OESO staten. Enkele van deze resultaten zijn afgebeeld in een eerdere blog. (terug)
  5. Op p.214 in Corporatism or competition? wordt gerapporteerd over de toetsing aan het CPS (current population survey) gegevens-bestand (1979-1988) van loonvorming in de Verenigde Staten van Amerika. Deze steekproeven zijn groot, met ruwweg N = 10.000 deelnemers. Teulings en Hartog toetsen de rente term c(t, τ) apart met een statistische analyse, en vinden β = -0.0025, λ×β = 0.0005, s = 0.061, en λ×s = 0.0003. Al deze waardes zijn significant, natuurlijk mede dankzij de hoge N waarde. Deze resultaten zijn strijdig, omdat zij zowel een positieve als een negatieve waarde van β impliceren. Nochtans menen Teulings en Hartog, dat het statistische model bruikbaar is. Ze wijten de tegenstelling aan niet-lineaire effecten, die zijn weggelaten in het model. Uw blogger kan deze vergoelijking niet beoordelen, en vertrouwt maar op de deskundigheid van de beide auteurs. (terug)
  6. Op p.222 in Corporatism or competition? wordt gewezen op een anomalie (strijdigheid). Namelijk empirisch blijkt de ontslag-frequentie λ relatief hoog te zijn in bedrijfs-takken met veel rente zoeken. Maar wegens de formule 1 verwacht men juist, dat de werkers in deze takken λ proberen te verlagen door akkoord te gaan met loon-matiging (lagere a, β, of s). Teulings en Hartog verklaren de anomalie door te veronderstellen, dat de doorstroming in takken met veel rente zoeken laag is. Aangezien slechts weinige werkers vrijwillig vertrekken, is het gedwongen ontslag de enige optie om de hoeveelheid werkers N aan te passen. Een bijkomend argument is, dat takken met veel rente zoeken worden gekenmerkt door relatief grote fluctuaties van de product-prijzen (p.222-223). Dien ten gevolge zouden de werkers moeten instemmen met grote loon-wijzigingen ten einde de productie te stabiliseren. Zo een aanpassing loont dan niet meer voor hen. Uw blogger doorziet dit argument nog niet helemaal. (terug)
  7. Om precies te zijn: volgens p.254 in Corporatism or competition? wordt een polynoom gebruikt voor de werkloosheid, te weten f(u) = u − 0.04 × u². (terug)
  8. Eigenlijk is de formule op p.246 in Corporatism or competition? wat complexer. De huidige weergave wil de redenatie simpel houden. Merk op dat ∂q/∂N daalt met een toenemende N. Dat wil zeggen, het grensproduct neemt af. (terug)
  9. Immers, ∂²π/∂w² moet negatief zijn voor een maximum. Dus ∂(p×c × ∂s/∂w − N)/∂w = p×c × ∂²s/∂w² < 0. (terug)
  10. Volgens p.77 in Corporatism or competition? kan zelf-investering van een werker bestaan uit een vergroting van vakkennis, of participatie in ondernemings-commissies, de verdieping van onderlinge relaties, of zelfs de verhuizing naar een woning dichtbij de onderneming. Volgens het model in CC zou een onderneming in het decentrale systeem een overval kunnen doen op de investering van de werker. Bijvoorbeeld kan de onderneming het loon bevriezen na de verhuizing, of na de bijscholing. (terug)
  11. Dat wil zeggen, in het decentrale systeem zouden werkers agressiever zijn, en gaan luieren bij een normaal loon. Daarom wordt de onderneming wel gedwongen om een bonus te betalen, dat wil zeggen een efficiëntie loon. Dit moet een suggestieve manier van rente zoeken zijn, want de werkers kunnen natuulijk niet openlijk dreigen om te gaan luieren. (terug)
  12. Er zij nog eens aan herinnerd, dat Parsons op p.107-108 in The social system (1964, The Free Press of Glencoe) een universeel prestatie-motief toeschrijft aan de Noord-Amerikaanse cultuur. De Duitse cultuur is universeel status-gericht (p.111). De Chinese cultuur is specifiek prestatie-gericht, en de Zuid-Amerikaanse cultuur is specifiek status-gericht (p.111). Maar het culturalisme verschuift slechts het probleem, want nu moet de cultuur worden verklaard en beoordeeld (in plaats van het systeem van loonvorming op zich). (terug)
  13. Zie de tekst Spielarten des Kapitalismus van M. Höpner op p.173-197 in Handbuch Policy-Forschung (2015, Springer Fachmedien) onder redactie van G. Wenzelburger en R. Zohlnhöfer. Op p.615-640 vult M.R. Busemeyer dit betoog aan met de implicaties van de varianten voor het onderwijs-beleid. (terug)
  14. Op p.183 in Comparative politics (1997, Cambridge University Press) onder redactie van M.I. Lichbach en A.S. Zuckerman merkt P.A. Hall op, dat vanwege de instituties de economische analyse aanmerkelijk wordt gecompliceerd, omdat het aantal onafhankelijke variabelen sterk toeneemt. Recent heeft de Gazet twee blogs gewijd aan dit soort complexe (statistische) analyses. Op p.183 wordt gewaarschuwd, dat instituties weliswaar vrij stabiel zijn, maar toch onderhevig zijn aan veranderingen. (terug)
  15. Scharpf deelt de interacties onder in unilateralisme, de onderhandeling, de stemming en het bevel. De analyse van macht in de gemeenschap (community power) onderscheidt polarisatie, cluster-vorming (poly-centrisme), onderhandelen, en het centraal overleg. (terug)
  16. De indeling in liberaal en coördinerend herinnert aan de dichotomie van Parsons op p.67 in The social system (1964, The Free Press of Glencoe). Hij onderscheidt individueel versus collectief, specifiek versus universeel, en prestatie versus status. (terug)
  17. Zie ook p.181-182 in Comparative politics. (terug)
  18. Op p.189 in Comparative politics pleit Hall er voor om het institutionalisme, het culturalisme, en de rationele-keuze leer te integreren. Feitelijk is dit aan aanbeveling voor triangulatie. Echter op p.190 constateert hij, dat de rationele-keuze leer en het culturalisme nogal verschillen, vooral methodologisch. Nochtans heeft een recente blog in de Gazet gewezen op de overeenkomsten in deze twee benaderingen. (terug)
  19. Zie Bündnis für Arbeit (1999, J.C.B. Mohr) van N. Berthold en R. Hank. Het is een uitgave van het Walter Eucken Institut, dat een liberale denktank is. Overigens wordt het instituut deels betaald door de staat. (terug)
  20. Deze argumenten vindt men vooral in hoofdstuk 5 van Bündnis für Arbeit. De auteurs besteden veel aandacht aan de positieve effecten van concurrentie. Maar zij negeren de soms aanzienlijke kosten van institutionele concurrentie, bijvoorbeeld wegens een verlies aan maatschappelijke samenhang. Bijvoorbeeld hebben de Verenigde Staten van Amerika procentueel 7 keer zoveel gevangenen als Europese staten! Ook zijn nog steeds niet alle Amerikanen (verplicht) verzekerd voor ziektekosten. Enzovoort. Daarom zoekt uw blogger naar een Derde Weg. (terug)
  21. Zie The road to serfdom (2007, The University of Chicago Press) en Law, legislation and liberty (1998, Routledge) van F.A. Hayek. Het eerste boek is vooral een kritiek op collectieve planning, en nogal onsamenhangend. Het tweede boek van 560 pagina's presenteert een gedegen analyse van de maatschappij. De tekst is zelfs wat langdradig, en kan zonder verlies aan informatie worden gehalveerd. Het bevat drie delen, te weten Rules and order, The mirage of social justice, en The political order of free people. (terug)
  22. Zie p.85-87 in Rerum Novarum en Quadragesimo Anno (1939, N.V. Urbi et orbi), vertaald door S. Stokman. Op p.41 leest men: "Gelijk in het lichaam de ledematen, alhoewel onder elkaar verschillend, toch bij elkaar passen, waaruit die juiste verhouding ontstaat, welke men terecht symmetrie noemt, zo [heeft] ook de natuur voorgeschreven, dat de twee klassen in de staat eendrachtig met elkaar samenleven en aldus het juiste evenwicht bewaren". Hayek stelt in Law, legislation and liberty, dat maatschappelijke gerechtigheid niet bestaat. Op p.230 stelt hij: "What we have to deal with in the case of social justice is simply a quasi-religious superstition". (terug)
  23. Inderdaad noemt Hayek op p.207-208 in The road to serfdom de arbeiders-beweging "a great democratic movement". En op p.307 in Law, legislation and liberty benadrukt hij: "The true liberal must (...) desire as many as possible of those particular societies within the state. (...) But he wants to deprive them of all exclusive and compulsory powers". Op p.391: "An independent sector could to a great extent (...) mitigate the gravest danger of governmental action, namely the creation of a monopoly". Op p.416 wordt gesteld: "There is as little justification for discrimination by policy against large size as such [of collectives] as there is for assisting it". En op p.418: "So long as large aggregations of material resources [zoals in een vakbond] make it possible to achieve better results in terms of (...) more desirable services than smaller organizations provide, every extension of this kind of power must be regarded as in itself beneficial". Kennelijk is Hayek geen tegenstander van centralisatie. (terug)
  24. Op p.428 in Law, legislation and liberty stelt Hayek met enig recht: "The collective interests of the organized groups (...) will always be opposed to the general interest and aim at preventing marginal individuals from adding to the supply". En op p.477: "The chief powers of the trade unions rest today entirely on their being allowed to use power to prevent other workers from doing work they would wish to do". Ook p.145 in The road to serfdom wijst op het insider-outsider probleem: "While (...) the organized labour in particular industries had usually not found it unduly difficult to come to an understanding for joint action with the employers in their particular industries, very large classes were left out in the cold". En op p.154: " There has never been a worse and more cruel exploitation of one class by another than that of the weaker or less fortunate members of a group of producers by the well-established which has been made possible by the regulation of competition". En nogmaals, op p.207: "The recent growth of monopoly is largely the result of a deliberate collaboration of organized capital and organized labour where the privileged groups of labor share in the monopoly profits at the expense of the poorest, those employed in the less-well organized industries and the unemployed". (terug)
  25. Op p.421 in Law, legislation and liberty leest men: "All labour monopoly [in vakbonden] is due to the coercive suppression of competition". Daarom verzet Hayek zich tegen corporatisme. Op p.89 in The road to serfdom stelt hij: "By destroying competition in industry after industry, this policy [of corporative organization of industry] puts the consumer at the mercy of the joint monopolist action of capitalists and workers in the best organized industries". Hij denkt dat corporatisme uitnodigt tot staats-ingrijpen (p.205): "The decisions which the manager of (...) an organized industry would constantly have to make are not decisions which any society will long leave to private individuals. A state which allows such enormous aggregations of power to grow up can not cannot afford to let this power rest entirely in private control". (terug)
  26. Op p.416 en verder in Law, legislation and liberty argumenteert hij redelijk overtuigend, dat elk kartel tenslotte toch zal worden geconfronteerd met concurrentie. Het is raar, dat Hayek dit argument niet laat gelden voor de vakbeweging. (terug)
  27. Op p.423 in Law, legislation and liberty staat de vage aanbeveling: "[It would be better] to declare invalid and legally unenforceable all agreement in restraint of trade, without any exceptions". Op p.475 voegt hij toe: "The moral duty of government [is] not only to refrain itself from any interference in the game, but also to prevent the arrogation of such powers [in determining relative incomes earned on the market] by any organized group". Maar wanneer is er feitelijk sprake van een gedwongen inperking van handelen of van een prijs-dictaat? (terug)
  28. Op p.249 in Law, legislation and liberty stelt Hayek: "The problems with which we are concerned here arise (...) when the remuneration for services rendered is determined by authority, and the impersonal mechanism of the market which guides the direction of individual efforts is thus suspended". En op p.356: "An enormous and exceedingly wasteful apparatus of para-government has grown up, consisting of trade associations, trade unions and professional organizations, designed primarily to divert as much as possible of the stream of government favour to their members". Op p.426 klaagt Hayek over "the ubiquitous associations and unions of the different trades. They operate largely through the pressure they can bring on government to regulate the market in their interest". Hayek is een voorstander van groeps-vorming. Maar hij kan niet accepteren, dat een groep natuurlijk ook in gesprek raakt met de staat. Ook wil hij niet zien, dat regulering onmisbaar is voor het goed functioneren van markten. (terug)
  29. Hier nog enkele citaten uit Law, legislation and liberty, op p.229: "Institutions [of the market] were then permitted to continue because it was found that they improve for all or most the prospects of having their needs satisfied". Maar die bevinding is er helemaal niet. Als de superioriteit van de markt zou vaststaan, dan zou deze blog niet zijn verschenen. Op p.238: "[There are] long and (...) abortive efforts to discover criteria of justice in connection with the procedures for reconciliation or arbitration in wage disputes. (...) Nobody knows in this context what justice is". Ook deze bewering is controversieel. Immers, Hayek accepteert wel het gewoonte-recht (common law), dat zich evolutionair ontwikkeld. Op p.111 in Arbeidseconomie (1992, Stenfert Kroese Uitgevers) houdt H. Jacobs vol, dat de loonvorming altijd en ook nu nog in belangrijke mate traditioneel verloopt. Er wordt enkel afgeweken, wanneer de markt-ontwikkeling de traditie onhoudbaar maakt. Dit lijkt zeer op de spontane ontwikkeling, die Hayek zelf propageert. (terug)
  30. Uw blogger is niet weg van Hayek. Zijn argumentatie is meestal aanvechtbaar. Erger nog, hij verwerpt het sluiten van compromissen en wil de democratie inperken. Zie p.377 in Law, legislation and liberty: "The idea of the omnipotence of some authority as a result of the source of its power [namelijk, legitimiteit bij het volk] is thus essentially a degeneration that (...) appeared wherever democracy had existed for any length of time". En op p.483: "The prevailing form of democracy is ultimately self-destructive, because it imposes upon governments tasks on which an agreed opinion of the majority does not and can not exist". Voorts op p.133 in The road to serfdom: "The economic freedom (...) is the prerequisite of any other freedom". Inderdaad had Hayek om economische redenen sympathie voor de militaire dictatuur van Pinochet in Chili. (terug)
  31. Uw blogger heeft Liberale verantwoordelijkheid (2014) onder redactie van M. van Hees en Eerlijk is eerlijk (2011) onder redactie van M. Wissenburg geraadpleegd. Van Hees onderscheidt in hoofdstuk 1 van Liberale verantwoordelijkheid de retrospectieve, herstellende en prospectieve verantwoordelijkheid. Hij heeft kritiek op de derde categorie, omdat liberalen collectieve verplichtingen afwijzen. Men moet pas na de daad ter verantwoording worden geroepen. In Eerlijk is eerlijk behandelt M. van de Velde de loonvorming. Helaas zegt hij weinig over centrale akkoorden, al stelt hij wel op p.60, dat ze de loon-structuur star maken. Theoretisch beroept hij zich vooral op de Oostenrijkse school van de economie, inclusief Hayek. Terzijde: dit boek doet als aanbeveling voor de concrete politiek (p.169): "Eerlijke politici moeten soms liegen in het algemeen belang, maar ook voor hen geldt één doodzonde: liegen tegen de baas, oftewel tegen het volk". Kennelijk zien de auteurs het liberalisme niet louter als ideologie in strikte zin, maar ook als een leefstijl. Wie zich wil aansluiten bij een politieke partij, moet ook daarmee rekening houden. (terug)
  32. Zie De publiek-rechtelijke bedrijfs-organisatie in Nederland (1957, Martinus Nijhoff) van A.A.Th. Boender en L.S. Godefroi. Dit is een uitgave van de Telders-stichting uit een tijd, toen zij nog het Keynesianisme omarmde. De VVD was toen anders dan nu. Men vindt hier geen verwijzingen naar de Oostenrijkse school. (terug)
  33. Volgens p.78 in De publiek-rechtelijke bedrijfs-organisatie in Nederland is het geen zeldzaamheid, dat een deskundige zitting heeft in acht verschillende sector-besturen. Dan is er natuurlijk geen sprake meer van zelf-bestuur. (terug)
  34. Om precies te zijn, De publiek-rechtelijke bedrijfs-organisatie in Nederland beschrijft dit probleem in een andere vorm. Namelijk, volgens p.84-88 halen de vrije verbonden een deel van hun contributie-inkomsten direct uit het sector-fonds van het schap. Dit sector-fonds wordt betaald door alle ondernemingen van het schap, ook degenen die niet zijn georganiseerd in een verbond. Speciaal om deze reden hebben sommige verbonden hun contributie nog extra verhoogd. (terug)
  35. Zie A systems analysis of political life (1979, The University of Chicago Press) van D. Easton. Easton behandelt in dit 500 bladzijden dikke boek de beleids-cyclus in detail. Het boek is dermate genuanceerd en volledig, dat het enigszins kleurloos wordt. Hoofd- en bijzaken zijn niet duidelijk gescheiden. Wellicht daarom is het boek nooit een klassieker geworden. (terug)
  36. Easton noemt met een vooruitziende blik het meerstromen kader een voorbeeld van een dysfunctioneel systeem. Een systeem in het meerstromen kader heeft nauwelijks enig vermogen om te leren van eerdere ervaringen, en is niet in staat om de bestaande situatie te stabiliseren. (terug)
  37. De figuur heeft een opvallende gelijkenis met de figuur van de puncterende-evenwicht theorie. De verbindingen tussen de diverse actoren lopen hier in twee richtingen, en zijn dus tevens een terug-koppeling. Zie p.373 in A systems analysis of political life. Actoren hebben indirect contact via een keten van verbindingen (p.376). Op p.379 maakt Easton de interessante opmerking, dat ook sociale welvaarts-functies (SWF) de terugkoppeling van besluiten en acties representeren. Parsons duidt de beleids-cyclus aan als een tweezijdige interactie (double interchange). (terug)
  38. Op p.119 en 374 in A systems analysis of political life wordt de kern van het politieke systeem voorgesteld door de politieke partijen, de organisaties van belangen-groepen, en de media. Zij formuleren de beleids-agenda. De belangen-groepen zelf bevinden zich op de systeem-grens aan de invoer zijde. Het parlement en het bestuur bevinden zich op de systeem-grens aan de uitvoer zijde. De gemeenschap, het regime, en het gezag vormen diverse abstracte lagen (p.231). Namelijk, de gemeenschap bestaat uit de leidende maatschappelijke groepen. Het regime is de maatschappelijke structuur (ordening), zoals corporatisme. Het gezag wordt belichaamd door de regering. Zie de hoofdstukken 11, 12 en 13. (terug)
  39. Op p.222 in A systems analysis of political life wordt opgemerkt, dat de maatschappelijke steun voor het gezag nauwelijks meetbaar is. Maar op p.365 en verder, en p.412 wordt toch geconstateerd, dat metingen onmisbaar zijn. Informatie voorkomt, dat het gezag totaal onwetend is over de vraag vanuit de maatschappij. (terug)
  40. Op p.65-66 in The social system introduceert Parsons de dichotomie van precies (specific) versus vaag (diffuse) als een patroon variabele. (terug)
  41. Met andere woorden, hier wijst Easton op het belang van het L-systeem (moraal) en het I-systeem (integratie) in het AGIL schema van Parsons. Hoofdstuk 17 in A systems analysis of political life is helemaal gewijd aan manieren om vertrouwen op te bouwen. De burgers moeten zich kunnen identificeren met de moraal en de cultuur van het gezag (p.273, 277). Men zie ook de oude blog over het handhaven van normen. Hoofdstuk 19 beschrijft de noodzaak van de moraal of cultuur als een bron van zingeving. De symboliek wordt behandeld in hoofdstuk 22. (terug)
  42. Easton wil een algemeen kader presenteren van het politieke systeem, dat toepasbaar is op elke soort maatschappij. Volgens p.195 en 289 in A systems analysis of political life is een ideologie onmisbaar, wanneer men keuzes wil maken en doelen wil stellen. Om deze reden maakt de institutionele analyse van Ostrom een onderscheid tussen drie lagen: de uitvoering, de bestuurs-regels, en de constitutie. Maar wegens de nadruk op de allocatie van middelen is het kader van Easton nogal materialistisch. De waarde rationaliteit is relatief zwak. Daardoor ligt de toepassing van het kader minder voor de hand in staten met een theocratie of een ideologische doctrine, zoals het Leninisme. (terug)
  43. Kennelijk is het barrière model van de beleids-agenda afgeleid van het denkkader van Easton. Maar ook de puncterende-evenwicht theorie (PET) gebruikt het concept van de poortwachters. Op p.437 in A systems analysis of political life stelt Easton, dat de poortwachters en het gezag moeten beschikken over een zekere empathie. Op p.30 in Miteinander reden 1+2 (1989, Rowohlt Taschenbuch Verlag GmbH) stelt F. Schulz von Thun, dat communicatie begint met een zender, die zich openbaart. Zijn bericht of signaal is inhoudelijk, maar ook relationeel. Vervolgens moet de ontvanger de vraag van de zender interpreteren. (terug)
  44. Een eerdere blog heeft laten zien, dat Olson de poortwachters ziet als een bedreiging voor de welvaart, omdat zij specifieke belangen behartigen, en niet het algemeen belang. Easton stelt eveneens op p.257: "When each party restricts its appeal to only a limited class of members, cleavage is reinforced". Hij pleit voor de vorming van coalities, omdat die de tegenstellingen verminderen. In abstracte zin is de grondwet zo een coalitie (p.263). (terug)
  45. Volgens p.133 in A systems analysis of political life kan een actor diverse posities (rollen, functies) innemen. Aldus kan de actor zich zowel op de systeem-grens bevinden, als in het centrum van het systeem. Natuurlijk verzwakt deze aanname het systeem-concept enigszins. De systeem-theorie van Parsons lijdt aan hetzelfde euvel van ongrijpbaarheid. (terug)
  46. Op p.136 in A systems analysis of political life erkent hij, dat de poortwachters de vraag zodanig omvormen, dat de kans op een gunstig politiek besluit toeneemt. Op p.145 stelt hij: "In practice, in democratic systems there are numerous issues that take shape and are acted upon by only a select few". En op p.296-297: "The advancement and promotion of ideological positions (...) is a function of the skills of the elite, in whose hands the initiative lies, in utilizing the beliefs. (...) A membership will be open to the persuasion of a number of alternative ideological positions". Echter, dit kan een louter pragmatische handeling zijn, en is daarom niet per se elitair. Zie voorts p.198 en 205 over de dominante moraal. En op p.208: "The major source of power (...) resides in the conviction of their legitimacy". Op p.398 stelt Easton het leiderschap van de poortwachter voor als een kwestie van vertrouwen: "The member must now react to a stimulus as he perceives it to be perceived by a trusted leader or reference group". (terug)
  47. Op p.396 in A systems analysis of political life wordt verwezen naar het Leninistische perspectief, dat tenslotte elke steun binnen de bevolking verloor. Zelfs de totale politieke beheersing van het onderwijs en de massa media kan een leugen niet acceptabel maken. (terug)
  48. Voor deze paragraaf is Democratie en organisatie (1969, Universitaire Pers Rotterdam) geraadpleegd. Dit is een gecomprimeerde vertaling van het boek van Michels door P.A. de Ruiter. De indertijd bekende socioloog J.A.A. van Doorn schrijft het voorwoord. (terug)
  49. Michels argumenteert in Democratie en organisatie nog niet als een overtuigde fascist. Maar te vaak doet hij al uitspraken, die de democratie afwijzen. Op p.45: "De democratie als beweging zowel als denkwijze [staat] vandaag in het teken van een crisis". Op p.75: "Het begin van de vorming van een professioneel leiderschap betekent het begin van het einde van de democratie". Op p.172: "Leiderschap [is] in zijn ontwikkeling niet met de essentiële vooronderstellingen van de democratie in overeenstemming". En op p.173: "De idee van de vertegenwoordigbaarheid van de volksbelangen (...) is een waanidee". En p.175: "Reeds de individuele mens is in doorsnee van nature in vele zaken op leiding aangewezen". En p.176: "[Het is waarschijnlijk] dat in pessimistische zin [nee dus EB] de historische vraag zal worden opgelost, of en in hoeverre de democratie een ideaal is". Op p.32 schrijft Van Doorn: "Het zou onjuist zijn en unfair om Michels' kritiek der democratie verdacht te maken op grond van zijn politieke koerswisselingen en uiteindelijke keuze. (...) We zijn hem meer verschuldigd dan de velen die met goedwillende maar naïeve manifesten en apologieën de democratie menen te kunnen versterken". Uw blogger meent dat Michels wel degelijk een ideologisch dwaallicht is, en dat dit leidt tot teksten met een matige kwaliteit. Strikt genomen kan men zich beter verdiepen in het filosofische denken van Erasmus, Spinoza, Hobbes, Locke, Hume, Kant en dergelijke. Maar ja, men begint waar men zit. En dat is bij Proudhon, Marx, Wagner, Troelstra, De Wolff, Den Uyl, en dus ook Michels. Het herinnert aan het verhaal "A christmas carol" van Dickens. De geest van de overleden, ooit meedogenloze, Marley verschijnt aan Scrooge, en beschrijft de enorme ijzeren ketting, die hij als straf moet meeslepen na zijn dood, ongeveer zo: "Woe is me! (...) It is a ponderous chain (...) forged in life with my own hands, day after day". (terug)
  50. Michels is nog ontzet over vele aspecten, die tegenwoordig gelden als normaal. Op p.58 in Democratie en organisatie klaagt hij, dat leden-vergaderingen slecht worden bezocht. De apathie leidt tot de vorming van lagen: kiezers - partijleden - vrijwilligers - vrijgestelden - bestuurders (p.60). In de tweede helft van de twintigste eeuw is dit fenomeen onderzocht als een vorm van zwart rijden. Activisme is een publiek goed. Op p.79 klaagt Michels, dat de partij-leiders meer belang hechten aan de kiezers dan aan de leden. Kennelijk valt het dialectisch denken hem zwaar. (terug)