Concept

Plaatsing in Heterodoxe Gazet Sam de Wolff: 28 december 2020

E.A. Bakkum is blogger voor het Sociaal Consultatiekantoor. Hij denkt graag na over de arbeiders beweging.

Honderd jaren Nederlandse kabinetten

De politiek heeft een aanzienlijke invloed op de nationale welvaart en het welzijn van mensen. Sociaal-economische analyses moeten rekening houden met institutionele factoren, zoals de bestuurlijke wetgeving, de politieke invloed van maatschappelijke groepen, en de ideologie en de stabiliteit van de regering. Ook het strategische gedrag van politieke actoren bepaalt de loop van de ontwikkeling. De actoren en de instituties zijn onderworpen aan een pad-afhankelijkheid, al is bijsturing altijd mogelijk. De huidige paragraaf geeft een overzicht van de Nederlandse kabinetten in de periode van 1918 tot heden, en wil daarmee een kader scheppen voor toekomstige blogs.

De periode 1918-1940

De periode 1918-1940 (het zogenaamde Interbellum) leent zich slecht voor rationele of zelfs kwantitatieve analyses, om een aantal redenen. Ten eerste is er relatief weinig kwantitatieve informatie beschikbaar over deze periode. Ten tweede ontstond er vanaf 1929 een uitzonderlijke situatie, wegens de economische Grote Depressie, en vervolgens de dreiging van oorlog in Europa. En ten derde wordt indertijd de Nederlandse politiek nog grotendeels bepaald door ideologieën en dogma's. Dit wordt helder aangetoond door de figuur 1, die de verdeling van parlements-zetels over een aantal christelijke en socialistische partijen weergeeft. Aangezien indertijd de Tweede Kamer bestaat uit 100 zetels, zijn de getallen tevens ongeveer de percentages van behaalde stemmen. Getoond zijn de uitslagen voor de Rooms-katholieke Kamerclub (vanaf 1929 de RKSP), de protestantse partijen ARP en CHU, en de socialistische SDAP.

Figuur van verkiezings-uitslagen 1918-1940
Figuur 1: Verkiezings-uitslagen 1918-1940

De figuur 1 bewijst, dat het electoraat indertijd vast is gebonden aan een eigen partij. De maatschappij is verzuild, en zij zal dat blijven tot ruwweg 1965. De kiezers baseren hun partij-keuze op het advies van hun geestelijke raadsman. Hun voorkeur wordt bepaald door de traditie en door de ideologie. Zij voldoen nog aan het mensbeeld van de homo sociologicus, dat de grondslag is voor het communitarisme1. Blijkens de figuur 1 zijn de groepen van katholiek- en protestants-gezinden ongeveer even groot. Gedurende het hele interbellum beschikken zij tezamen over de parlementaire meerderheid (paars in figuur 1). Inderdaad bestaat de regering steeds uit coalities van de RKSP, ARP, en CHU. De socialisten zijn wat kleiner in omvang, en zijn permanent veroordeeld tot de oppositie. Trouwens in het begin willen zij niet anders. Zij zijn heilig overtuigd, dat zij tenslotte zelf de meerderheid zullen verwerven.

Feitelijk is de maatschappelijke stabiliteit van het interbellum verbazend. Vanaf 1929 lijdt Nederland onder de mondiale depressie, en de werkloosheid stijgt naar 15%. De sociale zekerheid is dan nog karig. Gedurende het interbellum speelt de ARP-leider H. Colijn een dominante rol, als premier van vijf kabinetten. Hun beleid tijdens de recessie is gericht op een internationaal waardevaste Nederlandse munt. Daarmee wordt kapitaal gelokt, maar de Nederlandse export wordt geschaad. Toch is dit zuinige beleid voor de vele Rooms-katholieke arbeiders geen reden om een andere politieke partij te steunen. De christelijke vakbeweging verzet zich evenmin tegen het beleid. Inderdaad is het effect van overheids-investeringen en van een devaluatie van de munt onzeker2.

De toenmalige politiek is zo traditioneel, dat het weinig zin heeft om het economische beleid van de afzonderlijke kabinetten te onderzoeken met moderne methoden. Nochtans blijft het interbellum relevant voor het heden wegens de maatschappelijke gevolgen van de verzuiling. Ook zijn indertijd in Nederland enkele belangrijke multinationale ondernemingen tot volle bloei gekomen (Unilever, Fokker, Philips, Koninklijke Shell, Akzo, KNHS (Hoogovens)). Daarom heeft de Gazet toch ruim aandacht besteed aan de ideologische initiatieven van toen. Blogs over het socialisme beschrijven het Socialisatie rapport, het Plan van de Arbeid, en de visies van SDAP-kopmannen Troelstra en Wibaut. Een aparte blog onderzoekt de ideeën van het protestantisme tijdens het interbellum, met name de programma's van de ARP en CHU. Ook is een blog gewijd aan de visie van CHU-kopman Slotemaker de Bruine.

De periode 1945-1959

Direct na de Tweede Wereldoorlog is de SDAP bereid om te participeren in een regering. In 1946 wordt zij omgevormd tot de PvdA. De RKSP heet voortaan KVP. Kennelijk is indertijd het gevoel van harmonie zo groot, dat de KVP en PvdA tezamen een hele reeks van regeringen vormen, de zogenaamde rooms-rode coalities. De coalities worden meestal aangevuld met enkele kleine partijen, zodat zij vaak een kwartet zijn. De tabel 1 geeft een overzicht van deze regeringen, en van de verkiezingsresultaten (in %) van de betreffende partijen. Overigens zijn Schermerhorn, Drees 2 en Beel 2 overgangskabinetten, die de verkiezingen voorbereiden. De primaire taak van de regeringen is de wederopbouw van de Nederlandse economie. Daarnaast experimenteren zij met het corporatisme in de economie, wat jammerlijk mislukt. Zo worden de systeem-bouwers geconfronteerd met de realiteit.

Tabel 1: kabinetten tussen 1945 en 1959
 kabinetcoalitie-partijenKVPPvdAARPCHUVVD
1945-1946SchermerhornKVP-PvdA-ARP     
1946-1948Beel 1KVP-PvdA3129138-
1948-1951Drees 1KVP-PvdA-CHU-VVD31261398
1951-1952Drees 2KVP-PvdA-CHU-VVD
1952-1956Drees 3KVP-PvdA-ARP-CHU29291199
1956-1958Drees 4KVP-PvdA-ARP-CHU33321098
1958-1959Beel 2KVP-ARP-CHU

Aangezien bovendien de verzuiling nog stand houdt, is deze periode evenmin bijster geschikt voor moderne rationele of kwantitatieve analyses3. Des ondanks heeft de Gazet ruim aandacht besteed aan deze periode van wederopbouw, omdat zij een aantal instituties heeft voortgebracht, die nog steeds invloed uitoefenen. Vermeldens waard zijn de Stichting van de Arbeid, de SER, het Centraal Planbureau, en de ondernemings-raden. Sommigen menen, dat in deze periode de basis voor het poldermodel is gelegd. Ook is een aanvang gemaakt met het realiseren van de welvaartsstaat, te beginnen met de AOW als staats-pensioen. De blog over de visie van Van Cleeff schetst de tijdgeest. En de industrialisatie is toen planmatig versneld, wat heeft geleid tot een doorgroei van bedrijven zoals DSM en KNHS (later Estel, Corus en Tata Steel). Dien ten gevolge illustreert deze periode goed, wat centrale planning en concertatie wel en niet vermogen te bereiken.

De periode 1959-1977

In de periode 1959-1977 wordt de Nederlandse welvaarts-staat voltooid. Tevens raken de ideologische zuilen toenemend in verval4. De Nederlandse maatschappij wordt individualistisch. Daarom worden de politieke ontwikkelingen dynamischer en interessanter. De kiezers gaan hun stem bewust uitbrengen op basis van eigen opvattingen en belangen. Zij krijgen waardering voor het hedendaagse mensbeeld van de rationele, berekenende burger (homo economicus). De tabel 2 beschrijft de kabinetten en de verkiezingsresultaten (in %) van de betreffende partijen gedurende deze periode. De Gazet heeft ook deze periode intensief onderzocht, zowel economisch als politiek5. Daarbij zijn regelmatig tijdreeksen van economische gegevens gebruikt om de maatschappelijke ontwikkelingen te schetsen.

Tabel 2: kabinetten tussen 1959 en 1977
 kabinetcoalitie-partijenKVPPvdAARPCHUVVDD'66PPRDS'70
1959-1963de QuayKVP-ARP-CHU-VVD32309812---
1963-1965MarijnenKVP-ARP-CHU-VVD32289910---
1965-1966CalsKVP-PvdA-ARP
1966-1967ZijlstraKVP-ARP
1967-1971De JongKVP-ARP-CHU-VVD2724108114--
1971-1973BiesheuvelKVP-ARP-CHU-VVD-DS'7022259610725
1973-1977den UylKVP-PvdA-ARP-PPR-D'6618279515454

Interessant is het kabinet-de Quay, dat een terugkeer is naar de christelijke coalities van het interbellum. Langzaam maakt de ideologie plaats voor pragmatisme. Dit beleid wordt voortgezet in het kabinet-Marijnen. Het einde van het corporatisme en de liberalisering van de arbeidsmarkt leiden tot een loon-explosie in 1964. Maar de na-oorlogse periode van rooms-rode kabinetten heeft de christelijke band verzwakt. De KVP en ARP zijn linkser geworden, en botsen met de liberale VVD en CHU. Na twee jaren valt het kabinet wegens onenigheid over het bestel van publieke omroepen6. Daarna wordt het kabinet-Cals gevormd, zonder nieuwe verkiezingen. Echter dit is geen herstel van de rooms-rode coalities. Het kabinet valt na anderhalf jaar, tot ergernis van de deelnemende socialisten. Het kabinet-Zijlstra bereidt de verkiezingen voor.

Nogmaals treedt een christelijke regering aan, het kabinet-de Jong. De individualisering, de deconfessionalisering, en de ontzuiling, die sinds decennia sluipend optraden, woeden nu in volle hevigheid. Dit tast het traditionele gezag aan. De kerken worden werelds. Mondiaal gaat het proces van emancipatie gepaard met geweld, zoals in de dekolonisatie en de Amerikaanse beweging voor burger-rechten. De Amerikaanse New Left beweging waait over naar Nederland, en ontregelt de maatschappij. Colllectieve actie en oproer domineren het straatbeeld. In korte tijd ontstaan nieuwe partijen, zoals D'66, DS'70 en de PPR. Het christelijke kabinet-Biesheuvel heeft al de nieuwe partij DS'70 nodig voor de parlementaire meerderheid. Dat komt de stabiliteit niet ten goede. DS'70 onder Drees jr, de zoon van de PvdA-leider, laat het kabinet vallen na onenigheid over bezuinigingen.

Intussen is de Nederlandse politiek zozeer veranderd, dat het vormen van coalities lastig wordt. De KVP verkeert in een identiteits-crisis. Uiteindelijk ontstaat uit de politieke impasse het wonderlijke kabinet-den Uyl, een coalitie van vijf partijen. De PvdA vormt de kern van dit kabinet. Qua samenstelling herinnert het aan de rooms-rode kabinetten, maar zeker niet qua inhoud. De PvdA is geen schim meer van de gedisciplineerde beweging onder Drees. Nieuw Links heeft veel invloed op de koers7. Onder Den Uyl worden de staats-uitgaven (staats-quote) structureel omhoog gedreven, onder andere via een expansie van de uitkeringen. De welvaartsstaat dreigt utopische vormen aan te nemen. De winsten van de ondernemingen kelderen. Binnen de vakbeweging ontstaan revolutionaire ambities. Het kabinet maakt zijn termijn net niet vol.

De periode 1977-1989

Gedurende de periode 1977-1989 wordt de Nederlandse welvaartsstaat hervormd. De na-oorlogse periode van grote economische groei en bloei is geëindigd na de sterke stijging van de olie-prijzen. De opgebouwde welvaartsstaat is te genereus voor het lagere groei-tempo. Bovendien heeft het kabinet-den Uyl de voorzieningen nog verder uitgebouwd. In 1982 raakt Nederland in een ernstige recessie, deels huis-gemaakt. Er zijn drie centrum-rechtse kabinetten nodig om de ernstigste schade te herstellen. Oorspronkelijk lukt dit nog slecht, wegens een groot maatschappelijk verzet. De mensen hebben moeite om te geloven, dat de gouden jaren echt voorbij zijn. De tabel 3 geeft een overzicht van deze regeringen, en van de verkiezingsresultaten (in %) van de betreffende partijen.

Tabel 3: kabinetten tussen 1977 en 1989
 kabinetcoalitie-partijenCDAPvdAVVDD66
1977-1981van Agt 1CDA-VVD3234185
1981-1982van Agt 2CDA-PvdA-D6631281711
1982-1982van Agt 3CDA-D66
1982-1986Lubbers 1CDA-VVD2930234
1986-1989Lubbers 2CDA-VVD3533176

De politieke situatie in 1977 is complex. De geradicaliseerde PvdA wekt verzet op bij de KVP, maar krijgt steun vanuit de ARP. Des al niettemin fuseren de KVP, ARP en CHU tot het CDA. De verkiezings-uitslag maakt een kabinet van PvdA en CDA voor de hand liggend. Echter, de verschillen zijn groot, en de PvdA onderhandelt slecht. Dit mondt ten slotte uit in de vorming van het centrum-rechtse kabinet-van Agt 1. Dit kabinet wil hervormen, maar wordt daarin geblokkeerd door een groepje dissidente eigen kamerleden. Na een kort intermezzo van het politiek verlamde kabinet-van Agt 2 nemen eindelijk de kabinetten Lubbers 1 en Lubbers 2 de hervormingen krachtig ter hand.

De twee kabinetten-Lubbers markeren een maatschappelijk kantelpunt. De persoonlijkheid van Ruud Lubbers, de premier, heeft het succes van deze kabinetten zeker bevorderd. Er treedt een nieuwe pleit-coalitie (advocacy) aan, die bereid is om ingrijpende maatregelen op de politieke agenda te plaatsen. Het beleid wordt gepuncteerd. Hoewel het nieuwe beleid liberaal is, baseert de uitvoering op pragmatisme. Al direct bij het aantreden van deze kabinetten, in 1982, vervangt ook de vakbeweging haar ideologische strijd door een meer zakelijke benadering. Dat alles maakt het beleid transparanter, en de empirische gegevens beter toegankelijk voor wetenschappelijke analyses.

De periode 1989-2002

De periode 1989-2002 wordt gekenmerkt door een pragmatisch en constructief beleid, dat leidt tot een groeiende welvaart. Sommigen spreken van een polder-model, wat overigens vooral verwijst naar het arbeids-overleg. In terugblik is de ontwikkeling wel beschreven als een Nederlands wonder. Opvallend is, dat alle grote Nederlandse partijen hebben deelgenomen aan dit succes. De ideologische verschillen nemen aanzienlijk af. Dit wordt gestimuleerd door de instorting van het Leninisme, tussen 1990 en 1992. Het geloof in socialistische planning is verdwenen. In deze periode besturen leiders zoals Clinton, Blair en Schröder met een sociaal-liberale koers. Zie de tabel 4 voor een overzicht van deze regeringen, en van de verkiezingsresultaten (in %) van de betreffende partijen.

Tabel 4: kabinetten tussen 1989 en 2002
 kabinetcoalitie-partijenCDAPvdAVVDD66
1989-1994Lubbers 3CDA-PvdA3532158
1994-1998Kok 1PvdA-VVD-D6622242015
1998-2002Kok 2PvdA-VVD-D661829259

Het kabinet-Lubbers 3 begint met hervormingen van de sociale zekerheid. Daarna wordt Lubbers als drijvende persoonlijkheid afgelost door Wim Kok, de voormalige vakbondsleider. Hij slaagt er in om de kabinetten-Kok 1 en Kok 2, waarin liberalen en sociaal-democraten samenwerken, tot een goed einde te brengen. Hoewel deze kabinetten gewoonlijk Paars worden genoemd, duiden de diverse blogs in de Gazet deze koers aan als het radicale midden. Centraal staan economische prestaties, werkgelegenheid ("Werk, werk, werk ..."), en een doelmatige publieke sector. De staats-begroting komt eindelijk weer in balans. De participatie van burgers wordt gestimuleerd. Toch is er een groeiende maatschappelijke onvrede, die vooral is gericht tegen de Europese Unie en de vrije migratie. Zij komt tot een politieke uitbarsting in de volgende periode.

De periode 2002-heden

De periode 2002-heden heeft nog weinig aandacht gekregen in de Gazet8. Nochtans is kennis van de moderne politiek onmisbaar voor het analyseren van de sociaal-economische ontwikkeling. De huidige paragraaf doet hiervoor een eerste aanzet. Sinds het begin van de huidige eeuw bloeien overal in Europa nationaal-conservatieve partijen op. Kennelijk slagen zij er in om bepaalde zorgen van het electoraat te verwoorden. Velen denken, dat hun ideeën geen voedingsbodem zullen vinden in Nederland. Maar vanaf 2002 breken zij toch door, en hebben sindsdien een aanhang van 10-15%. Voor alsnog zijn zij bestuurlijk een destabiliserende factor. Daarnaast krimpen de traditionele volkspartijen in, zodat het politieke spectrum fragmenteert. Voorts wordt in deze periode de aantasting van de atmosfeer van de aarde door emissies hoger op de agenda geplaatst. Dit vraagstuk schept een acuut energie-probleem.

Tabel 5: kabinetten tussen 2002 en 2020
 kabinetcoalitie-partijenCDAPvdAVVDD66PVVCULPF
2002-2003Balkenende 1CDA-VVD-LPF2815155-317
2003-2006Balkenende 2CDA-VVD-D662927184-26
2006-2006Balkenende 3CDA-VVD
2006-2010Balkenende 4CDA-PvdA-CU2721154-40
2010-2012Rutte 1CDA-VVD1420217153-
2012-2017Rutte 2PvdA-VVD925278103-
2017-hedenRutte 3CDA-VVD-D66-CU1262112133-

De tabel 5 toont een overzicht van de regeringen in deze periode, en van de verkiezingsresultaten (in %) van de betreffende partijen. In 2002 boekt een nieuwe partij, de Lijst Pim Fortuyn (afgekort LPF), een enorme en onverwachte verkiezings-winst. Tevens wordt Nederland opgeschrikt door de afschuwelijke politieke moord op Fortuyn. De LPF neemt deel aan het kabinet-Balkenende 1, maar stort in chaos zonder haar leider. Het kabinet valt snel. Gezien de verkiezings-uitslag ligt een coalitie CDA-PvdA voor de hand. Maar opnieuw onderhandelt de PvdA slecht. Daarom ontstaan ten slotte de centrum-rechtse kabinetten-Balkenende 2 en 3, aanvankelijk samen met D66. In Balkenende-4 is een coalitie van CDA en PvdA onvermijdelijk. Zij wordt aangevuld met de Christen-Unie (afgekort CU). In 2008 wordt het kabinet geconfronteerd met de mondiale banken-crisis. Het CDA lijdt een enorme verkiezings-nederlaag

In 2010 wordt de nationaal-conservatieve leegte, achtergelaten door de LPF, gevuld door de Partij voor de Vrijheid (afgekort PVV). Zij zegt steun toe aan het minderheids-kabinet Rutte 1. Maar de PVV is economisch linkser dan de LPF. Zij trekt haar gedoog-steun in, wanneer het kabinet wil bezuinigen. Het CDA verliest nogmaals bij de verkiezingen, en is geen volkspartij meer. Merk op, dat de CU hiervan niet profiteert. Dan treedt het kabinet-Rutte 2 aan, dat in essentie weer Paars is. Dit kabinet voert een herstel-beleid, dat nodig is wegens de crisis van staats-schulden in de euro-zone. Bij de verkiezingen verliest de PvdA nog erger dan tevoren het CDA, en wordt haast gedecimeerd. Ook deze partij verliest de status van volkspartij. Groen Links profiteert hiervan enigszins9. Het kabinet Rutte-3 is weer een christen-liberale coalitie, maar meer gefragmenteerd dan in de jaren 80 van de vorige eeuw10.

  1. Een dergelijke maatschappij beschikt over veel maatschappelijk of sociaal kapitaal. Maar tussen de diverse zuilen is er nauwelijks overbruggend (bridging) kapitaal. Daarom zit men opgesloten in de eigen zuil, en kunnen schaal-voordelen niet worden benut. (terug)
  2. In 1935 geeft de algemene raad uit NVV (socialistische vakbond) en SDAP de brochure Devaluatie pro en contra (N.V. De Arbeiderspers) uit. Op p.106-107 vermeldt het afsluitend: "Zouden wij dan een actie vóór devaluatie moeten gaan voeren? (...) Alleen al door zulk een actie zou men de internationale speculatie oproepen of versterken, ons crediet schokken en een kapitaalvlucht uitlokken of bevorderen. (...) Direct treedt dus een reeks nadelen op, waartegenover niet één voordeel staat. (...) Agitatie voor devaluatie biedt onze beweging echter geen enkel perspectief". Indertijd pleiten het NVV en de SDAP wel voor het Plan van de Arbeid, dat voorziet in grote staats-investeringen. Dit zou inflatie kunnen veroorzaken, en dan toch een devaluatie afdwingen. In de Verenigde Staten van Amerika worden investeringen gedaan door het New Deal project. Ook het fascistische Duitsland investeert grootschalig, en bestrijdt daarmee de werkloosheid. Direct na de Tweede Wereldoorlog zijn zulke projecten geprezen, als een vorm van Keynesianisme. Echter sinds de jaren 80 van de vorige eeuw is het Keynesianisme weer in diskrediet geraakt. Het houdt onvoldoende rekening met de menselijke cognitie, die mede baseert op verwachtingen. Als anecdote zij hier nog vermeld, dat Devaluatie pro en contra het stempel van het PSP aktiecentrum en Derde Wereldwinkel in Den Haag heeft, vermoedelijk uit de jaren 70 van de vorige eeuw. De brochure heeft kennelijk wonderlijke wegen afgelegd. Tenslotte kocht uw blogger het bij de helaas nu failliete Utrechtse boekhandel De rooie rat. (terug)
  3. Zie de blog over het protestantisme, waarin de verkiezings-uitslagen grafisch zijn weergegeven. Aanvankelijk blijft de achterban van de partijen nog zeer stabiel. Met ingang van de verkiezingen van 1967 stort de KVP rampzalig in. Maar ook de ARP en CHU vertonen een neerwaartse trend. Tegenwoordig, met CDA resultaten tussen 10% en 15%, kan men zich de vroegere christelijke dominantie nauwelijks meer voorstellen. De Nederlandse maatschappij is echt ingrijpend veranderd in een halve eeuw tijd. Merk echter op, dat in Duitsland CDU/CSU zich beter weten te handhaven. (terug)
  4. De deconfessionalisering wordt afgebeeld in een grafiek in de blog over protestantisme. De hervormde groep behoorde tot de meest vrijzinnige christenen, maar kent des ondanks (of juist daarom?) al een structureel geloofs-afval sinds 1900. Veel hervormden zijn al vroeg actief in de PvdA (hetzelfde geldt trouwens voor de Duitse SPD). Onder de katholieke en gereformeerde groepen is de maatschappelijke controle sterker, maar na 1970 krimpen ook zij sterk in, en de facto wellicht al eerder. Bij de socialisten kwijnt onder andere de vormings-beweging A.J.C. weg. Kenmerkend voor de nieuwe tijdgeest is, dat de eigen dagbladen van de partijen worden verzelfstandigd. Verbazend is ook de koers-wisseling van de gereformeerde omroep V.P.R.O., die voortaan normen van fatsoen wil doorbreken. (terug)
  5. In deze periode boekt de politieke cabaretier Wim Kan zijn grootste successen. Hij drijft de spot met de ministers van zijn tijd, en slaagt er in om boven de zuilen te staan. Belangstellende lezers kunnen citaten uit zijn voorstellingen vinden in enkele blogs. (terug)
  6. Er spelen twee kwesties. Men wil het bestel opener maken, zodat nieuwe omroepen toegang krijgen. En er wordt gestreden over de verdeling van de reclame-opbrengsten. De christelijke partijen verdedigen "hun" zendtijd tegen vrijzinnige concurrenten. Ook zijn zij nog steeds wat conservatief, en keuren eigenlijk de commerciële reclame op publieke zenders af. (terug)
  7. Men verwijt sociaal-democraten nogal eens, dat zij somber en klagerig zijn. Dat is wel zo. De beweging trekt veel mensen aan met een wrok tegen de wereld. Nieuw Links is bovendien gedomineerd door jongeren met een sterke persoonlijke machtslust. (terug)
  8. Uw blogger zoekt graag naar de historische wortels van ontwikkelingen, en heeft zijn tijd vooral daaraan besteed. Veel blogs uit de begintijd van de Gazet beschrijven de ideologische politieke strijd bij aanvang van de twintigste eeuw. Dat blijkt trouwens opnieuw in de huidige blog. Afgezien van enig inzicht in utopisme heeft de terugblik weinig leerzaams opgeleverd. (terug)
  9. De partij stijgt van 2% (3 zetels) in 2012 naar 9% (14 zetels) in 2017. Groen Links mag zelfs deelnemen aan het kabinet in plaats van de CU, maar haar partij-leden blokkeren deze stap. De teruggang van de sociaal-democratie is ook internationaal zichtbaar, in Duitsland en Frankrijk en wellicht in Engeland. (terug)
  10. In dit kabinet zijn de liberalen getalsmatig veel sterker dan de christen-democraten. Maar het moet nog worden afgewacht of deze ontwikkeling blijvend is. De VVD is electoraal nauwelijks gegroeid sinds de jaren 70, al zijn de resultaten in het laatste decennium wat bovengemiddeld. (terug)