Triangulatie

Plaatsing in Heterodoxe Gazet Sam de Wolff: 14 februari 2021

E.A. Bakkum is blogger voor het Sociaal Consultatiekantoor. Hij denkt graag na over de arbeiders beweging.

Een theorie komt zelden helemaal overeen met de realiteit. Het kan lonen om diverse theorieën naast elkaar te gebruiken. Dit heet triangulatie. Zij wordt onder andere gebruikt in de proces analyse en in het actor-institutie kader. Een voorloper is de systeem-theorie van Parsons. De statistische analyse is geschikt voor het doen van voorspellingen. Enkele voorbeelden laten zien, dat het lastig is om een deugdelijk statistisch model te vinden. Tenslotte worden de hedendaagse ideeën over triangulatie vergeleken met die van Schmoller en Wagner.

Categorieën van modellen en methoden

In eerdere blogs zijn vier categorieën van beleidsmodellen onderscheiden: (I) historische beschrijvingen, (II) universele formuleringen, (III) statistische relaties, en (IV) actor-institutie arena's. De historische aanpak (I) is geschikt om een enkele casus diepgaand te bestuderen. De statistische aanpak (III) wordt toegepast op grote numerieke bestanden van gegevens. De aanpakken (II) en (IV) hebben de voorkeur bij vergelijkende onderzoeken (comparative analysis), waarin gebruik maken van een handvol casussen (de zogenaamde kleine-N studies). De huidige blog wil nagaan wat de voor- en nadelen van elke categorie van beleidsmodellen zijn.

De historische aanpak (I) ziet de onderzochte casus als een unieke situatie, die zo nauwkeurig mogelijk wordt beschreven en geïnterpreteerd. Dit is een inductieve methode, die een breed overzicht geeft van alle meespelende factoren. Maar de analyse is onbruikbaar in afwijkende situaties. Zij wordt ideografisch genoemd. Anderzijds ontwikkelt de universele formulering (II) algemene wetmatigheden van beleid. Dit is een deductieve methode, die de realiteit vertaalt naar een abstractie. Zij beschouwt slechts een kleine verzameling van variabelen, die essentieel worden geacht voor het beleid. Daarmee verdwijnen veel verschillen uit beeld en wordt de analyse toepasbaar in allerlei situaties (nomothetisch). De zwakte van de universele aanpak is natuurlijk, dat zij meestal ook enkele variabelen negeert, die bij nader inzien toch essentieel blijken te zijn voor de ontwikkelingen. Immers, het belang van variabelen verschilt per situatie.

Triangulatie

Gewoonlijk hanteert een categorie van beleidsmodellen een bepaald perspectief. Dit geldt eveneens voor analytische methoden en voor het verzamelen van gegevens. Triangulatie wil zeggen, dat de analist een combinatie van modellen, methoden of gegevens-bestanden gebruikt voor zijn studie1. Men spreekt ook wel van de menging van modellen of methoden (mixed methods of mixed models). Men hoopt hierdoor de conclusies van de studie robuuster te maken. De verschillende methoden compenseren elkaars zwakten. Er is synergie. Meestal is triangulatie een iteratieve aanpak, waarbij regelmatig wordt teruggekoppeld naar eerdere stappen in de analyse. Een probleem is dat de verschillende gehanteerde methoden onderling conceptueel strijdig kunnen zijn2.

Reikwijdte

Er bestaan weinig theorieën met een algemene reikwijdte. De meeste van hen vindt men in de filosofie, die immers moet gelden voor alle mensen op alle plaatsen en alle tijden. Bijvoorbeeld heeft het historisch materialisme van Marx de pretentie van algemene geldigheid. Dat geldt eveneens voor de algemene relativiteits-theorie van Einstein. Maar de modellen in de categorie II zijn niet per se algemeen geldig. Denk bijvoorbeeld aan de universele formulering van een theorie van de arbeidsmarkt. De figuur 1 laat zien, dat de arbeidsmarkt slechts een klein deel van de wereld uitmaakt. De socioloog Merton spreekt in zo een geval van een theorie met een gemiddelde reikwijdte (middle range)3. De reikwijdte van de historische aanpak (I) is zelfs beperkt tot de bestudeerde casus. De reikwijdte van actor-institutie modellen (IV) is eveneens beperkt, omdat hier de context van de actie situatie altijd meespeelt.

Tegenwoordig wordt gewoonlijk verondersteld, dat er geen theorie met algemene reikwijdte bestaat voor de beleids-analyse4. De context perkt altijd de algemene geldigheid in. In formule: de uitkomst van de situatie is y = f(x(c), c), waarbij c de context is, en x(c) de "onafhankelijke" variabelen zijn. Vaak probeert men om een model op te bouwen uit lagen van theorieën met een gemiddelde reikwijdte. Dan beschrijft elke theorie een onderdeel van de actor-institutie arena. Dit wordt een partiële theorie genoemd5. Het totale model is dan deels nomothetisch, en deels ideografisch6. Zie ook de verderop vermelde aanpak van de analytische verhalen. Er is wel voorgesteld om de sociologie op te vatten als een verzameling van partiële theorieën7.


De proces analyse

Modellen in het actor-institutie kader (IV) focusseren vaak op het proces, dat de uitkomst voortbrengt. Men spreekt van een proces analyse of proces speurwerk (process tracing)8. Het doel is om de causaliteit tussen de start-situatie en de uitkomst te ontdekken. Dit wordt soms een causale reconstructie genoemd, en het proces heet wel een mechanisme9. De proces analyse is gewoonlijk een triangulatie. Er wordt dan rekening gehouden met de structuur en cultuur10. Als de analyse gebruik maakt van de rationele keuzeleer (afgekort RCT), dan duidt men dit aan als analytische verhalen (narratives)11. De RCT krijgt hier vaak de vorm van speltheorie. De RCT past niet zo goed in dynamische situaties. Daarom wordt de analyse aangevuld met inductie (dat wil zeggen, beschrijvingen). Het doel van de proces analyse is dus om het meest aannemelijke causale mechanisme te vinden. Dit vereist een zorgvuldige selectie van de onderzochte casussen12.

De zonet beschreven aanpak van proces-analyse is fundamenteel wetenschappelijk. Echter, wanneer de analist eenmaal de diverse causale mechanismen in een beleidsveld kent, kan hij die kennis vervolgens practisch toepassen. Hij kan beleid evalueren, of nieuw beleid ontwerpen13. De proces-analyse wordt dan een fase in het beleids-ontwerp14. Het ontwerp begint met een analyse van de probleem-situatie. Daarbij worden de causale mechanismen opgespoord. Vervolgens vereist de beleids-formulering, dat het beleidsdoel wordt gekozen. De beschikbare instrumenten worden geïnventariseerd. Het ontwerp wordt afgesloten met een plan voor de uitvoering van het beleid. Aldus krijgt het ontwerp een causale, doel- en waarde-rationaliteit. De waarde-rationaliteit moet garanderen, dat het beleid legitiem wordt gevonden. Het ontwerpen van beleid is een machtsstrijd, omdat de causaliteiten meestal onzeker zijn15.

De analyse van het beleids-proces

De proces analyse richt zich op de inhoud van beleid. Merkwaardiger wijze kan men ook het proces van de beleids-formulering zelf analyseren. De Gazet heeft veel aandacht besteed aan twee van zulke analysen, te weten het advocaten-coalitie kader (afgekort ACK) van Sabatier, en de puncterende evenwicht theorie (afgekort PET) van Baumgartner16. De modellen beschrijven allebei de politiek en een verzameling van beleids-velden. Zij beschouwen de situatie, waarin een sub-systeem van beleid niet meer goed functioneert. Kennelijk schieten de rationele acties in het interne beleids-proces tekort17. Dan moet de beleids-cultuur (moraal) wijzigen. Dit is een rationele ingreep, die van buiten moet komen, van het politieke sub-systeem. De PET wijst de beleids-agenda aan als de causale schakel tussen de politiek en het beleidsveld. Het ACK en de PET laten zien, dat juist bij een beleids-crisis of -impasse een cultuur-schok nodig wordt.


Het actor-institutie kader

De aanpak van de actie-institutie arena's (IV) combineert de inductieve en deductieve methoden, en is dus een compromis. Zij is vooral uitgewerkt door het echtpaar Ostrom, in een theoretisch kader, dat zij de institutionele analyse en ontwikkeling (afgekort IAO) hebben genoemd. In Duitsland hebben Mayntz en Scharpf vrijwel hetzelfde kader bedacht, en dat het actor-gerichte institutionalisme (afgekort AGI) genoemd. De tabel 1 vergelijkt de factoren, die bepalend zijn voor de beide kaders. Het beleid ontwikkelt zich in een actie situatie, ook wel constellatie genoemd. Hier speelt zich de wisselwerking tussen de betrokken actoren af. Zij hebben een vrijheid van handelen, overeenkomstig hun voorkeuren. Maar het handelen gebeurt in een context18. Het hoeft geen uitleg, dat de fysieke omgeving van de actoren een beperking oplegt aan hun mogelijke strategieën van gedrag. Overigens kunnen de actoren hun fysieke omgeving enigszins aanpassen, zeker op de lange termijn.

Tabel 1: actor-institutie kaders
actor-gericht
institutionalisme
institutionele analyse
en ontwikkeling
institutiescultuur
regels
fysieke omgeving
constellatieactie situatie
Figuur van actor-institutie factoren
Figuur 1: Actor-institutie factoren

Echter het is bekend uit de sociologie, dat een individuele actor nooit volledig autonoom is. Hij is ingebed in de maatschappij, omdat hij deel uitmaakt van allerlei groepen. Groepen hebben een eigen gedeelde mentale model. Sociologen spreken liever van instituties, en filosofen van de collectieve moraal19. Het begrip institutie is nogal breed, en omvat ruwweg alle maatschappelijke regels en conventies. Soms wordt nog een onderscheid gemaakt tussen formele en informele instituties. Het echtpaar Ostrom kiest voor een andere splitsing van de instituties, te weten in de cultuur en de operationele regels. De term cultuur is vooral gangbaar in de antropologie. Het eigen taalgebruik van elke discipline is op zich een treffende illustratie van institutioneel gedrag. Het schept helaas verwarring bij inter-disciplinair onderzoek op de raakvlakken.

Instituties worden gehandhaafd door groeps-druk, en eventueel door de staat. De moraal geeft aan welk gedrag goed is, of juist slecht. Daarom beperken de instituties het gedrag van de individuele actor in zijn actie situatie. Omgekeerd kan de actor de instituties veranderen, maar alleen door een grote inspanning, en pas na een langdurige campagne. Kennelijk moet de beleids-analist rekening houden met deze vier factoren: situatie, omgeving, regels en cultuur. Bijvoorbeeld zou de casus kunnen bestaan uit de arbeidsmarkt (regels) in de chemische industrie (situatie). De fabrieken zijn in Rotterdam (fysiek) in Nederland (cultuur). Aldus wordt de mogelijke ontwikkeling zeer ingeperkt. De figuur 1 beeldt dit af als de doorsnede van vier verzamelingen. Het bruine gebied vormt de verzameling van mogelijke ontwikkelingen in de casus. Dit gebied kan worden uitgebreid door casussen toe te voegen, bijvoorbeeld met de Rotterdamse metaal-industrie.

De actie situatie

De voorstelling van het actor-institutie kader in de tabel 1 impliceert, dat de individuele actor een vrij wezen is, dat zijn eigen belang behartigt. Hij is een homo economicus, die rationeel handelt in de actie situatie. De inperkingen van zijn vrijheid zijn extern, door collectieve factoren, zoals de omgeving, de regels, en de cultuur. Dit mensbeeld is duidelijk een abstractie. In de realiteit neemt een actor zijn voorkeuren en belangen deels vrijwillig over van zijn groepen. Hij verinnerlijkt de collectieve moraal. Dan wordt de cultuur een deel van de persoonlijke identiteit. Het modernisme hecht aan individualisme, zodat de cultuur niet zeer dwingend wordt. Anderzijds worden in een traditionele maatschappij de mensen grotendeels geleefd door hun cultuur. Zij voldoen aan het actor model van de homo sociologicus20.

Het belangrijkste kenmerk van de actor in de IAO is zijn positie. De maatschappelijke psychologie spreekt liever over de rol van de actor. Kennelijk bouwt de IAO voort op de psychologische verschijnselen in groepen. De rol baseert op maatschappelijke verwachtingen, en is daarom niet louter persoonlijk. De rol zorgt voor ordening, en maakt arbeids-deling mogelijk21. Het ligt voor de hand om de rol te koppelen aan een functie. Voorts sluit het concept van de positie of rol goed aan bij speltheoretische modellen.

De fysieke omgeving

De fysieke omgeving is deels natuurlijk, bijvoorbeeld rivieren of bergen. Een ander deel is kunstmatig, bijvoorbeeld via ruimtelijk beleid, waarmee de politiek vorm geeft aan de ordening van de bebouwde kom en het buiten-gebied. Dit is een ideëel (cultureel) proces. De materiële omgeving kan ook min of meer onbewust worden gevormd, bijvoorbeeld tijdens de industriële revolutie, die leidde tot urbanisatie (verstedelijking). De vervuiling van het milieu is eveneens een onbedoeld effect.

Operationele regels

Het echtpaar Ostrom plaatst de operationele regels centraal in het IAO kader. Het gaat om concrete regels, die de rechten en plichten van de actoren bepalen. De regels zijn duidelijk waarneembaar zijn voor de analist. Zij worden vastgesteld in collectieve besluiten van de betreffende groep. Zij zijn niet per se rationeel, want de besluiten worden gestuurd door de groeps-moraal. De regels scheppen een collectieve structuur, zoals een hiërarchie of een netwerk22. De IAO werkt dit verder uit in de regels van positie en van aggregatie. Het AGI stelt de structuur voor via een taxonomie van collectieve actoren, zoals de beweging of de club.

Er zijn regels op allerlei niveau's. De grondwet of het gewoonte-recht bepaalt de maatschappelijke structuur. De politiek bepaalt de bestuurlijke regels. Het actor-institutie kader neigt naar het methodologisch individualisme, waarin de actoren hun eigen regels bedenken. Maar het structuralisme, ook een stroming in de beleids-kunde, neemt aan dat de structuur ontstaat door macro-processen. Een voorbeeld van structuralisme is het (neo-)marxisme, dat fundeert op de klassenstrijd23. De theorie van het neo-corporatisme wordt ook wel tot het structuralisme gerekend24. En het culturalisme meent dat regels ontstaan uit de cultuur. Met andere woorden, de cultuur vormt ook de structuur. Het structuralisme en het culturalisme zien de vorming van regels allebei als een determinisme. Dat overtuigt uw blogger niet. Maar duidelijk is wel, dat het effect van een regel in de actie situatie inderdaad zal afhangen van de structuur en cultuur25.

De cultuur

De IAO neemt de cultuur apart op in het kader, in tegenstelling tot de AGI26. Dit is begrijpelijk, omdat het concept van cultuur veel aandacht krijgt in de antropologie, en ook wel in de sociologie en de beleidskunde. De cultuur bevat gewoonlijk allerlei elementen met een begrensde rationaliteit. Denk aan de religieuze cultuur, die de crematie van doden verbiedt, of het eten van varkensvlees. De cultuur schrijft dus allerlei motieven van menselijk handelen voor, die richting geven aan het leven. Volgens het culturele perspectief wordt besluitvorming gestuurd door de cultuur, veel meer dan door individuele actoren27. Het concept van cultuur is nogal deterministisch, omdat het veronderstelt, dat elk groepslid de cultuur heeft verinnerlijkt. Dat is natuurlijk niet zo. Het ligt voor de hand, dat de operationele regels worden beïnvloed door de cultuur. Maar de invloed neemt af, naarmate de maatschappij meer heterogeen (pluralistisch) is28.

Het AGI besteedt wel enige aandacht aan de houding of omgangsvorm (oriëntatie) in de cultuur. Een cultuur kan solidair zijn, gericht op wedijver, enzovoort. Maar helaas is het zeer lastig om alle cultuur-elementen te vatten in een model29. Het culturalisme legt zich vooral toe op interpretaties van de situatie. Eigenlijk is zij enkel toegankelijk voor de historische aanpak (I)30. De inhoud van de cultuur wordt vooral bestudeerd door de antropologie. De overdracht van cultuur (socialisatie) wordt onderzocht door de maatschappelijke psychologie. Zoals gezegd, de cultuur bepaalt de collectieve en de individuele identiteit31. Echter, een groep is altijd enigszins heterogeen. Dit maakt het concept van cultuur nogal ongrijpbaar, of een stereotype. Daarom is het vergelijken van groepen met verschillende culturen een speculatieve aangelegenheid. Het is daarom logisch, dat vergelijkende analysen zich liever beperken tot casussen met een verwante cultuur32.

Van oudsher gebruiken de blogs in de Gazet liever de term moraal dan cultuur. Maar de discussie van de systeem-theorie moest wel focusseren op de cultuur, in navolging van haar grondleggers Parsons en Luhmann. Deze twee denkers zien de cultuur als de bron van de regels en van de actie situatie. Overigens koppelt de actie situatie toch terug naar de cultuur (double interchange). Dit geeft enige dynamiek aan het (sub-)systeem. Bij Luhmann verloopt de culturele ontwikkeling grotendeels binnen het sub-systeem zelf. Er is een welhaast autistische afschotting van de buitenwereld. Dit impliceert, dat de rationaliteit van de actoren zeer begrensd zou zijn.


Kritiek op de proces analyse

De proces analyse zoekt naar de rationele oorzaken achter de resultaten (output, outcome) van beleid. Maar in de late jaren zestig van de vorige eeuw waren de ervaringen met de rationele aanpak teleurstellend. De centrale planning voldeed niet. En de uitvoering van beleid verzandde vaak in een machts-strijd. In deze tijd leveren Crozier en Friedberg in L'acteur et le système kritiek op de proces analyse. Dit essay is behandeld in een eerdere blog. Beleid wordt in hun visie helemaal bepaald door een machts-strijd tussen maatschappelijke actoren33. De strijd is dynamisch, en daarom is de uitkomst ongewis. En er bestaat geen algemeen belang, maar enkel de belangen van groepen. De oorzaken van beleid zijn dan verborgen in een onoverzichtelijke (chaotische) vorming van compromissen. Trouwens, de oorzaken zijn weinig relevant, omdat de groepen geen consensus hebben over de doelen van het beleid.

Het betoog van Crozier en Friedberg is wel erg pessimistisch. Het beleid wordt gedomineerd door verdelings-coalities. Men vraagt zich zelfs af, waarom de burger belasting zou betalen voor zulk beleid. Waar blijft de legitimiteit? Een gerelateerd probleem is de koppeling van het resultaat (uitkomst, output) van de uitvoering van beleid, aan de uitwerking (effect, outcome) van dat resultaat34. Het resultaat van beleid kan worden gemeten via de proces-indicatoren. Maar soms zal de maatschappij anders reageren op het resultaat dan de beleids-makers hadden verwacht. En alleen de uitwerking telt voor de beleids-prestatie. Daarom moet de analist zowel de oorzaken van de resultaten als van de uitwerking onderzoeken. Dit maakt de analyse complex.

Kortom, de moderne beleidskunde maakt zich ernstig zorgen over de onvoorspelbaarheid van de uitwerking van beleid. Dat betreft zowel het gebrek aan macht bij de uitvoerder, als de onbedoelde gevolgen van beleid. Dit laatste is door Merton aangeduid als de latente functie(s) van het systeem35. Vergelijk het concept van de negatieve externe effecten. Zij kunnen het gevolg zijn van bewuste afwenteling of van onwetendheid. De macht wordt bepaald door de beschikbare middelen. Onbedoelde gevolgen ontstaan uit gebrek aan inzicht of informatie. Kritici van de proces analyse menen, dat deze problemen onoverkomelijk zijn. Dit herinnert aan de nogal tendentieuze kritiek van Hayek, dat beleid gewoonlijk de problemen verergert, en niet verbetert. Deze kritiek is niet houdbaar. Maar het is wel juist, dat analyses complex zijn en vatbaar voor fouten. Passief blijven is een serieuze beleids-optie36.


Nogmaals: de systeem-theorie van Parsons

De institutionele analyse en ontwikkeling gebruikt de speltheorie als haar fundament. Een halve eeuw eerder ontwikkelde de socioloog T. Parsons een systeem-theorie, die eveneens het actor-institutie kader gebruikt. Het startpunt bestaat uit de acties op het micro niveau, net zoals in de IAO. Maar het fundament van zijn theorie is de groeps-psychologie. Indertijd domineerde het denken van Parsons de Amerikaanse sociologie. Men zag er een theorie van algemene reikwijdte in. Dit is voldoende aanleiding om de systeem-theorie nogmaals te onderzoeken. Met name is het boek The social system (afgekort SS) geraadpleegd37. Het betoog van Parsons is complex en abstract. Uw blogger heeft niet de pretentie de materie al helemaal te doorzien. Hier zal enkel de grote lijn worden geschetst.

De maatschappij moet structureel en functioneel duurzaam zijn (p.19 in SS). Daarom wordt de theorie van Parsons wel het structureel functionalisme genoemd38. De structuur van het systeem wordt gevormd door de actoren, het actie systeem, en de cultuur (p.27, 537, 545)39. Cultuur verwijst hier naar de ideologie en symbolen, en dus naar instituties (p.34, 137). De actoren hebben er gewoonlijk baat bij om te conformeren aan de instituties. De moraal schept verwachtingen, en die definiëren de rollen (p.39, 74). Volgens Parsons wordt het systeem dus uiteindelijk bepaald door zijn cultuur. De dynamiek in het systeem wordt veroorzaakt door de toenemende functionele differentiatie (p.21, 114, 182). Een voorbeeld is de arbeids-deling (p.70, 100, 184). De differentiatie is verantwoordelijk voor de veelheid aan rollen (p.25, 46, 69). Ook de rollen en maatschappelijke regels worden gerekend tot de instituties. In dit opzicht bouwt de IAO voort op de theorie van Parsons.

Actoren worden gesocialiseerd in hun jeugd (p.207 en verder)40. Ook daarna integreren zij in het systeem via hun rol (p.46). Parsons meent, dat rollen worden bepaald door 5 variabelen (p.67). Hij definieert de variabelen door hun twee extreme "waarden" weer te geven (dichotomie): (a) intiem - zakelijk, (b) privaat - collectief, (c) specifiek - universeel, (d) status - prestatie, en (e) precies - vaag41. Zij definiëren de actie situatie, net zoals de posities, strategieën en actie oriëntaties van de IAO. Bijvoorbeeld is de Amerikaanse maatschappij universeel en prestatie-gericht42. De maatschappij differentieert in sub-systemen (p.133). De rollen zijn gekoppeld aan functies in het systeem (p.115). Functies zoals integratie en loyaliteit garanderen de duurzaamheid van het systeem. Parsons neemt zelfs aan, dat een sub-systeem een modaal persoonlijkheids-type (actor model) heeft (p.231).

De sociale controle moet zorgen voor integratie van de actoren en voor conformerend gedrag. Maar wegens de differentiatie kunnen actoren vervreemd raken van de cultuur in hun sub-systeem (p.254). Dat tast de wederkerigheid aan (p.265). Er ontstaan spanningen. Denk bijvoorbeeld aan rol-conflicten (p.282). Afwijkend gedrag wordt ontmoedigd via positieve en negatieve sancties (p.272, 299). Parsons hanteert hier weer begrippen uit de groeps-psychologie. Enigszins problematisch is, dat hij afwijkend gedrag vooral negatief vindt. Hij illustreert de afwijkingen met voorbeelden zoals criminaliteit en psychische storingen (p.310 en verder)43.

De systeem-theorie van Parsons kan ook de maatschappelijke dynamiek beschrijven. Men zou denken, dat verandering ontstaat dankzij afwijkend gedrag. Maar dat is niet zo. Volgens Parsons moet het systeem zich evenwichtig ontwikkelen (p.496, 520). De cultuur verandert cumulatief (p.498). De innovatie moet komen van de fundamentele en toegepaste wetenschap, en is daarom geïnstitutionaliseerd (p.491, 505). Er is pad-afhankelijkheid (p.494). Afwijkingen op een grote schaal kunnen de evenwichtige ontwikkeling verstoren, en ontreddering veroorzaken. Zulke afwijkingen nemen de vorm aan van een reactionaire staatsgreep of een utopische revolutie (p.520)44. Dat wil zeggen, Parsons vindt afwijkingen ook op het macro (collectieve) niveau negatief. Hij meent dat een stabiele maatschappij uiterst homogeen moet zijn, althans gemeten naar de hedendaagse standaard. Pluralisme wordt gezien als een bedreiging.

Aan het einde van de jaren zestig raakte de theorie van Parsons in onbruik. Daarvoor zijn twee redenen. Ten eerste is haar reikwijdte algemeen, en dat maakt haar complex. Het loont de moeite niet om een algemene theorie toe te passen op een specifiek geval. Gewoonlijk volstaat een theorie met een gemiddelde reikwijdte. Ten tweede is zij gericht op stabiliteit en integratie. Het systeem is slecht bestand tegen afwijkingen. Maar de jaren zestig en zeventig waren juist chaotisch en roerig. De toenmalige realiteit paste slecht in het structurele functionalisme. Des ondanks had Parsons toch gelijk, want in terugblik waren de jaren zestig en zeventig uitzonderlijk in hun instabiliteit. Nog een bezwaar kan zijn, dat de theorie van Parsons wellicht toch weinig bruikbare resultaten opleverde.


Casus: Modellering van het tekort op de Nederlandse begroting

In het voorgaande zijn vooral modellen van de actor-institutie categorie (IV) onderzocht. Des al niettemin zijn de andere categorieën even belangrijk. Recent heeft een blog aandacht besteed aan de statistische modellen (III). Het is uiterst complex om deze verantwoord te construeren. Als dit evenwel lukt, dan zijn zij zeer geschikt voor het doen van kwantitatieve voorspellingen. Daarom behoudt de categorie III een grote populariteit. Ook uw blogger is enthousiast, en onderzoekt in de rest van de blog enkele voor de hand liggende toepassingen van zulke modellen. Ook in toekomstige blogs zal de statistische analyse regelmatig blijven terugkeren. Zij geeft meer duidelijkheid dan de afbeeldingen van tijdreeksen, die tot nu toe domineerden in de Gazet.

Volgens het boek Politische Ökonomie wordt de hoogte van de staatsschuld bepaald door economische en institutionele factoren45. De economische groei, een positieve handels-balans, en een lage rentevoet reduceren de schuld. Vergrijzing en veto-spelers vergroten de schuld, en ook de partij-politiek heeft invloed. Hetzelfde moet gelden voor het tekort op de staats-begroting, omdat dit uitnodigt tot lenen en tot de vorming van de schuld. Dien ten gevolge is het begrotings-tekort een geschikte afhankelijke variabele y(t) om de multipele (multivariate) regressie te beproeven. In een voorgaande blog is de statistische analyse uitgevoerd voor Nederland in de periode 1963-2013. Daar zijn drie onafhankelijke variabelen gebruikt, te weten de groeivoet van het bruto binnenlands product (x1(t)), en de aanwezigheid van een centrum-linkse (x2(t)) of centrum-rechtse (x3(t)) regering.

Grafiek van groei, rente en begrotings-tekort
Figuur 2: Nederlandse groei, rente en
   begrotings-tekort

In deze paragraaf zal de analyse worden herhaald, en uitgebreid met een vierde onafhankelijke variabele, te weten de rentevoet voor eeuwig durende staats-leningen (x4(t)). De beschouwde periode is hier 1963-2004. De gegevens voor de groeivoet zijn berekend uit de BBP gegevens van de Conference board total economy database (CBTED) van het Groningen Growth and Development Centre. De tijdreeks voor de rentevoet komt van de onbewerkte gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)46. De gegevens voor het tekort op de Nederlandse begroting (in % BBP) zijn overgenomen uit diverse bronnen47. De drie tijdreeksen worden weergegeven in de figuur 2. De regressies worden uitgevoerd met de statistische functies in het database programma Quattro Pro, dat een onderdeel is van het Corel programma pakket.

De correlatie coëfficiënt voor de groeivoet en het tekort is rx1,y = 0.34. Dat is niet bijster groot. Maar de correlatie coëfficiënt voor de rentevoet en het tekort is nog kleiner, namelijk rx4,y = 0.08, met een variantie van Sr² = 0.02. Dat wil zeggen, rx4,y verschilt niet van nul op het 5% significantie niveau. Deze conclusie botst met de bevindingen in Politische Ökonomie, die echter gelden voor een hele groep van Europese staten48. Kennelijk wijkt de trend in Nederland enigszins af van de Europese trend. Intuïtief zou men menen, dat een staat meer zal lenen, wanneer de rentevoet laag is. Dan zou het tekort toenemen. Maar er is een tegen-argument: het tekort neemt eveneens toe, wanneer de rente-afdrachten stijgen. En dat gebeurt, wanneer de rentevoet hoger wordt. Aldus is de correlatie tussen rentevoet en tekorten inderdaad niet vanzelf sprekend49.

Een correlatie coëfficiënt geeft de afhankelijkheid tussen twee variabelen kernachtig weer. Maar men kan de correlatie ook grafisch weergeven, in een zogenaamd strooi-diagram (scatter plot)50. De figuur 3 toont het strooi-diagram van het tekort versus de groeivoet. Men moet inderdaad goed kijken om in deze figuur de opwaartse trend te kunnen ontwaren. Aangezien de rentevoet nauwelijks correleert met deze variabelen, heeft het weinig zin om die toe te voegen aan het regressie-model. De eerdere blog liet al zien, dat de variabelen x2(t) en x3(t) van partij-politiek evenmin het regressie-model verbeteren. Overigens is het strooi-diagram van de partij-politiek versus de groeivoet toch interessant. Deze is weergegeven in de figuur 4. Het blijkt dat centrum-rechtse regeringen gemiddeld gepaard gaan met wat meer economische groei (3.5%; centrum-links: 2.3%). De verklaring zou een nadere analyse vereisen.

Strooi-diagram van groei en begrotings-tekort
Figuur 3: Begrotings-tekort versus groei
Strooi-diagram van groei en partij-politiek
Figuur 4: Partij-politiek versus groei

Men zou kunnen proberen om het model te verbeteren door de variabelen iets anders te kiezen. Trouwens, dit is hier deels al gedaan. De groeivoet van het bruto binnenlands product (BBP) correleert beter met het tekort dan het BBP zelf. In feite is hier het BBP gediffereerd. Evenzo kan men zich afvragen, of men wellicht de reële rentevoet zou moeten gebruiken, in plaats van de nominale rentevoet. De periode 1973-1983 wordt gekenmerkt door een hoge inflatie, en dat leidt in de tijdreeks van de figuur 1 tot kunstmatig hoge rentewaarden. Inflatie reduceert het reële tekort51. Voorts zou men een vertraging (lag) kunnen inbouwen bij de onafhankelijke variabelen van het model. Bijvoorbeeld blijkt rx1,y empirisch iets groter te worden, wanneer men rekent met x1(t) en y(t+1), dus vertraagd met één jaar. Deze opmerkingen illustreren, dat zelfs een zeer simpel model al snel enorm complex kan worden.

Voorts heeft de voorgaande blog gewezen op het probleem van auto-correlatie in tijd-reeksen. De figuur 5 toont het correlogram van het tekort op de Nederlandse begroting tussen 1963 en 2013 52. Het correlogram geeft het verloop van de k-de orde auto-correlatie coëfficiënt rk weer, als functie van k. Hierbij is k de vertraging (lag) van de tijd-reeks bij de berekening van de correlatie. Wetenschappelijk is bewezen, dat een reeks met een auto-correlatie van nul een standaard-afwijking van 1/√N heeft53. Dat is 0.14 voor N=51. Met andere woorden, als rk in de steekproef kleiner is dan 0.27, dan verschilt die voor de hele populatie niet significant van nul op het 5% niveau. Dat blijkt pas het geval te zijn voor k=4. Kennelijk heeft de tijd-reeks van het tekort een duidelijke trend. Deze problemen zijn allemaal nogal teleurstellend, en wekken sterk de indruk dat het model vatbaar is voor verbeteringen.

Correlogram van begrotings-tekort
Figuur 5: Correlogram van tekort
Grafiek van groei en werkloosheid
Figuur 6: Nederlandse groei en werkloosheid


Casus: Modellering van de werkloosheid in Nederland

Als vinger-oefening wordt nu geprobeerd om de werkloosheid y(t) in Nederland te modelleren. Zij is de afhankelijke variabele in de multipele regressie. Er worden drie onafhankelijke variabelen gebruikt, te weten de groeivoet x1 van het BBP, en de aanwezigheid van een centrum-linkse (x2(t)) of centrum-rechtse (x3(t)) regering. De gegevens voor x1, x2 en x3 zijn gelijk aan die in de vorige paragraaf. Echter de beschouwde periode is nu 1970-2013. De gegevens y(t) voor de werkloosheid zijn overgenomen van een al weer zes jaren oude blog. Helaas heeft y(t) daar een discontinuïteit in het jaar 1983. Zij wordt kunstmatig en nogal ongerechtvaardigd verwijderd door de gegevens van voor 1983 te vermenigvuldigen met een factor 0.8. De figuur 6 toont het verloop van de werkloosheid y(t), en (nogmaals) van de economische groeivoet x1(t).

Alle berekeningen zijn weer uitgevoerd met het programma QuattroPro. De correlatie coëfficiënt van de werkloosheid en de groei blijkt rx1,y = -0.19 te zijn. Dat is teleurstellend laag. Echter de correlatie verbetert aanzienlijk, wanneer de groeivoet wordt vertraagd (lag) met twee jaren. Dat wil zeggen, de werkloosheid correleert het beste met de economische groeivoet van twee jaren eerder. In dit geval wordt rx1,y = -0.50 berekend. Uw blogger wil dit verschijnsel hier niet diepgaand onderzoeken. Maar er is enige logica: ondernemingen houden in een recessie gewoonlijk hun overtollige personeel een tijdje vast, in de hoop dat de economie zich weer snel herstelt. Immers, het ontslaan en later weer aannemen van personeel veroorzaakt extra kosten.

Het regressie-model wordt zodanig gekozen, dat x1, x2 en x3 alle drie worden vertraagd met twee jaren. De idee is, dat ook de werkgelegenheids-maatregelen van de regering enige tijd vergen om effect te hebben. De regressie berekent een constante waarde van 6.23, en deze is significant op het 1% niveau. Dat wil zeggen, bij een nulgroei bedraagt de werkloosheid in de beschouwde periode gemiddeld 6.23%. De helling a1 van de groei is -0.51, eveneens significant op het 1% niveau. Elke 1% groei vermindert de werkloosheid met 0.5%. Helaas zijn de hellingen a2 en a3 totaal niet significant, zelfs niet op het 10% niveau. Kennelijk heeft de partij-politiek geen waarneembaar effect op de werkloosheid. Dit resultaat is wellicht begrijpelijk, maar is toch een domper op het enthousiasme van de analist54.

Evaluatie

De voorzichtige conclusie van de voorgaande statistische analysen is, dat er zelden een eenvoudige correlatie tussen de variabelen bestaat, zelfs niet bij economische verschijnselen. De statistische analyse is niet een methode, waarmee goedkoop en snel duidelijke resultaten kunnen worden geboekt55. De analist moet veel tijd investeren in het ontwerpen van zijn model en in de validatie van de gegevens56. Kennelijk moet men de numerieke gegevens steeds plaatsen in een historische context, en daarbij nagaan hoe de instituties inwerkten op de toenmalige situatie. Dit suggereert dat men eigenlijk een omgekeerde procedure moet volgen: selecteer enkele casussen, en kijk wat daarin gemeenschappelijk is. Vertaal vervolgens deze algemene regels in een statistisch model. Zo een aanpak komt overeen met triangulatie, en zij vergt een grote investering in tijd en kennis.


Uit de oude doos: Schmoller en Wagner

Deze paragraaf besteedt nogmaals aandacht aan het werk van G. Schmoller en A. Wagner, twee Duitse economen uit het einde van de negentiende eeuw. Als men de inzichten van Wagner en Schmoller inzake de socio-economische analyse en methodologie beschouwt, dan komt men tot de conclusie, dat zij vele aspecten van het huidige debat hebben voorzien. Met name Wagner geeft een diepgaande analyse van de methoden. Dat wil zeggen, het hedendaagse debat heeft deels het doel om de oude wijsheden te doen herleven.

Uw blogger raadpleegt het boek Grundriß der allgemeinen Volkswirtschaftslehre (afgekort AV) voor de visie van Schmoller57. Hij meent dat de economie wordt gekenmerkt door wetmatigheden (p.106 in AV). Maar de causaliteiten zijn altijd complex (p.108, 109). De actoren hebben invloed, maar ook de natuur en de cultuur (p.102). Daarom zijn inductieve en deductieve methoden allebei nodig (p.110). Schmoller verzet zich tegen het individualisme in the economische theorie van Smith en Ricardo (p.112, 124)58. De economie wordt mede bepaald door instituties, zoals de staat en de moraal. In dit opzicht voorziet Schmoller al het actor-institutie kader.

De aandacht voor de staat impliceert, dat Schmoller een voorstander is van de vergelijkende analyse. Elke staat (of volk) heeft zijn eigen cultuur59. Schmoller is overtuigd, dat vooral het ras van de bevolking veel economische invloed uitoefent (p.141 en verder). Dit betreft de eigen cultuur van het ras, maar ook de lichamelijke bouw (p.142). Aldus is volgens Schmoller de Australische aboriginal weliswaar een mens, maar van een lager niveau dan bijvoorbeeld de indo-germaan (p.150). Trouwens, volgens Schmoller is ook de cultuur genetisch bepaald. De cultuur is ingeprent gedurende duizenden jaren, wat resulteert in typisch fysieke kenmerken (p.142 en verder). Aldus is het betoog van Schmoller verwerpelijk naar de hedendaagse maatstaven. Maar Schmoller geeft hier niet enkel zijn tijdgeest weer. Zijn toon is hatelijk, ook voor iemand die in onwetendheid verkeert60.

De visie van Wagner is ontleend aan de eerste halve band in het eerste deel van Grundlegung der politischen Oekonomie (afgekort PO)61. Ogenschijnlijk heeft Wagner dezelfde opvatting als Schmoller. Maar in de uitwerking is Wagner, meer dan Schmoller, geneigd tot deductie. Her en der stelt Wagner, dat de jonge Historische School van Schmoller te afwijzend is jegens de deductie (p.138, 179, 224, 247 in PO).

Volgens Wagner is inductie het verzamelen van gegevens en waarnemingen. Hij meent, dat dit moet worden gebruikt om regelmatigheden te ontdekken in het economische handelen (p.246). Vervolgens moet de deductie worden gebruikt om de regelmatigheden te vertalen in causaliteiten (p.170). Deducties bestaan uit aannamen (hypothesen), causale relaties tussen de variabelen, en hun uitkomsten. De causaliteit moet aannemelijk zijn (p.228). De belangrijkste aanname betreft de menselijke motieven, met name het hoofdmotief van het eigen belang (p.150, 172, 242). Dankzij deze aanname kan men de waarnemingen echt verklaren (p.171). Zij weegt de psychologie van de menselijke natuur mee (p.224, 227). Causale kennis maakt het voorspellen van de ontwikkelingen mogelijk (p.231). De ontwikkelde theorie moet weer worden getoetst aan de werkelijkheid, en dat vergt opnieuw inductie. Zo wisselen de inductie en de deductie elkaar af (p.243, 250).

Interessant is ook, dat Wagner de gegevens verdeelt in verschillende typen, te weten de casus, de verzameling van casussen en statistische bestanden. Aldus zijn er vier wetenschappelijke benaderingen, te weten de geschiedkunde, de formele wet, de statistische formule, en de vergelijkende geschiedkunde (p.197, 244 en verder). Er is een duidelijke overeenkomst met de categorieën I t/m IV aan het begin van de blog. Inductie maakt gebruik van de (vergelijkende) geschiedkunde. Maar een afzonderlijke casus geeft geen informatie over veranderingen (p.200, 220). De vergelijkende analyse kan dat wel, maar blijft kwalitatief (p.202, 221). Wagner beveelt het gebruik van statistische methoden aan, omdat zij kwantitatieve resultaten geven (p.203, 244). Dien ten gevolge kunnen zij causaliteiten echt bewijzen.

Natuurlijk zijn economische wetten nooit exact. Immers, de motieven van de actoren zijn contextueel bepaald. In sommige situaties hebben morele en culturele motieven veel invloed (p.150, 182)62. Het is lastig om een geschikt actor model te vinden. De maatschappelijke structuur kan het handelen inperken (p.164, 185, 234). Aldus kan de actie situatie dermate complex worden, dat het slecht lukt om regelmatigheden te ontdekken (p.192, 209). Vaak overziet men relevante factoren, en kan dan enkel een tendens ontdekken (p.233).

Volgens Wagner heeft de wetenschap twee taken, te weten de objectieve analyse van de realiteit, en het ontwikkelen van beleid (p.144). Met andere woorden, wetenschap moet zowel positief als normatief zijn. Hij heeft het vertrouwen, dat de beleids-adviezen in hoge mate objectief kunnen blijven. De productie-mogelijkheden moeten worden geoptimaliseerd (p.160). En de verdeling van de producten moet het algemeen belang dienen (p.161). De staat bepaalt dat algemeen belang, en moet het propageren binnen de bevolking (p.164). Indertijd beseft men nog onvoldoende, dat de staats-organen een eigen belang hebben.

  1. Zie p.199-207 in Methoden der vergleichenden Politikwissenschaft (2009, VS Verlag für Sozialwissenschaften) van H.-J. Lauth, G. Pickel en S. Pickel, of p.483 en verder in Handbuch Policy-Forschung (2015, Springer VS) onder redactie van G. Wenzelburger en R. Zohlnhöfer. Veel analisten vinden triangulatie gewoon. Bijvoorbeeld stelt V. Ostrom op p.255 in Choice, rules and collective action (2014, ECPR Press): "The intellectual enterprise requires moving back and forth across frameworks, theories and models so as to appropriately fit limiting conditions, opportunities, and hypothetical contingencies into the multi-dimensional facets characteristic of the artifact nature of human habitation". (terug)
  2. Een analist of een onderzoeks-groep heeft gewoonlijk toch een voorkeur voor bepaalde methoden. De keuze van instrumenten is nooit volkomen objectief. Daarom kan men triangulatie beter zien als een oproep om open te zijn, en over de randen van de eigen deskundigheid heen te kijken. Een valkuil is natuurlijk, dat helemaal niets deugt in de ogen van de analist. De aanpak moet constructief blijven. (terug)
  3. Zie hoofdstuk 2 in Social theory and social structure (1968, Collier Macmillan Publishers) van R.K. Merton. Het thema wordt ook genoemd op p.27 van Methoden der vergleichenden Politikwissenschaft, en op p.128 en verder in Akteure - Mechanismen - Modelle (2002, Campus Verlag GmbH) onder redactie van R. Mayntz. (terug)
  4. Zie p.147 (H. Esser) en p.227 (F. Scharpf) in Akteure - Mechanismen - Modelle. Volgens Esser had Merton nog wel de hoop, dat de verzameling van theorieën met een gemiddelde reikwijdte tenslotte zou leiden tot een algemene, alles overkoepelende, theorie. Uw blogger sympathiseert met de hoop van Merton. Immers, het valt op dat sommige maatschappelijke instituties voorkomen in (vrijwel) alle culturen. De menselijke natuur dringt in een bepaalde richting. Daarom maakt de maatschappelijke psychologie aanspraak op algemene geldigheid. (terug)
  5. Zie Scharpf op p.227 in Akteure - Mechanismen - Modelle. Op p.143 pleit Esser voor structuur-modellen, en lijkt daarmee partiële theorieën te bedoelen: "Strukturmodelle sind (...) Musterlösungen für formal (...) ähnliche Konstellationen, die aber auf ganz unterschiedliche spezielle Problemfelder angewandt werden können". De structuurtheorie heeft een gemiddelde reikwijdte (p.149). Op p.475 in Handbuch Policy-Forschung gebruikt Starke de term hulp-theorieën. Enige standaardisatie van termen is geen overbodige luxe. Het is historisch interessant, dat A. Wagner op p.239 in boek 1 in de eerste halve band in het eerste deel van Grundlegung der politischen Oekonomie (1892, C.F. Winter'sche Verlagshandlung) al wijst op de partiële ontwikkelings-wetten. Hij besteedt er een pagina aan, en constateert, dat zij voorlopig niet zullen leiden tot een universele theorie. (terug)
  6. Zie p.142 en verder in Akteure - Mechanismen - Modelle. (terug)
  7. Esser doet dit voorstel op p.146 en verder in Akteure - Mechanismen - Modelle. (terug)
  8. Zie p.66 van Methoden der vergleichenden Politikwissenschaft, en vooral de tekst van P. Starke op p.453 en verder in Handbuch Policy-Forschung. Volgens p.465 heeft de proces analyse overeenkomsten met politiewerk en de medische diagnostiek. Merk op, dat de proces analyse een onderdeel kan zijn van de beleids-cyclus. Overigens geven de genoemde bronnen geen handleiding of schema's om de proces analyse uit te voeren. (terug)
  9. Mayntz noemt de term "kausale reconstructie" op p.14 en verder in Akteure - Mechanismen - Modelle, en het mechanisme op p.24 en verder. Ook Esser noemt het mechanisme, op p.132 en verder. Trouwens, deze term is oud, en wordt bijvoorbeeld al gebruikt op p.202 in The social system (1964, The Free Press of Glencoe) van Parsons. Zie voorts p.456 in Handbuch Policy-Forschung. Starke constateert op p.454, dat in de proces analyse de causaliteit binnen de casus wordt onderzocht (within-case), en niet de causaliteit tussen casussen (cross-case). Op p.456 noemt hij de proces-analyse realistisch, omdat zij de causaliteit aannemelijk maakt. Causaliteit is niet echt meetbaar. Anderzijds zou het positivisme louter baseren op waarnemingen, en zich daarom beperken tot correlaties tussen variabelen. Afhankelijkheden moeten empirisch zijn. Op p.491 maakt ook Wolf dit onderscheid tussen realisme en positivisme. Uw blogger heeft het onderscheid nooit gemaakt, en vindt het (voor alsnog) wat te filosofisch. Voorts is het uw blogger niet helemaal duidelijk of ook processen met terugkoppeling causaal worden genoemd. Er is dan een regelkring. (terug)
  10. Eerdere blogs verwijzen naar de opvatting van de bestuurskundige V. Bekkers, dat er vier perspectieven van beleids-ontwikkeling zijn: rationaliteit, de politieke machtsstrijd, de maatschappelijke cultuur, en de instituties. Als men de instituties identificeert met de structuur, dan doet deze indeling inderdaad denken aan de de proces analyse. Overigens heeft Bekkers een persoonlijke voorkeur voor de perspectieven van macht en de cultuur. Uw blogger verkiest juist de rationele en institutionele perspectieven. Zie een eerdere blog voor een (misschien wat te) stevige kritiek op het denken van Bekkers. (terug)
  11. Zie p.67 en verder van Methoden der vergleichenden Politikwissenschaft, p.454 in Handbuch Policy-Forschung, en p.30 in Comparative politics (1999, Cambridge University Press) van M.I. Lichbach en A.S. Zuckerman. Levi verwijst in hoofdstuk 2 van Comparative politics regelmatig naar de institutionele analyse van het echtpaar Ostrom. Zie voorts p.108 en verder in Akteure - Mechanismen - Modelle. Op p.118 wordt benadrukt, dat de analyse ook inductie gebruikt. Dit is met name nodig om de invloed van de context te beschrijven. De toepassingen van het analytische betoog, die uw blogger heeft gezien, betreffen meestal historische casussen op het macro-niveau. Studies van de actuele ontwikkeling van sectoraal beleid zijn zeldzaam. Dit is eigenlijk vreemd, omdat er weinig gegevens zijn over historische casussen. (terug)
  12. Zie p.62-65 in Methoden der vergleichenden Politikwissenschaft, of p.460-463 in Handbuch Policy-Forschung. Op p.34 in Comparative politics wordt opgemerkt, dat het analytische verhaal kan leiden tot diverse plausibele mechanismen. Een extra casus kan soms alsnog het meest overtuigende mechanisme aanwijzen. Soms is de analist al blij, wanneer hij slaagt in het vinden van een casus, en valt er weinig te kiezen. Dat geldt zeker voor analisten met weinig middelen, zoals uw blogger. (terug)
  13. Zelfs de beleidskunde is niet altijd eenduidig in de definitie van termen. In p.191 en verder van Overheidsbeleid (2008, Kluwer) onder redactie van A. Hoogerwerf en M. Herweijer verwijst proces analyse naar het afbeelden van de processen in een beleids-schema. De beleids-analyse is hier sterk gericht op de toepassing. Het schema geeft het beleidsveld weer, inclusief alle doelen, instrumenten, processen en prestaties van beleid. Het schema is ex-ante nuttig voor het ontwerpen van beleid, en ex-post voor het evalueren van beleid. (terug)
  14. Zie hoofdstuk 4 in Overheidsbeleid. Het ontwerp betreft de hele beleids-cyclus. (terug)
  15. Zie p.98 in Overheidsbeleid. (terug)
  16. Indertijd had uw blogger in de beide bijdragen nog moeite om de het ACK en de PET te plaatsen in de beleids-analyse. De uitleg aldaar is wel juist, maar hopelijk beschrijft de huidige blog de betekenis van het ACK en de PET wat duidelijker. (terug)
  17. De actoren in het sub-systeem van het beleidsveld beseffen natuurlijk rationeel, dat slechte prestaties zullen leiden tot een externe ingreep. Zij weten, dat zij functioneren in de schaduw van de centrale staat en politiek. Maar zij zijn onmachtig om de interne impasse te doorbreken. De idee van de schaduw van de staat wordt in een breder verband behandeld op p.226-229 in Comparative politics. (terug)
  18. Zie p.40 en verder, alsmede p.222 en verder van Methoden der vergleichenden Politikwissenschaft, of p.22 en 112 in Akteure - Mechanismen - Modelle. De theoloog A.B. Seligman benadrukt eveneens het belang van de context, op p.122, 133 en 135-136 in Market and community (2000, The Pennsylvania State University Press) van M.I. Lichbach en A. Seligman. Zie voorts p.74 in Comparative politics. Een wiskundige zou zeggen, dat men rekening moet houden met de begin- en rand-voorwaarden van het probleem. (terug)
  19. Voor de volledigheid: neo-marxisten spreken van de culturele hegemonie, in navolging van Gramsci. Zie p.214 in Comparative politics. (terug)
  20. Seligman constateert deze evidentie op p.135 in Market and community. Op p.57 in Comparative politics wordt het nepotisme in vele Afrikaanse staten opgevat als een cultuur. (terug)
  21. Zie p.343 in Sozialpsychologie (2008, Spektrum Akademischer Verlag) van L. Werth en J. Mayer. Op p.25 in The social system wordt de positie gekoppeld aan status, en de rol aan de functie binnen het system. Zie verderop in deze blog. (terug)
  22. Zie p.31 en verder in Akteure - Mechanismen - Modelle. (terug)
  23. Zie p.21 in Market and community. Volgens p.77-93 behoren Marx, en later B. Moore Jr. en T. Skocpol tot de stroming van de (materiële) structuralisten. Merk op, dat volgens Marx de structuur volgt uit de productie. Dit is deels een fysieke factor. (terug)
  24. Zie P.A. Hall op p.180 in Comparative politics. Hij noemt dit perspectief het institutionalisme in de politieke economie. (terug)
  25. Zie p.119-120 in Comparative politics. (terug)
  26. Het echtpaar Ostrom identificeert de cultuur vooral met de houding van mensen in hun relaties. Bijvoorbeeld hechten sommige culturen meer aan onderling vertrouwen dan anderen. Aldus is sociaal kapitaal een kenmerk van cultuur. Een cultuur kan hechten aan innovatie. Ook de verdeling van rijkdom kan cultureel zijn bepaald. Zie p.45 in Rules, games, and common-pool resources (2006, The University of Michigan Press) van E. Ostrom, R. Gardner en J. Walker, of Choice, rules and collective action. Dit onderscheid tussen cultuur en regels is niet geheel duidelijk. Bijvoorbeeld, is het religieuze voorschrift van barmhartigheid een houding of een regel? (terug)
  27. Zie p.46 en 185 in Comparative politics. De culturele stroming in de vergelijkende analyse begint bij onder andere Montesquieu, en later S.P. Huntington en R. Bendix. Zie p.63-77 in Market and community. Maar Migdal rekent op p.220 in Comparative politics Huntington tot de historische institutionalisten. Het is uw blogger niet duidelijk in hoeverre het historisch institutionalisme ruimte laat voor individuele acties (incidenten). Volgens p.218 en 228 hebben ook de publicaties van March en Olsen bijgedragen aan het institutionalisme. (terug)
  28. Zie het betoog van S.H. Barnes op p.119 in Comparative politics. Op p.56 stelt M.H. Ross, dat een groot deel van de bevolking (in westerse staten) niet voldoet aan de dominante nationale cultuur. Mensen zijn lid van vele groepen, en krijgen deels botsende identiteiten (p.63 en verder). Op p.148 en verder in Market and community constateren Lichman en Seligman, dat de economie dringt tot meer pluralisme. Zij kibbelen over de vraag, of de economie daardoor de mondiale maatschappij catastrofaal ontwricht. Een multiculturele context is potentieel instabiel. Dit is een debat, dat het kader van de huidige blog overstijgt. (terug)
  29. Overigens doen speltheoretici hun best. Bijvoorbeeld hebben zij het concept van het focale punt bedacht, dat een collectieve voorkeur kan modelleren. Zie p.184 in Comparative politics. (terug)
  30. Zie p.7 en verder in Comparative politics. (terug)
  31. Zie p.42 en verder, en p.68 en verder in Comparative politics. Dankzij de gedeelde identiteit (mentale model) wordt het gedrag van actoren beter voorspelbaar. De cultuur heeft cognitieve en affectieve aspecten (p.45). De invloed van de cultuur is ook een centraal thema in The social system van Parsons, te beginnen op p.15. Zie verderop in de blog. (terug)
  32. Op p.71-72 van Methoden der vergleichenden Politikwissenschaft wordt verwezen naar de gebieds-studies (area-studies). (terug)
  33. Op p.166 en verder in Politiques publiques (1989, Presses Universitaires de France) van Y. Meny en J.C. Thoenig wordt een theorie van Cobb en Elder behandeld, die dezelfde strekking heeft als die van Crozier en Friedberg. Zij betreft onder andere de strijd om de beleids-agenda. (terug)
  34. Zie ook p.24 in Overheidsbeleid. Op p.190 wordt gesproken van tussen-doelen en eind-doelen. Het proces-model (p.192) geeft de beleids-keten weer, waarbij het eind-doel van beleid wordt gebruikt als een tussen-doel voor een meer omvattend (vaak abstracter) beleid. Dat wil zeggen, het eind-doel van de ene organisatie is het tussen-doel van de andere organisatie. Op p.120 en 191 worden de beleids-prestaties afgemeten aan de resultaten (output). Het is natuurlijk beter om de uitwerking (outcome) te meten. Zie ook p.137 en verder in Politiques publiques voor het verschil tussen het resultaat en de uitwerking van beleid. (terug)
  35. Zie p.105 in Social theory and social structure. (terug)
  36. Op p.204-205 in Politiques publiques wordt gewezen op niets-doen als alternatief. Op p.283 en verder in Comparative politics pleit Zuckerman voor de toepassing van chaos theorie in de proces analyse. Dat is natuurlijk een mogelijkheid. Er zijn altijd incidenten mogelijk in de actie situatie. Nochtans is de maatschappij niet vergelijkbaar met een gas, want zij is altijd geordend. En mensen zijn toenemend in staat om die ordening zelf te construeren. (terug)
  37. Zie The social system (1964, The Free Press of Glencoe) van T. Parsons. (terug)
  38. Merton pleit in hoofdstuk 3 van Social theory and social structure voor de functionele analyse. Kennelijk is het structurele functionalisme daarvan een bijzonder geval. (terug)
  39. Op p.143-150 in The social system presenteert Parsons een taxonomie voor structuren, die uw blogger tot wanhoop drijft door haar extreme abstractheid. Maar, stelt Parsons op p.150, "such a scheme is the basis from which the comparative analysis of different social structures must start". In de conclusie (hoofdstuk 12) betoogt hij, dat de sociologie focusseert op het systeem. De psychologie onderzoekt de actoren en hun motieven. De antropologie onderzoekt de cultuur-inhoud. (terug)
  40. Op p.208 en verder in The social system is de inhoud meer psychologie dan sociologie. Hier worden de persoonlijke behoeften en motieven onderzocht. Zie ook p.540. Dit fundament op het micro niveau maakt het sociologische betoog van Parsons overtuigend. (terug)
  41. De vertaling van deze extreme kenmerken is nogal vrij, en een poging om de bedoeling van Parsons zo goed mogelijk weer te geven. Wie daaraan twijfelt, kan de Engelse termen nalezen in The social system zelf. Op p.86 en 102-110 leidt Parsons allerlei soorten rollen af uit combinaties van de vijf variabelen. Overigens legt Parsons niet helder uit, waarom juist deze vijf variabelen essentieel zijn. Is dit een ervarings-feit? (terug)
  42. Op p.108-110 en 193-195 in The social system gebruikt Parsons zijn variabelen om de cultuur in diverse staten te vergelijken. Merk hier op, dat de ontwikkeling van zijn theorie al direct na de Tweede Wereldoorlog begon. Indertijd kende men nog een dominantie betekenis toe aan de nationale cultuur. Zie verderop, in de paragraaf over Schmoller. (terug)
  43. In de jaren vijftig is de westerse maatschappij nog gezags-getrouw. De marge voor tolerantie is vrij klein. Wellicht verklaart de tijdgeest, dat Parsons zozeer hecht aan conformeren, althans wanneer hij zijn theorie toepast.
    Merk op, dat een eerdere blog de systeem-theorie van Parsons presenteert als het AGIL schema. Kennelijk dateert dit schema van na The social system. L representeert de (latente) cultuur. Uw blogger denkt, dat in het maatschappelijke systeem A staat voor sociale controle, G voor de bevrediging van behoeften, en I voor de rollen-structuur. (terug)
  44. Op p.520-535 in The social system presenteert Parsons een interessante sociologische analyse van revoluties, met als illustraties het christendom, het nazisme, en het Leninisme. Hij benadrukt de consolidatie fase na afloop van de machts-wisseling. (terug)
  45. Zie hoofdstuk 10 in Politische Ökonomie (2003, Leske + Dudrich) onder redactie van H. Obinger, U. Wagschal en B. Kittel. (terug)
  46. Zoek op deze website naar de open onbewerkte gegevens voor de geld- en kapitaal-markt (1900-2002). Het bestand heeft het nummer 37758. De tijdreeks van de staatsleningen is slechts een onderdeel van dit enorme bestand. Uw blogger neemt aan, dat de vermelde rentevoet de nominale waarde is. (terug)
  47. De waarden van het tekort op de Nederlandse begroting tussen 1963 en 1975 zijn berekend uit de grafieken op p.109-110 van Het polderwonder (2002, Uitgeverij Contact) van F. de Kam en R.A. ter Hart. Dit is een nuttig boekje, gevuld met allerlei langlopende tijdreeksen. Het vermeldt het jaarlijkse tekort ten opzichte van de staats-uitgaven. Dit moest worden vermenigvuldigd met de waarde van de staats-uitgaven in % BBP, zodat het tekort in % BBP wordt verkregen. Helaas geeft het boekje de waarden van de staats-uitgaven in % BBP enkel elke vijf jaren, zodat moest worden ge´nterpoleerd. Het tekort tussen 1975 en 1992 is overgenomen van een grafiek op p.52 in Inspelen op Europa (1993, Academic Service) onder redactie van J.J.M. Kremers. Deze gegevens van het tekort wijken in absolute waarde zelden meer dan 2% af van die in Het polderwonder, behalve voor 1980-1983, waar Het polderwonder zeer hoge tekorten vermeldt. De gegevens tussen 1995 en 2004 zijn overgenomen van de database van Eurostat. (terug)
  48. Volgens p.316-317 in Politische Ökonomie zou het tekort afnemen met de rentevoet. (terug)
  49. Voor de volledigheid: natuurlijk is ook het regressie model van het tekort doorgerekend, in aanvulling op de correlatie coëfficiënten. De regressie van y met x1, x2 en x3 levert een constante van -3.1%. Dat wil zeggen, zonder groei bedraagt het tekort op de begroting 3.1%. (terug)
  50. Het strooi-diagram wordt goed uitgelegd in hoofdstuk 11 van Practical business statistics (1994, Richard D. Irwin, Inc.) van A.F. Siegel. (terug)
  51. Helaas is het niet eenvoudig om de inflatie op te nemen in het model. De inflatie correleert met de rentevoet, en dan lijdt de regressie analyse aan het probleem van multi-collineariteit. Een alternatief is om het model te baseren op de reële rentevoet, die is gecorrigeerd voor de inflatie. Dan moet men dus x4(t) bewerken. Maar dat vereist meer inzicht in de berekening van de langdurige rentevoet dan uw blogger heeft. Een langdurige rentevoet moet niet alleen rekening houden met de actuele inflatie, maar ook met de toekomstige situatie. Men ziet hoe snel de analyse uiterst complex wordt, zozeer zelfs, dat de vraag is of het de moeite loont. (terug)
  52. Zie p.792 en verder in Understanding business statistics (1994, Richard D. Irwin, Inc.) van J.E. Hanke en A.G. Reitsch voor een uitleg van het correlogram. (terug)
  53. Zie p.797 in Understanding business statistics. (terug)
  54. Op p.161 in Politische Ökonomie presenteert K. Armingeon een groot aantal correlatie coëfficiënten voor de veranderingen in 22 OESO staten in de periode tussen 1990 en 2000. Hij correleert de veranderde werkloosheid met allerlei institutionele factoren, zoals een activerings-beleid, deeltijd, ontslag-bescherming, de hoogte van uitkeringen, (neo-)corporatisme, partij-politiek, en de democratische instituties. Geen enkele correlatie coëfficiënt is significant op op 5% niveau! Dat moet een koude douche zijn geweest! (terug)
  55. Een deskundig statistisch analist zal zonder twijfel hevige kritiek leveren op de statistische berekeningen, die zijn gedaan in deze blog. Zowel de modellen als de gegevens zijn van slechte kwaliteit. Nochtans, wanneer de variabelen sterk zouden correleren, dan hadden zelfs deze slordige berekeningen het aangetoond. (terug)
  56. Het is zorgwekkend, dat de analist zich zozeer moet inspannen om statistische correlaties te vinden. Het kan dan niet worden uitgesloten, dat hij zijn model en gegevens zodanig heeft gemanipuleerd, dat de gevonden correlatie een statistische toevalligheid is. (terug)
  57. Zie het eerste deel van Grundriß der allgemeinen Volkswirtschaftslehre (1919, Verlag von Duncker & Humbolt) van G. Schmoller. (terug)
  58. De mening van Schmoller wordt wellicht duidelijker via een citaat (p.112 in Grundriß der allgemeinen Volkswirtschaftslehre): "Die letzten Ausläufer der englischen deduktiven Schule (...) [engen] das Gebiet unserer Wissenschaft zu sehr ein, wenn sie nur Deduktionen aus (...) ein paar psychologischen Sätzen oder dem Prinzip der Wirtschaftlichkeit als theoretische Nationalökonomie anerkennen". Schmoller is duidelijk geen aanhanger van eenvoud (parsimony). (terug)
  59. De aandacht voor de cultuur van de staat is zelfs nog te vinden in het boek Sociale economische ordening (1947, Van Loghum Slaterus Uitgeversmaatschappij N.V.) van Ed. van Cleeff. Op p.248 en verder wordt de volksaard (niet de instituties!) van Engeland, Italië, Noord-Amerika en Rusland vergeleken. (terug)
  60. De verleiding is groot om uitgebreid te citeren uit Grundriß der allgemeinen Volkswirtschaftslehre. Maar twee citaten over de joden (semieten) zullen wel volstaan. Op p.149-150: "Das Eindringen gewisser niedriger Rassen [bleibt] eine Gefahr für die höherstehenden Rassen. (...) Die massenhaften proletarischen Juden (...) im Ostende Londons sind ein sozialer Mißstand". En op p.154: "[Man] wird Bismarck recht geben, wenn er sagt, wo ihre [EB joodse] Geschäftsleute die politische Leitung eines Staates beeinflussen, (...) sei es vom Übel. (...) Das Judentum ist meist unfähig, (...) den Mechanismus staatlicher Institutionen zu begreifen. Ein schlagendes Beispiel hierfür sind die sozialen Theorien von Karl Marx". Het wetenschappelijke debat van Schmoller bereikt hier een treurig en primitief niveau. Een eerdere blog liet zien, dat ook Wagner neigde naar anti-semitisme. (terug)
  61. Zie de eerste halve band in het eerste deel van Grundlegung der politischen Oekonomie (1892, C.F. Winter'sche Verlagshandlung) van A. Wagner. Er zijn twee delen, zodat er totaal dus vier halve banden zijn. Ze kosten tezamen €100, wat veel geld is, maar vermoedelijk de moeite waard. De visie van Wagner is modern (afgezien van zijn anti-semitisme). Wel heeft hij een irritante voorkeur voor lange zinnen, en voortdurende herhalingen. (terug)
  62. Wagner heeft kritiek op de theorie van Marx en van het socialisme. Hij stelt op p.157 en verder, 163 en 240 in de eerste halve band in het eerste deel van Grundlegung der politischen Oekonomie, dat die theorie onvoldoende rekening houdt met de psychologische motieven. Een alternatieve ideologie, zoals het socialisme, moet tenminste de toekomstige maatschappij kunnen beschrijven als een blauwdruk. (terug)