Institutionele invloeden op de economie

Plaatsing in Heterodoxe Gazet Sam de Wolff: 8 oktober 2020

E.A. Bakkum is blogger voor het Sociaal Consultatiekantoor. Hij denkt graag na over de arbeiders beweging.

Sinds lang zoekt men naar de belangrijkste institutionele invloeden op de economie. Volgens het boek Politische Ökonomie moet men rekening houden met verdelings-coalities, de partij-politiek, concertatie, de structuur van het staats-bestuur, staats-interventies, politieke stabiliteit, en maatschappelijke binding. Hun invloed is empirisch getoetst. Diverse bronnen worden geraadpleegd om het inzicht in de genoemde instituties te vergroten. Voorts wordt een publicatie van het SCP onderzocht. En de oude Wet van Wagner over staats-expansie wordt toegelicht.

Modellen van beleidskeuze

De modellen van beleidskeuze kunnen worden verdeeld in vier categorieën1. Allereerst wordt nagegaan of een model kwalitatief of kwantitatief is. Kwalitatieve modellen zijn een historische beschrijving, aangevuld met subjectieve generalisaties van de analist (categorie I). Deze aanpak is populair in de sociologie en in de bestuurskunde. Zulke modellen geven inzicht in het proces van beleidskeuze, maar zijn slecht bruikbaar voor het doen van voorspellingen. De drie andere categorieën bestaan uit kwantitatieve modellen. Zij baseren op respectievelijk simulaties, formules of statistische analyses. De categorie van simulatie-modellen gebruikt bijvoorbeeld experimenten op basis van de spel-theorie om de realiteit na te bootsen (II). Dit is een ad-hoc benadering.

De categorie van modellen op basis van formules wil de logica van de situatie weergeven (III). De analist neemt aan, dat er algemene regels gelden. De benadering is ex ante, zodat het model de beleidskeuze kan voorspellen. Deze categorie is zeer abstract, en zal vaak belangrijke beleids-factoren of instituties negeren2. De categorie van modellen op basis van een statistische analyse inventariseert de belangrijke beleids-factoren (IV). Elk van deze N factoren wordt omgezet in een indicator, die wordt opgevat als een onafhankelijke variabele Vn. De empirisch waargenomen beleidskeuze K is afhankelijk van de (empirische) waarden van deze variabelen. Ook K wordt omgezet in een indicator, die echter afhankelijk is. Aldus ontstaat de formule

(1)     K = Σn=1N  αn × Vn

Hier zijn de αn parameters, en hun waarde wordt geschat in een statistische analyse. Dien ten gevolge is de benadering ex post. Als een variabele Vn niet relevant is voor de beleidskeuze K, dan zal de gevonden waarde van αn statistisch onbetrouwbaar zijn3. De formule 1 heeft een zekere algemene geldigheid, namelijk voor de verzameling van onderzochte situaties. Wellicht is zij ook toepasbaar op andere situaties, die een gelijkenis hebben met de onderzochte situaties. In die zin zijn voorspellingen mogelijk met modellen op basis van een statistische analyse. De formule 1 geeft echter weinig inzicht in het proces van de beleidskeuze.


Actor-institutie theorie

Geen enkele categorisatie is perfect. In 1977 introduceerden Crozier en Friedberg in het boek L'acteur et le système een theorie, die het strategische gedrag van actoren plaatst in een systeem4. In beginsel is de uitkomst van een systeem deterministisch. Echter de actoren hebben altijd enige vrijheid van handelen, en maken daardoor de uitkomst onzeker. Deze theorie is niet goed inpasbaar in de zonet genoemde vier categorieën. Hoewel er enige verwantschap is met de categorie II (simulatie), vormt zij kennelijk toch een aparte categorie V. Later is deze theorie verder uitgewerkt door E. Ostrom (institutionele analyse) en F. Scharpf (actor-gericht institutionalisme). Ook het advocaten- of pleit-coalitie kader (advocacy) en de puncterende evenwichts-theorie (PET) kunnen tot deze vijfde categorie worden gerekend.


Institutionele invloeden op de economie (Politische Ökonomie)

Een voorgaande blog heeft uitgelegd, dat instituties bepalen hoe de maatschappij functioneert. Daar wordt ook opgemerkt, dat de structuur van de staat vorm krijgt in instituties. Speciale aandacht is besteed aan de grondwettelijke structuur, het politieke systeem, en de acties van belangen-groepen. De huidige blog wil de meest essentiële instituties meer in detail analyseren. Daarbij wordt geput uit het boek Politische Ökonomie (afgekort PO)5. Idealiter zorgen instituties, dat de burgers optimaal kunnen presteren. Goede prestaties leiden tot een hoge economische groei van het bruto binnenlands product (BBP). Daarom is het interessant om te onderzoeken, welke instituties significant inwerken op de ontwikkeling van het BBP. Het vervolg somt een rij van zulke mogelijke invloedsfactoren op. De auteurs van PO hanteren modellen op basis van een statistische analyse (formule 1). Dien ten gevolge zijn de invloedsfactoren de variabelen Vn in hun model.

Foto van spotprent Colijn
Figuur 1: Spotprent Colijn (1924)
   Bron: J. van der Hem in HP

Verdelings-coalities

Verdelings-coalities zijn (coalities van) belangen-groepen, die rente zoeken bij de staat. Dit gaat gepaard met onproductieve investeringen in pressie. Bovendien pleit de pressie nogal eens voor bescherming tegen concurrentie. Aldus kan de economische groei worden ondermijnd (p.118, 304 in PO). De commerciële lobby, de publieke sector, boeren-organisaties, en de vakbeweging drijven de staatsschuld op (p.306)6.

Partij-politiek

Een voorgaande blog merkte op, dat politieke partijen twee doelen hebben: zij maken propaganda voor een bepaalde ideologie, en zij willen betaalde functies verwerven voor hun leden. Zij kunnen hun doelen enkel bereiken, wanneer zij er in slagen om voldoende kiezers te binden. Natuurlijk wil bijna elke partij economische groei realiseren (p.119). Maar toch zijn er grote verschillen. Rechtse partijen willen de belastingen laag houden (p.120). Linkse partijen willen de inkomens herverdelen, onder andere via de publieke voorzieningen (p.120, 330 en verder). Daarom is toch denkbaar, dat de ideologie effect heeft op de economische groeivoet.

Concertatie

Sommige staten hebben een traditie van geregeld overleg tussen de regering, de verbonden van ondernemers, en de vakbeweging (p.122 en verder). Dit wordt wel neo-corporatisme genoemd, maar wellicht is concertatie hier een betere uitdrukking7. Concertatie zou de lonen kunnen matigen, en de arbeidsvrede kunnen aanmoedigen, zoals het vermijden van stakingen (p.99 en verder, p.166). Zulke effecten kunnen de economische groei bevorderen. Anderzijds wordt wel beweerd, dat concertatie leidt tot traagheid in de besluitvorming (p.165). Dan kan de staat niet snel en daadkrachtig reageren de economische ontwikkelingen. Dat belemmert de groei. Concertatie kan verlopen via het afsluiten van centrale akkoorden. Maar ook een informele concertatie is denkbaar, zoals in Oostenrijk of Noorwegen (p.158).

Structuur van het staats-bestuur

De structuur van het staats-bestuur kan invloed uitoefenen op de economische prestaties (p.123 en verder). Een belangrijke factor is het kies-systeem. In het meerderheids-systeem (plurality) levert elk kies-district één lid van het parlement. Dan zal gewoonlijk één van de partijen een parlementaire meerderheid verwerven. Die partij kan dan een één-partij regering vormen. De partij kan haar programma uitvoeren, zonder rekening te houden met andere partijen8. In het evenredige systeem (proportional) zal dat gewoonlijk niet lukken, zodat de regering afhankelijk is van een partij-coalitie. De noodzaak van coalitie-vorming prikkelt de partijen om zich harmonieus te gedragen, en te zoeken naar compromissen en consensus. Er wordt wel verondersteld, dat dit gunstig is voor de groeivoet. Maar het zou ook kunnen leiden tot besluiteloosheid, en tot stagnatie9.

Een andere structurele factor is de spreiding van de beslissings-macht (p.124). Als er veel veto-spelers zijn, dan zal het beleid zeer stabiel zijn10. Ook hier is het effect op de groeivoet onduidelijk (p.165). Hetzelfde geldt voor een federale structuur, die eveneens leidt tot machten-spreiding. Bovendien kan de federatie prikkelen tot wedijver tussen de lidstaten (p.72)11. Soms legt de grondwet grenzen op aan het opnemen van staats-kredieten. Aldus wordt voorkomen, dat de staatsschuld ontspoort (p.304, 306).

Staats-interventies

Direct na de Tweede Wereldoorlog werd alom het Keynesianisme aangeprezen als het instrument, waarmee de staat kan bijsturen in de economie. De economische conjunctuur zou kunnen worden getemperd. Daarom hebben de meeste staten hun staatsquote verhoogd (zie p.124 en verder). Helaas bleek het Keynesianisme zijn belofte niet waar te maken. Sindsdien is ook de hoge staatsquote het onderwerp van kritiek geworden (p.133). Staats-interventies hangen enigszins samen met de partij-politiek. Namelijk, het wordt algemeen aangenomen, dat linkse regeringen meer neigen naar Keynesianisme dan rechtse regeringen (p.165). Men zou vermoeden, dat daarom linkse regeringen veel schulden maken. Maar rechtse regeringen neigen naar belasting-verlagingen, en ook die kunnen schulden veroorzaken (p.302, 307, 310)!

Politieke instabiliteit

Politieke instabiliteit kan de maatschappelijke ontwikkeling minder voorspelbaar maken (zie p.126). De ondernemers verkeren in onzekerheid over hun toekomstige winsten. Dat ontmoedigt het ondernemen, en remt daarom de economische groei af. Anderzijds moet de staat zich natuurlijk wel aanpassen bij wijzigende omstandigheden. Instabiliteit is vooral schadelijk, wanneer zij de maatschappij ontregelt. In moderne staten is dat zelden het geval12. Voorts wordt wel verondersteld, dat politieke instabiliteit leidt tot hoge staatsschulden (p.303). Elke regering probeert de steun van de kiezers te kopen, en negeert de effecten voor de lange termijn. Soms wordt concertatie gezien als de tegenpool van politieke instabiliteit, maar dat vindt uw blogger nogal vergezocht (p.305).

Maatschappelijke binding

Een variatie op de politieke stabiliteit is de maatschappelijke binding (p.164). Als de burgers zijn ingebed in allerlei groepen, dan bestaan er platforms voor het sluiten van compromissen bij conflicten. Het wederzijds vertrouwen neemt toe. Dit aspect wordt wel uitgedrukt als het maatschappelijke of sociale kapitaal. Merk echter op, dat sociaal kapitaal niet per se goed is. Groepsvorming kan ook leiden tot exclusie. Dan gaan de groepen elkaar bestrijden, wat de nationale instabiliteit vergroot. Sociaal kapitaal kan zich uiten in de vorming van belangen-groepen en verdelings-coalities, maar dat hoeft niet. Bijvoorbeeld zijn ook religieuze organisaties en jongeren-verenigingen een vorm van sociaal kapitaal.

Belasting-stelsel

Hoge premies voor de sociale zekerheid en hoge loon-belastingen veroorzaken een loonwig (p.168). Dit vermindert de werkgelegenheid, vooral voor de laagste inkomens13. Daarmee tasten zij eveneens de economische groei aan. Een eerdere blog heeft al opgemerkt, dat belastingen de efficiëntie van de maatschappij verlagen, wegens het dode gewicht verlies.

Demografie

De demografie is niet direct een institutie, al wordt zij natuurlijk wel bepaald door de opvattingen over kinder-rijke gezinnen. Vergrijzing is ongunstig voor de economie, omdat bejaarden niet productief zijn (p.313). Bovendien veroorzaken zij hoge kosten voor de zorg. Als zij veel politieke macht hebben, dan zullen zij hun kosten afwentelen op latere generaties (p.303). Dan kunnen de latere generaties zelf minder investeren.


Empirische resultaten

De auteurs in Politische Ökonomie laten zien, dat verschillende oudere empirische studies tegengestelde resultaten opleveren inzake de invloed van instituties op de economie. Bijvoorbeeld concluderen sommige vergelijkingen tussen OESO staten, dat de concertatie van de staat en de sociale partners een stimulans is voor economische groei. Maar andere studies vinden hiervoor geen empirische aanwijzingen (p.130 en verder, p.166). Evenzo verschillen empirische studies van mening over het effect van een hoge staatsquote (p.133). Het is natuurlijk verontrustend, dat onderzoekers verschillende conclusies trekken uit dezelfde statistische gegevens. Deels lijkt de verklaring te liggen in een verschillende selectie van OESO staten in het onderzoek. Ook is er onenigheid over de onafhankelijke variabelen, die per se moeten worden meegewogen om zinvolle resultaten te krijgen. Voorts moet eigenlijk rekening worden gehouden met de internationale vervlechting (p.159).

Figuur van Parool kwartetkaart
Figuur 2: Parool kwartet
   Bron: F. Behrendt

Wegens deze chaos van empirische studies hebben de auteurs van PO besloten om hun eigen studies uit te voeren. Het vraagstuk van de economische groei wordt behandeld in hoofdstuk 4 van PO. Overigens kan men de invloed van instituties ook onderzoeken voor bijvoorbeeld de werkloosheid (hoofdstuk 5), de inflatie (hoofdstuk 6), de belastingen (hoofdstuk 9), de staats-schulden (hoofstuk 10), en de sociale zekerheid (hoofdstuk 12). Deze variabelen hangen deels samen. Bijvoorbeeld is economische groei gewoonlijk gunstig voor de werkgelegenheid en voor de belasting-inkomsten. Hoge belasting-inkomsten kunnen de staats-schuld verminderen. De huidige paragraaf vat hun conclusies samen met betrekking tot de economische groei, de werkloosheid, en de staatsschuld.

Het model in Politische Ökonomie behoort tot de categorie IV. Sommige variabelen Vn zijn direct empirisch beschikbaar. Andere variabelen moeten kunstmatig worden gecreëerd. De verdelings-coalities worden gemodelleerd met de index van groeps-pluralisme, die is ontwikkeld door de Nederlandse bestuurskundige A. Lijphart (p.149 en 161 in PO). De mate van corporatisme wordt gemodelleerd met de Siaroff-index (p.149 en 161). Het kies-stelsel (deel van de staats-structuur) wordt gemodelleerd met de consensus- of concordantie-index, die eveneens is ontwikkeld door Lijphart (p.149 en 161).

Economische groei

Op p.134 en verder in OP wordt de correlatie onderzocht van de economische groei met een aantal institutionele factoren, voor 21 OESO staten in de periode 1960-1998. Het blijkt, dat de groei enkel significant afhangt van de omvang van het BBP in 1960. Met andere woorden, relatief arme moderne staten profiteren van een inhaal (catch-up) effect (p.137). Allerlei politieke en bestuurlijke variabelen, die zijn afgeleid van de zonet besproken institutionele invloeds-factoren, blijken geen significant effect te hebben!14

Werkloosheid

Op p.159 en verder in OP wordt de correlatie onderzocht van de werkloosheid met een aantal institutionele factoren, voor 22 OESO staten in de periode 1990-2000. Het blijkt, dat de werkloosheid niet significant afhangt van de beschouwde institutionele factoren (zelfs niet op het 5% niveau van betrouwbaarheid)! De factoren omvatten onder andere de politieke ideologie van de regering, de concertatie, het aantal veto-spelers, het niveau van de uitkeringen, de organisatie-graad van de beroeps-bevolking, en de ontslagbescherming. De studie vindt wel een correlatie tussen de loonwig en de werkgelegenheid (arbeids-vraag), maar niet tussen de loonwig en de werkloosheid (p.168).

De staatsschuld

Staatsschulden kunnen ontstaan door rendabele investeringen, en bevorderen dan de economie. Maar zij kunnen ook worden gebruikt voor pot-verteren. En zij drijven de rentevoet op, wat schadelijk is voor de economie (p.296). Omgekeerd leidt economische groei tot een vermindering van de uitkeringen, en dus tot een lagere staatsschuld (p.305). Op p.308 en verder in OP wordt de correlatie onderzocht van de staatsschuld met een aantal institutionele factoren, voor 21 OESO staten in de periode 1960-1999. Begrotings-tekorten blijken in ieder geval te correleren met economische factoren, met name met de werkloosheid en met de (afwezigheid van) economische groei (p.314). Hetzelfde geldt voor de handelsbalans, en (nogal logisch) voor de rentevoet op de lange termijn (p.316-317).

Het blijkt, dat de staatsschulden ook significant afhangen van diverse institutionele factoren (zelfs op het 1% niveau van betrouwbaarheid). Rechtse regeringen blijken significant meer schulden te maken dan linkse (p.310). De vergrijzing, institutionele veto-spelers, en rechtse regeringen vergroten het begrotings-tekort (p.314-315). Constitutionele grenzen aan lenen verminderen het tekort (p.317). Maar de schuld blijkt niet af te hangen van het type kies-systeem (proportioneel of meerderheids-gericht) (p.309).

Evaluatie

Het boek Politische Ökonomie presenteert empirische studies over de wisselwerking tussen de nationale instituties en de economie. De resultaten suggereren, dat instituties onbelangrijk zijn voor de economische prestaties, zoals de groei en de werkgelegenheid. Echter, de staatsschuld wordt significant beïnvloed door de partij-politiek en door institutionele veto-spelers. Dit is enigszins wonderlijk, omdat de schuld ook correleert met de groei en met de werkloosheid. Kennelijk gaan ergens in deze causale keten de correlaties verloren. Anderzijds is de staatsschuld minder belangrijk dan het lange-termijn gedrag van de groei en de werkloosheid.

De conclusie, dat instituties niet inwerken op de economische prestaties, is natuurlijk weinig geloofwaardig. Kennelijk is de grootschalige analyse van tientallen staten gedurende tientallen jaren toch nog onvoldoende nauwkeurig om de invloed van instituties te meten. Zonet is al geconstateerd, dat oudere studies zelfs tot tegenstrijdige resultaten komen bij het meten van de invloed van institutionele factoren. Wellicht hangen de onafhankelijke variabelen Vn op een complexe manier samen. Voorts mag in vele gevallen het strategische gedrag van de actoren, zoals in de modellen van categorie V, niet worden verwaarloosd bij de empirische analyse. De actor-institutie analyse is echt nodig. De theorie van de categorie IV is te deterministisch15. Uw blogger constateert met enige spijt, dat het kennelijk voorlopig beter is om afzonderlijke casussen te analyseren. Immers, zij kunnen aandacht besteden aan allerlei details en eigenaardigheden.


Aantekeningen bij institutionele invloeden (andere bronnen)

In het vervolg worden kanttekeningen gemaakt bij de beweringen van Politische Ökonomie over de institutionele invloeden. Hierbij worden diverse bronnen geraadpleegd.

Verdelings-coalities

Op p.129 in PO wordt de verwachting uitgesproken, dat verdelings-coalities schadelijk zijn voor de maatschappij. De Gazet heeft al vele malen gepubliceerd over belangen-groepen, en concludeerde, dat hun nuttigheid omstreden is. Zij kunnen een stem geven aan de burgers (voice), en maken dan behoeften zichtbaar. Inderdaad noemt de socioloog Putnam de groeps-vorming een sociaal kapitaal. Volgens J.K. Galbraith moet er steeds een machts-balans zijn (countervailing power). Maar het is ook denkbaar, dat bepaalde groepen zich beter organiseren dan andere. Deze visie is verdedigd door M. Olson. Politici zijn geneigd om zich te verbinden met belangen-groepen. Daarom zullen de georganiseerde groepen extra gunsten krijgen van de staat16. Zo een situatie is onbillijk, en zou moeten worden vermeden. Men zou willen, dat verdelings-coalities enkel actief worden, wanneer de maatschappelijke moraal wordt geschonden17.

Individuele actoren willen hun eigen belang bevorderen door zich aan te sluiten bij een belangen-groep of verdelings-coalitie. Dit proces is gemodelleerd in een eerdere blog. Vervolgens moet de coalitie of groep het persoonlijke belang van de politici aanspreken. De meeste modellen veronderstellen, dat de groep geld of informatie doneert aan sommige geestverwante politici. Dit is het bekende rente zoeken, althans wanneer het geen algemeen belang dient. Noord-Amerikaanse onderzoekers hebben vooral de donaties aan de verkiezings-fondsen van politici diepgaand bestudeerd. Zij konden niet onomstotelijk empirisch bewijzen, dat donaties invloed hebben op de standpunten van politici18. Maar de belangen-groep of coalitie denkt natuurlijk van wel, want anders zou zij haar activiteit staken. De aanwezigheid van belangen-groepen toont vrij overtuigend aan, dat hun acties het gedrag van de politici in enigerlei mate beïnvloeden.

De meeste empirische studies van verdelings-coalities zijn Noord-Amerikaans. Zij nemen aan dat wordt gekozen in een districten-stelsel op basis van de meerderheid (plurality), waarbij één kandidaat de regionale verkiezing wint. Het blijkt dat de zittende kandidaat veel meer kans heeft om te winnen dan zijn uitdager. De zittende kandidaat is al bekend bij de kiezers, en beschikt al over campagne-fondsen19. Politici moeten kennelijk rekening houden met twee factoren: de belangen van hun electorale achterban, en de belangen van de persoonlijke donoren20. Zij moeten voldoende draagvlak en steun verwerven.

Als de verdelings-coalitie informatie verspreidt, dan probeert zij om de politici te overtuigen. Informatie is waardevol, zowel voor de politici als voor het electoraat. Maar het verstrekken van informatie veroorzaakt natuurlijk kosten voor de coalitie. Als de belangen van verschillende verdelings-coalities botsen, dan zullen zij met hun informatie vechten om in de de gunst te komen bij de politiek en het electoraat. Dan kan zich zelfs de situatie voordoen, dat alle informatie niets wijzigt in de politieke standpunten. Alle moeite van de coalities is voor niets! Maar sommige verdelings-coalities zijn beter georganiseerd dan andere, en kunnen dan via de politiek gunsten realiseren voor zichzelf. In feite is het overtuigen via informatie natuurlijk een strijd om de beleids-agenda te bepalen. Dit thema is recent onderzocht in de Gazet (modellen van een barrière, puncterend evenwicht, of drie stromen).

Er bestaan natuurlijk tal van verdelings-coalities. Het zal de lezer niet verbazen, dat de Gazet ook hier speciale aandacht geeft aan de vakbeweging. Zij bereikt het hoogtepunt van haar macht in de jaren 70 van de vorige eeuw. Vakbonden proberen het monopolie op arbeid te veroveren. In de Angelsaksische staten komen er inderdaad zogenaamde closed shops21. Ten minste moet de organisatie-graad hoog zijn. Op die manier willen de vakbonden het loon verhogen tot boven het markt-niveau22. Zij trekken deze rente uit de winst en uit de ongeorganiseerde sectoren. In de Angelsaksische staten is de loonkloof door organisatie tussen 10% en 20%23. Bovendien is empirisch vastgesteld, dat de organisatie door de vakbond gewoonlijk leidt tot een lagere productiviteit24. En georganiseerde ondernemingen investeren minder dan de andere25. Zij maken uiteraard ook minder winst.

Kennelijk gaat de organisatie van ondernemingen door de vakbeweging gepaard met een afremming van de groei van de materiële welvaart. Daarvan profiteren de vakbondsleden, die een relatief hoog loon krijgen, en minder werkdruk. Als de economische groei te zeer wordt aangetast (zoals in Nederland in de late jaren 70 van de vorige eeuw), dan zullen natuurlijk ook de bondsleden hieronder lijden. Zij krijgen dan wel nog steeds meer loon dan de ongeorganiseerden.

Partij-politiek

In het boek Politische Ökonomie wordt de ideologie gemeten als een links-rechts tegenstelling. De empirische gegevens laten geen invloed zien van de ideologie van de regering op economische groei of op werkgelegenheid. Intuïtief is de irrelevantie begrijpelijk. Bijvoorbeeld, het linkse beleid van de Fransman Mitterrand verschilde totaal van het linkse beleid van de Engelsman Blair. Dit alles suggereert, dat de doorslag voor goede prestaties wordt gegeven door de strategie, die de regerende partijen kiezen. Vermelding verdient nog, dat een regering de speelruimte van een later kabinet kan inperken. Bijvoorbeeld, wanneer de regering de staatsschuld sterk vergroot, dan zal een volgende kabinet moeten bezuinigen. De opvolger wordt voor een voldongen feit geplaatst26. Het is onbekend, in hoeverre deze taktiek werkelijk wordt gehanteerd, en gevolgen heeft.

De Gazet heeft zich in het verleden ingespannen om de invloed van partij-politiek meetbaar te maken. Met name is gepoogd om de erfenis van de kabinetten van het radicale midden te analyseren. Zulke kabinetten regeerden in de Verenigde Staten van Amerika, Nederland, Engeland en Duitsland gedurende zeven of meer jaren, tussen 1992 en 2010. Een blog van drie jaren terug vergeleek tijdreeksen van de groei, staatsschuld, werkgelegenheid van vrouwen, en langdurige werkloosheid. Een statistische analyse bleef achterwege. Het blijkt, dat de groeivoet wordt gedomineerd door de conjunctuur. De staatsschuld reageert op de conjunctuur, en op de komst van de Euro zone. De werkgelegenheid van vrouwen is vooral cultureel bepaald. De indicator voor langdurige werkloosheid vertoont evenmin een ideologie-effect.

Een andere blog vergeleek de groei, de werkgelegenheid, de kosten van werkloosheid, de participatie van ouderen, de arbeids-productiviteit, en de investerings-quote in vijf Europese staten (Nederland, België, Duitsland, Engeland, Zweden). Ook hier ontbreekt een statistische analyse. Deze tijdreeksen laten evenmin zien, dat de regeringen van het radicale midden betere resultaten boekten dan andere. Aldus verklaart de conclusie uit Politische Ökonomie nu alsnog, waarom de tijdreeksen in de Gazet geen politieke effecten vertonen. Uw blogger is voornemens om ook ooit uitgebreide statistische analyses van tijdreeksen te doen, net zoals in Politische Ökonomie.

Concertatie

Concertatie is een overleg tussen ondernemingen en werkers (bipartiet), zo nodig aangevuld met de staat (tripartiet). Op p.130-131 in PO werd de verwachting uitgesproken, dat concertatie leidt tot betere economische prestaties. Maar ook concertatie is natuurlijk niet per se goed of slecht. Concertatie is gunstig, wanneer alle betrokken groepen verstandig zijn, en een realiteits-besef hebben. Eventueel kan de staat de groepen voorzien van objectieve informatie. Concertatie is schadelijk, wanneer de betrokken groepen laks zijn, en aanpassingen van beleid aan de werkelijkheid afwijzen27. Ook is het schadelijk, wanneer de staat te rigoreus en dwangmatig plannen wil uitvoeren. De ervaring leert, dat marktkrachten vaak niet kunnen worden onderdrukt28. Kennelijk bepalen de gekozen strategieën van de actoren, of concertatie wenselijk is. Het nu volgende model illustreert de denkbare conflicten.

De verbonden van ondernemers en werkers zijn geneigd om zichzelf te bevoordelen op kosten van de niet-georganiseerde groepen. Zij scheppen negatieve externaliteiten voor de maatschappij als geheel. Een bekend voorbeeld is de tweedeling van de arbeidsmarkt. Ondernemingen hebben een vaste kern van werkers met goede arbeids-voorwaarden. De kern is gewoonlijk sterk georganiseerd, en bewaakt zijn eigen belangen. De schommelingen in de bedrijvigheid worden opgevangen door flex-werkers met matige arbeids-voorwaarden29. Concertatie is een poging van de staat om de verbonden te wijzen op het algemeen belang. Idealiter zorgt de concertatie, dat de verbonden het algemeen belang verinnerlijken. Maar het is twijfelachtig of dit haalbaar is. Immers, de belangen van de werkers zijn deels onderling strijdig30. Bovendien kunnen de ondernemers en werkers de concertatie misbruiken om hun kosten af te wentelen op de staat31.

Figuren van verschuivingen op de arbeidsmarkt
Figuur 3: verschuiving van arbeid tussen sectoren
   (3a) 2 ongeorganiseerde sectoren;
   (3b) sector 1 is georganiseerd

Het probleem van de vakbeweging als een pressie-groep kan worden geïllustreerd met een verrassend simpel formeel model32. Beschouw een economie met twee sectoren k=1 en 2. Stel er zijn N werkers, die zijn verdeeld over de twee sectoren. De waarde van het grensproduct is WMPk(n) voor werker n in sector k. Bij een vaste voorraad van kapitaal-goederen daalt WMP met n, zoals is weergegeven in de groene en rode lijnen in de figuur 3a. In de afwezigheid van een vakbeweging leidt de arbeidsmarkt tot een uniform loonpeil w0. Men kan uit de figuur 3a aflezen, dat de sector k=1 dan n1 werkers heeft, en de sector k=2 heeft er n2 (met n1 + n2 = N).

Stel vervolgens, dat de werkers in sector 1 zich verenigen in een vakbond. Wegens het monopolie op arbeid kan de bond het loon opdrijven naar w1. Zie de figuur 3b. Dit dwingt de ondernemingen in de sector 1 om de minst productieve werkers te ontslaan, zodat er m1 overblijven (met m1 < n1). De ontslagen werkers moeten noodgedwongen een baan nemen in de sector k=2, zodat daar het aantal werkers groeit naar m2 = N − m1. Blijkens de figuur 3b daalt het loon in sector 2 naar w2 (beneden w0). De werkers in sector 1 buiten als het ware die in sector 2 uit33. Hierdoor daalt de totale maatschappelijke welvaart. Immers de n1 − m1 verplaatste werkers produceerden oorspronkelijk waarde ter grootte van het licht-groene vlak in de figuur 3a. Na de verplaatsing is de waarde van hun productie kleiner, namelijk het licht-rode vlak in figuur 3b. Er is een dood-gewicht verlies van welvaart. De economie wordt minder efficiënt.

Het model benadrukt de belangen-tegenstellingen van de ondernemers, de werkers (ook onderling), en de staat. De staat wil, dat de economie zo efficiënt mogelijk is. Wellicht heeft hij ook voorkeuren inzake de verdeling van inkomens. Wegens de vakbond verliezen de ondernemingen in de sector 1 een deel van hun netto inkomen (na aftrek van de loonsom). De ondernemingen in de sector 2 profiteren juist, omdat hun netto inkomen stijgt. Afhankelijk van de economische structuur kan deze stijging zelfs het verlies van de ondernemers in de sector 1 compenseren. Bij zoveel strijdige belangen is onzeker of de concertatie zal leiden tot een verstandig compromis.

De ervaringen van Nederland illustreren de problemen met concertatie. De Stichting van de Arbeid en de SER zijn unieke instituties voor concertatie. Maar zij floreerden enkel tijdens de weder-opbouw direct na de Tweede Wereldoorlog. Er wordt wel beweerd, dat dankzij deze periode er een cultuur van harmonie is opgebouwd op de Nederlandse arbeidsmarkt34. Anderzijds is sinds de jaren 80 van de vorige eeuw het overleg over de arbeids-voorwaarden gedecentraliseerd35. Er is behoefte aan flexibiliteit voor aanpassing aan de omgeving. Ook wordt gepleit voor het primaat van de politiek, die zich niet formeel afhankelijk moet maken van deel-belangen36. De staat heeft een eigen verantwoordelijkheid om toe te zien op de maatschappelijke actoren. Men heeft niet per se instituties nodig voor een realistisch maatschappelijk overleg. Het kan ook informeel.

Structuur van het staats-bestuur

In het kies-systeem op basis van de meerderheid (plurality) zullen gewoonlijk twee partijen dominant worden37. Zij positioneren zich direct ter linker- en rechter-zijde van de mediane kiezer. Het verkiezings-resultaat maakt meestal een één-partij regering mogelijk. Dat maakt haar bijzonder stabiel. Echter in dit systeem zijn de kiezers, die stemmen voor een kleinere partij, niet vertegenwoordigd in het parlement. Dat schept maatschappelijke onvrede38. Het proportionele stelsel bevordert de aanwezigheid van een groter aantal partijen van diverse omvang. Elke partij boven de kiesdrempel komt in het parlement. Dan moet de regering meestal steunen op een coalitie van partijen. Naarmate het aantal partijen in de coalitie groter is, blijkt empirisch de regering gemiddeld minder stabiel te worden39. Trouwens, ook een toenemende diversiteit in de regering blijkt de instabiliteit te bevorderen. Maar in dit systeem zijn alle kiezers wel parlementair vertegenwoordigd.

Voor het federalisme zal hier vooral het boek Neue Institutionen-ökonomik (afgekort NI) worden geraadpleegd40. Regionale bestuurs-eenheden kunnen samenwerken in een federatie. Dit leidt tot een spreiding van macht op twee manieren. Zij is verticaal, te weten tussen de diverse bestuurs-lagen. De bestuurs-lagen strijden ondeling om de verdeling van bestuurs-taken. Met andere woorden, de federatie is niet louter hiërarchisch. Maar de machtsdeling is ook horizontaal, zoals in de trias politica (p.478 in NI). De wetgeving, de uitvoering en de rechtsspraak worden institutioneel gescheiden. En de machtsdeling binnen een bestuurs-laag, bijvoorbeeld tussen de gemeenten of lidstaten, is eveneens horizontaal. Elke bestuurs-eenheid heeft enige eigen autonomie. Het federale systeem is tamelijk decentraal. Het bevordert de regionale zelf-organisatie (beginsel van subsidiariteit) (p.462 in NI). En het moedigt wedijver tussen de bestuurs-eenheden aan (p.409, 486).

Wedijver tussen bestuurs-eenheden vergroot de invloed van de burgers. Immers, de burgers kunnen de prestaties van hun eenheid vergelijken met de prestaties in andere eenheden. Als hun eenheid slecht functioneert, dan kunnen de burgers vertrekken (exit). Het ligt voor de hand, dat het bestuur de exit wil verhinderen. Concreet, het bestuur wil de optimale bevolkings-omvang bestendigen (p.412). Aldus krijgt het bestuur een prikkel om beter te presteren. Voorts kunnen de burgers protesteren tegen slechte prestaties, via verdelings-coalities of desnoods tijdens de verkiezingen (voice) (p.415). Overigens is de invloed van de exit en voice omstreden. Immers, de burgers moeten kosten maken om informatie te verzamelen (p.420 en verder). Bij een exit verliest de actor zijn netwerk (p.424 en verder). Des al niettemin worden exit en voice opgevat als een vorm van persoonlijke grondrechten (p.459). Zij worden vastgelegd in de grondwet.

Als ook de belastingen worden gedecentraliseerd, dan worden de kosten en baten van beleid gedragen door dezelfde groep. Dit heet het equivalentie- of profijt-beginsel (p.460, 488). De zwakte van de federatie heeft potentieel ook nadelen. Soms wordt de productie van publieke voorzieningen goedkoper, wanneer zij centraal gebeurt (p.436). De bestuurs-eenheden doen er dan verstandig aan om deze productie op te dragen aan de federatie (hogere bestuurs-laag) (p.437). Wegens de relatieve autonomie van de eenheden veroorzaakt de overdracht van productie coördinatie-kosten (p.449). De coördinatie kan bestaan uit een federaal parlement, waarin de regionale bestuurs-eenheden (zeg, lidstaten) zijn vertegenwoordigd41. Zij nemen besluiten via een meerderheids-systeem. Dit biedt aan de lidstaten de mogelijkheid om coalities te vormen. De parlementaire minderheid kan worden uitgebuit.

Een ander voordeel van de federatie is, dat er rekening kan worden gehouden met de externe effecten van het beleid in de lidstaten42. Een positieve externaliteit van een lidstaat wordt wel een spill-over genoemd. De federatie kan zo een spill-over aanmoedigen door een subsidie te verstrekken aan de lidstaat. Denk aan de aanleg van wegen, of zelfs aan onderwijs. Empirisch blijkt dat federaties, zoals de Verenigde Staten van Amerika of zelfs de Europese Unie, inderdaad vaak het beleid van lidstaten subsidiëren. De subsidie is niet optimaal voor de ontvangende lidstaat, omdat diens bevolking waarschijnlijk de subsidie deels anders zou willen besteden. In ieder geval is de bureaucratie van de lidstaat geneigd om zelf de subsidie uit te geven. Zij zal de subsidie zelden gebruiken voor lasten-verlichting. Dit verschijnsel heet het fly-paper (vliegen-vanger?) effect43. Aldus drijven subsidies gewoonlijk de uitgaven van de federatie op.

Voorts is een federatie een verzekering van de lidstaten tegen externe schokken44. Zo een verzekering leidt eveneens tot overdrachten tussen lidstaten. Als sommige lidstaten netto veel geld moeten betalen aan andere leden, dan is dat een prikkel om de federatie te verlaten45. Hierbij moet de lidstaat afwegen, wat de efficiëntie-winst dankzij de federatie is. Een federatie moet natuurlijk voldoende duurzaam zijn, dat wil zeggen, in een stabiel evenwicht verkeren. Het evenwicht wordt bedreigd door de heterogeniteit van de federatie. Het voorgaande betoog analyseert vooral de economie en het bestuur, maar natuurlijk zijn de cultuur en etniciteit minstens even belangrijk. Die zijn evenwel nauwelijks modelleerbaar.

Het uittreden van een lidstaat veroorzaakt negatieve externaliteiten voor de federatie. De Brexit is een recent voorbeeld van deze problematiek. In een proces van toenemende economische integratie moet de federatie haar bestaan steeds blijven legitimeren. Hetzelfde geldt trouwens voor een munt-unie. Wellicht wegens de drang tot legitimeren heeft een federatie de tendens om het beleid te centraliseren46. Meestal willen de bestuurs-eenheden (lidstaten) de wedijver via beleid verminderen, en een kartel vormen. Daarom proberen zij bijvoorbeeld om de belasting-systemen universeler te maken. Dit is niet per se in het belang van de burgers, omdat zo de lidstaat minder wordt geprikkeld tot presteren47.

Staats-interventies

Het is omstreden of de staat de economische conjunctuur kan afzwakken door incidenteel eigen investeringen te doen. Het effect van Keynesiaans beleid wordt gesuggereerd door de Phillips kromme, maar tegenwoordig wordt aangenomen, dat die kromme niet geldt voor de lange termijn48. Uiteindelijk bepaalt het economische systeem zelf de werkgelegenheid. Vooral linkse partijen zijn geneigd tot staats-uitgaven49. De vondst op p.310 in Politische Ökonomie, dat rechtse regeringen significant meer schulden maken dan linkse, past slecht in dit beeld.

Daarnaast beweren vele onderzoekers, dat de regering een politieke conjunctuur veroorzaakt. Men neemt aan, dat de politiek tenminste de economische groei en werkgelegenheid op de korte termijn kan aansturen50. De veronderstelling van deze theorie is, dat kiezers hun stem uitbrengen op regerings-partijen, die de werkloosheid en de inflatie laag hebben gehouden. Werkgelegenheid zorgt voor inkomens. In de Nordhaus-versie van de politieke conjunctuur doet de regering soms extra investeringen vlak voor de verkiezingen, om een kunstmatige economische opleving te veroorzaken51. Extra investeren in het verkiezingsjaar is aantrekkelijk voor elke regering, ongeacht de ideologie52. De kiezers moeten dan enigszins bijziend zijn (myopic), en zich vooral de recente economische toestand herinneren. Empirisch is inderdaad aangetoond, dat regeringen meer inkomens overdragen in het verkiezings-jaar53. Echter empirisch leidt dat niet tot economische groei54.

Figuur van verliesfuncties en Phillips kromme
Figuur 4: Optima van rechtse en linkse
   regering, op basis van de Phillips
   kromme
en de verliesfuncties

Klaarblijkelijk ontstaat de politieke conjunctuur dus niet door opportunistische manipulaties. Maar partijen en hun regeringen verschillen ook door hun ideologische standpunten. De ideologie kan een conjunctuur veroorzaken, elke keer wanneer een regering wordt vervangen door een andere. Dit is de Hibbs-versie van de politieke conjunctuur. Ter illustratie is het interessant om dit model te beschrijven55. De regering k heeft een verliesfunctie

(2)     Lk(π, u) = (π − πk)² + μ × (u − uk

In de formule 2 is π de inflatie, en u is de werkloosheid. De streefwaarden van de regering zijn πk en uk. Zij geven de regering een minimaal gevoel van verlies, namelijk nul. De parameter μ weegt het belang van π en u. Benader de korte-termijn Phillips kromme door een lineaire functie:

(3)     π = πv − β × (u − un)

In de formule 3 is un de natuurlijke werkloosheid, en β is een empirische constante. De variabele πv representeert de verwachte (expected) inflatie E(π). De formule 3 drukt uit, dat de werkloosheid enkel daalt beneden un, wanneer de actoren niet beseffen, dat de economische opleving kunstmatig is. Immers, dan schatten zij πv lager dan de echte π. Combineer de formules 2 en 3, en kies de inflatie, die de verliesfunctie Lk minimaal maakt. Men vindt voor de optimale werkloosheid

(4)     uo = (μ×uk + β×un + πv − πk) / (μ + β)

Beschouw nu een linkse regering L en een rechtse regering R. Ideologisch worden zij gekenmerkt door uL < uR en πL > πR. Blijkens de formule 4 is de optimale werkloosheid uo kleiner voor L dan voor R. Dus bij elke wisseling van regering zal de werkloosheid veranderen. De inflatie πo wijzigt eveneens. Dit wordt schematisch weergegeven in de figuur 4. Dus de wisseling van de regering veroorzaakt inderdaad een conjunctuur. De kiezers zijn zich hiervan bewust, en baseren er hun stem op56.

De Hibbs-versie van de politieke conjunctuur wordt empirisch ondersteund inzake de economische groei en de werkloosheid. Empirisch blijken linkse regeringen gedurende de hele regeerperiode de werkloosheid meer te verlagen dan rechtse57. In ieder geval suggereren deze beschouwingen, dat staats-interventies belangrijk zijn. Des al niettemin blijven de modellen van de politieke conjunctuur controversieel. Bijvoorbeeld, het kan ook zijn, dat een bepaalde regering juist wordt gekozen, omdat haar programma goed aansluit bij de momenteel heersende conjunctuur58. Die conjunctuur is dan echt economisch, en niet politiek. En de geldigheid van de Phillips kromme is omstreden. Men ziet hier dat zelfs decennia van intensief empirisch onderzoek soms een theorie of model niet definitief kan valideren. Daarom moet men zulke modellen omzichtig toepassen.

Maatschappelijke binding

Op p.164 in PO werd de verwachting uitgesproken, dat sociaal kapitaal bijdraagt aan de vermindering van de werkloosheid. Maar sociaal kapitaal is niet per se gunstig voor de maatschappelijke ontwikkeling. Zelf-organisatie is enkel wenselijk, wanneer de externaliteiten van de groepen overwegend positief zijn. Ook hier hangt de uitwerking dus af van de gekozen strategie van de actoren.


SCP: Taking part in uncertainty

Figuur van diverse indicatoren van de economie en arbeidsmarkt
Figuur 5: indicatoren van loon- en baan-zekerheid,
   en de (genormeerde) werkloosheid,
   het BBP p.p. en de staats-schuld

In 2016 verscheen bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (afgekort SCP) de publicatie Taking part in uncertainty59. De publicatie ontwikkelt samengestelde indicatoren voor de (formele) inkomens- en baan-zekerheid, en berekent die voor Nederland in de periode 1980-2015 (met waarden tussen 0 en 10). De rode kromme in de figuur 5 toont de indicator van de inkomens-zekerheid voor de bevolkings-categorie van 18-64 jaar. Zij daalt continu vanaf 1990. De groene kromme toont de indicator van de baan-zekerheid voor loontrekkers beneden 65 jaar. Deze daalt al vanaf 1980. Volgens p.16 van de publicatie is er daarom sprake van een achteruitgang (decline) van de inkomens- en baan-zekerheid. In de navolgende pagina's stelt de publicatie, dat de daling van zekerheid (mede) verantwoordelijk is voor de bestaande gevoelens van maatschappelijke onvrede.

Deze conclusie van het SCP overtuigt niet, en de huidige blog wil de misvatting rechtzetten. Daarbij wordt gebruik gemaakt van tijdreeksen uit het OESO gegevensbestand. Beschouw allereerst de Nederlandse werkloosheid, die wordt weergegeven door de blauwe kromme (genormeerd op 0-10). Zij is maximaal in de periode, dat de inkomens- en baan-zekerheid nog een "10" krijgen. Kennelijk kan de formele bescherming de marktwerking niet tegenhouden. Vervolgens halveert de werkloosheid in de periode, waarin de formele zekerheden dalen. De markt zelf schept dan zekerheid. Beschouw vervolgens het bruto binnenlands product per inwoner, als zwarte kromme. In de periode van maximale zekerheid is er nog een recessie. Vanaf 1993 daalt de zekerheid, maar het BBP per persoon groeit dan juist sterk. Dit impliceert uiteraard een inkomens-groei.

Tenslotte toont de gele kromme de staatsschuld. Een schuld kost rente, en kan de burgers een onprettig gevoel geven. De figuur 5 laat zien, dat in de periode van maximale inkomens- en baan-zekerheid de staatsschuld razendsnel groeit. Inderdaad werd indertijd de zekerheid onbetaalbaar. Vervolgens gaat de vermindering van de zekerheid gepaard met een dalende staatsschuld. De economie bloeit op. Deze tijd wordt wel het Nederlandse wonder genoemd! Natuurlijk eindigt dit na 2007, ten gevolge van de financiële crisis. In ieder geval is ongeloofwaardig, dat de afnemende formele zekerheden leiden tot ongenoegen, terwijl tegelijk de inkomens en werkgelegenheid groeien. Mensen hechten meer aan welvaart dan aan een illusoire en onbetaalbare zekerheid. Overigens wil deze blog niet ontkennen, dat er gevoelens van maatschappelijke onvrede bestaan, en misschien zelfs groeiend. Maar hun oorzaken moeten elders worden gezocht.


Uit de oude doos: Adolph Wagner

De Duitse econoom Adolph Wagner (1835-1917) pleitte voor een uitbreiding van de publieke sector. Hier zal de bekende wet van Wagner over de expanderende staat worden beschreven, die hij beschrijft in het boek Grundlegung der politische Oekonomie (afgekort GO)60. In terugblik heeft de groei van de publieke sector (staatsquote) iets vanzelf sprekends. Maar indertijd was die ontwikkeling nogal allerminst zeker. Sommigen noemden Wagner zelfs een socialist!61 Volgens Wagner moet men een onderscheid maken tussen de rechtsstaat en de welvaartsstaat (p.875, 885 in GO). Zij geven vorm aan respectievelijk macht en de nationale cultuur62. De rechtsstaat gaat vooraf aan de welvaartsstaat (p.887). Voorts kan de staat worden opgevat als een productie-factor (p.877). Belastingen zijn simpelweg productie-kosten. Dat geldt zelfs voor defensie (p.908).

De wet van Wagner van de groei van de staats-activiteiten is simpelweg een empirische constatering (p.884, 892). De traditionele staat hanteerde vooral een beleid van repressie. De staat werd pas actief, wanneer zich een probleem voordeed. Maar in de moderne staat wordt de voorkeur gegeven aan een beleid van preventie (p.884). Dat voorkomt de schade (p.910). Dit vereist, dat de voorzieningen permanent zijn. Daarvoor is een grotere organisatie nodig. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van rioleringen om de verspreiding van ziekten te verminderen. Toezicht door de politie leidt tot minder misdaad. En een sterke defensie ontmoedigt een militaire aanval. Leiding-netten scheppen een natuurlijk monopolie. Enzovoort. Anders gezegd, de nieuwe productie-technieken dwingen tot een meer "communistische" staat (p.895). Het culturele leven komt op een hoger niveau (p.901).

De komst van de democratie geeft legitimiteit aan de hogere staats-uitgaven (p.906). Staats-activiteiten zijn onvermijdelijk bij consumptie, die collectief is (p.916, 919). Het goed is dan niet exclusief. Bovendien is staats-activiteit wenselijk, wanneer de voorziening duurzaam moet zijn, of algemeen (regionaal) verspreid, of universeel (p.916). Dit is bijvoorbeeld het geval voor de rechtsspraak (p.917 en verder). Onderwijs geeft positieve externaliteiten, en die moeten worden meegewogen bij de bestedingen (p.920).

De beschouwing van Wagner over de omvang van de staat (staatsquote) is natuurlijk beknopter dan de hedendaagse theorie. Maar per saldo is toch zij verrassend actueel. Des al niettemin ontbreken er belangrijke inzichten. Wagner overziet, dat een mogelijk staats-falen eveneens veel schade kan veroorzaken. Een beleid van preventie kan erger zijn dan de kwaal. Ook beseft hij onvoldoende, dat staats-organisaties hun eigen belang kunnen najagen. Dit inzicht is pas veel later verwoord, in de public choice theorie.

  1. Deze vier-deling is ontleend aan een betoog van de socioloog Abram de Swaan in de bundel Coalition formation (1985, Elsevier Science Publishers B.V.) onder redactie van H.A.M. Wilke. Zie met name p.231 en 255. (terug)
  2. De Swaan past in Coalition formation een formeel model toe. Op p.260 stelt hij: "The theorist can take into account only a few aspects of political life and must turn a blind eye to all others. Sometimes this tunnel vision produces a new insight". Trouwe lezers van de Gazet weten intussen, dat uw blogger hecht aan formele modellen. Formele modellisering is een krachtige manier van uitdrukken. Daarom is het een uitdaging om te speuren naar de kleinst mogelijke verzameling van dominerende aspecten (parsimony). Maar De Swaan heeft natuurlijk gelijk, dat vaak vele aspecten relevant zijn. En morele en emotionele factoren onttrekken zich aan meestal aan formalisering. (terug)
  3. De αn geeft een correlatie aan tussen K en Vn. De betrouwbaarheid van de correlatie wordt gewoonlijk gemeten met de Student t-verdeling. Bij een zeer grote steekproef moet gelden |t| ≥ 1.7 voor 90% betrouwbaarheid, |t| ≥ 2 voor 95% betrouwbaarheid, of |t| ≥ 2.7 voor 99% betrouwbaarheid. Zie p.266 en verder in Understanding business statistics (1994, Richard D. Irwin, Inc.) van J.E. Hanke en A.G. Reitsch, of p.347 en verder in Practical business statistics 1994, Richard D. Irwin, Inc.) van A.F. Siegel. Uw blogger heeft de t-test nooit ontmoet tijdens zijn natuurkunde opleiding. Maar hij heeft haar toch bestudeerd, toen aan het einde van de jaren negentig van de vorige eeuw een loopbaan in de nutssector denkbaar werd. Als in de toekomst de blogs meer empirisch worden, dan komt deze kennis alsnog van pas! (terug)
  4. Zie L'acteur et le système (1977, Éditions du Seuil) van M. Crozier en E. Friedberg. (terug)
  5. Zie Politische Ökonomie (2003, Leske + Dudrich) onder redactie van H. Obinger, U. Wagschal en B. Kittel. (terug)
  6. Op p.81 in Politische Ökonomie stelt Kittel: "Der Einfluss von Verbänden auf gesamtwirtschaftliche Entwicklungen steht zentral in (...) der politik-wissenschaftliche Korporatismus-Diskussion. (...) Für die Funktionsweise europäischer politischer Systeme greift (...) die Konzeption von Verbänden als reine Lobby-Organisationen aber zu kurz". Uw blogger is niet overtuigd, dat Kittel gelijk heeft. Vakbonden en dergelijke zijn wel degelijk belangen-organisaties en verdelings-coalities. (terug)
  7. De mogelijkheid van concertatie loopt als een rode draad door vele blogs op de Gazet. Zie bijvoorbeeld de blogs over de Nederlandse hervormingen vanaf 1982. Zij is een zeer lastig thema, dat uw blogger nog steeds niet helemaal onder de knie heeft. Men zie ook de beschouwing van zonet over verdelings-coalities. (terug)
  8. Een dergelijk systeem zal vaak leiden tot de vorming van twee grote en dominerende partijen, een linkse en een rechtse. Anderzijds is bekend, dat in zo een systeem de programma's van de beide partijen moeten convergeren. Zij strijden om de gunst van de mediane kiezer. Volgens p.56 in Hans van Mierlo (1991, Het Spectrum BV) van B. Rogmans wilde in 1967 de partij D'66 Nederland verdelen in 10 districten. Zo een systeem elimineert de kleine partijen. De minister-president zou vooraf worden aangewezen door de kiezers. Kennelijk wilde D'66 een sterke regering op basis van slechts een paar coalitie-partijen. Bovendien wilde D'66 de Eerste Kamer afschaffen, en daarmee een veto-speler elimineren. Merkwaardiger wijze verwierp Van Mierlo zelf wel de vorming van het CDA, onder andere omdat het een centrum-partij zou worden (p.82). De huidige blog kan geen voordelen ontdekken in dit D'66-programma. (terug)
  9. De merite van het kies-systeem is een wel zeer controversieel thema. Op p.65 in Politische Ökonomie wordt nog opgemerkt, dat een coalitie-regering ideologisch heterogeen kan zijn. Dat belemmert het formuleren van beleid. Anderzijds heeft een veel-partijen systeem wellicht een betere fractie-discipline. Het kies-systeem wordt dus ingekaderd door allerlei andere instituties. Het kan enkel worden beoordeeld in zijn samenhang. (terug)
  10. Een veto-speler kan een tweede parlementaire kamer zijn, een rechtbank, een centrale bank, een regionaal bestuur, enzovoort. Veto-spelers treden op bij een gedeelde bestuurlijke verantwoordelijkheid. Zie bijvoorbeeld p.66 en verder in Politische Ökonomie. Een situatie met veto-spelers kan leiden tot log-rolling (p.333). De merites van log-rolling zijn omstreden. (terug)
  11. Op p.305 in Politische Ökonomie wordt opgemerkt, dat federalisme kan leiden tot desintegratie. Wellicht denkt de auteur aan Spanje, België en het Verenigd Koninkrijk. Maar dit lijkt toch een misleidende voorstelling. In deze staten is het federalisme juist ontstaan, omdat er regionale spanningen zijn. Men hoopt de staat bijeen te houden dankzij de federatie. (terug)
  12. Volgens p.140 in Politische Ökonomie hebben zelfs regelmatige politieke moord-aanslagen geen significant effect. (terug)
  13. Dit thema is ter sprake gekomen in een eerdere blog. Daar werd voorgesteld om een negatieve belasting te hanteren voor de laagste inkomens, het zogenaamde belasting-krediet. (terug)
  14. Volgens p.134-135 in Politische Ökonomie dragen de onderwijs-bestedingen bij aan de economische groei, maar enkel in Zuid-Europa. Deze uitzonderings-positie is moeilijk te begrijpen, en men kan slechts speculeren over de oorzaak. Een enkele suggestie: wellicht verhogen Zuid-Europese staten de salarissen van de onderwijzers, zodra er economische groei is? De invloed van verdelings-coalities is significant negatief op het 5% niveau. Volgens p.135 hangt de significantie echter af van de geselecteerde combinatie van onafhankelijke variabelen. De significantie is niet robuust. Dit illustreert dat de significantie-toets slechts geringe garanties biedt voor de geloofwaardigheid. Men meet niet wat men denkt de meten. Evenzo heeft de staats-structuur een significante invloed op het 5% niveau, positief voor veel-partijen systemen, maar alleen bij sommige combinaties van onafhankelijke variabelen. (terug)
  15. Deze boodschap wordt indringend overgebracht in L'acteur et le système. Dit boek is vooral een reactie op het systeem-denken van Parsons en Luhmann. (terug)
  16. Zie p.363 en p.384 en verder in Neue Institutionen-ökonomik (2007, Schäffer-Poeschel Verlag) van M. Erlei, M. Leschke en D. Sauerland. (terug)
  17. Diverse malen is in de Gazet opgemerkt, dat een persoonlijk belang gewoonlijk de keuze van de moraal bepaalt. Op p.166 in Coalition formation vermeldt Wilke inderdaad, dat zwakke groepen hechten aan gelijkheid, terwijl sterke groepen hechten aan beloning volgens inspanning. (terug)
  18. Zie p.489, 493 en 495 in Public choice III (2003, Cambridge University Press) van D.C. Mueller. (terug)
  19. Zie p.482 in Public choice III voor de naams-bekendheid, en p.484, 487 en 493 voor de beschikbare fondsen. Als de zittende kandidaat een lid is van een belangrijke parlementaire commissie, dan levert dat hem veel donaties op (p.488). Soms worden de donaties gegeven juist op het tijdstip, wanneer een bepaald wets-ontwerp in stemming komt! (terug)
  20. Zie p.490 en verder in Public choice III (terug)
  21. Hier wordt vooral The economics of the trade union (1996, Cambridge University Press) van A.L. Booth geraadpleegd. Zij analyseert enkel de Noord-Amerikaanse en Engelse vakbeweging, wat natuurlijk een ernstige beperking is. John Elster constateert op p.178-179 in The cement of society (1990, Cambridge University Press), dat Zweedse bonden onderling strijden om bepaalde groepen werkers te organiseren. Dat gebeurt zelfs onder bonden binnen dezelfde federatie LO. (terug)
  22. Zie p.51 in The economics of the trade union. (terug)
  23. Zie p.164-166 in The economics of the trade union. De gegevens stammen uit Noord-Amerika en het Verenigd Koninkrijk. Vakbonden beweren soms, dat deze loon-opslag een prikkel is voor de ondernemers om beter te presteren. Zie ook p.183. Maar dat argument zal tenslotte vastlopen, omdat de onderneming bezwijkt onder de loonlast. (terug)
  24. Zie p.195-197 in The economics of the trade union voor de productiviteit in Noord-Amerika, en p.201 voor de productiviteit in het Verenigd Koninkrijk. Merk op, dat de gepresenteerde studies onderling enigszins strijdig zijn. Dit komt onder andere door specifieke sector-effecten. (terug)
  25. Zie p.209-211 in The economics of the trade union. Op p.181-182 in The cement of society wordt als verklaring gegeven, dat de bondsleden geen belang hebben bij investeringen, omdat hun loon gelijk blijft. De investering schept wel werk in en buiten de onderneming, maar dat interesseert hen niet. Daarom pleit Elster voor centrale onderhandelingen. Overigens meent uw blogger, dat wegens de hoge lonen van bondsleden de onderneming zal kiezen voor de substitutie van arbeid door kapitaal. Dat leidt wel tot extra (vervangings-)investeringen in georganiseerde ondernemingen, maar misschien zijn die niet zo hoog. (terug)
  26. Zie paragraaf 7.9 en p.691 in Political economy in macroeconomics (2000, Princeton paperbacks) van A. Drazen. Er wordt wel gesteld, dat de regeringen van de Amerikaanse president Reagan de staatsschuld hebben gebruikt als een politiek pressie-middel (p.301). Overigens bestuurt een regering soms ook over haar graf heen door bepaalde wetgeving of zelfs een grondwet aan te brengen (p.308). Interessant is ook de aanpak van privatisering, die wordt beschreven op p.470 in The economics of business enterprise (2002, Edgar Elgar Publishing Limited) van M. Ricketts. Onder Thatcher verkocht de Engelse regering haar nationale industrieën en huizen beneden de marktprijs. Zo zou het voor een volgende Labour regering zeer kostbaar zijn om ze weer te nationaliseren. (terug)
  27. Economen zeggen in zo een situatie graag, dat de transactie kosten hoog zijn. Op p.183 in A Dutch miracle (1997, Amsterdam University Press) van J. Visser en A. Hemerijck worden vier typen van corporatisme onderscheiden: innovatief en responsief (allebei constructief), en immobiel en desintegrerend (allebei destructief). Externe factoren kunnen leiden tot een overgang van het ene naar het andere type. Helaas koppelen de auteurs deze typen niet aan de inzichten van het advocaten-coalitie kader (ACK) en de puncterend-evenwicht theorie (PET). Toch is dat wenselijk. De concertatie bepaalt de beleids-agenda. Responsieve concertatie heeft een hechte pleit-coalitie, die het beleid in het economische systeem incrementeel aanpast. Innovatieve concertatie ontstaat, wanneer een externe schok dwingt tot ingrijpende hervormingen (punctatie). In destructief corporatisme faalt de concertatie. Al deze concepten zullen ongetwijfeld terugkeren in toekomstige blogs. (terug)
  28. Een opvallende illustratie van planning was de Nederlandse arbeidsmarkt in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw. Zie paragraaf 5.6 in Arbeidseconomie (1992, Stenfert Kroese Uitgevers) van H. Jacobs. Alle functies werden centraal beschreven en gewaardeerd. Dit gedetailleerde systeem kreeg veel bijval, ook van de vakbeweging. Maar het bleek uiteindelijk te star te zijn, en is opgegeven. Op p.111 wordt wel volgehouden, dat de loonvorming altijd en ook nu nog in belangrijke mate traditioneel verloopt. Er wordt enkel afgeweken, wanneer de markt-ontwikkeling de traditie onhoudbaar maakt. Jacobs begon zijn loopbaan in de periode van geleide loonpolitiek, en kijkt daarop regelmatig terug in dit al weer dertig jaren oude boek. (terug)
  29. De vakbeweging is zich bewust van deze tweedeling. Zie bijvoorbeeld het FNV-boekje Flexibilisering en segmentering (1986, Uitgeverij Jan van Arkel) van T. Bos en F. Vaas. Maar per saldo wordt het bonds-beleid natuurlijk vooral bepaald door de machtigste groepen van werkers. Op p.161 in The cement of society worden drie mogelijke doelen van de vakbeweging genoemd. Zij kan alleen onderhandelen over lonen, of alleen over werkgelegenheid. Ook kan zij beide factoren betrekken in haar beleid. Hierbij is mede van belang wie het beleid bepaalt: het dagelijks bondsbestuur, of de bondsleden. Het bestuur heeft persoonlijke belangen. Een eerdere blog toont aan, dat een maatschappelijk optimaal contract wordt bereikt, wanneer wordt onderhandeld over zowel de loonhoogte als de werkgelegenheid. (terug)
  30. De dominantie van het groepsbelang werd pijnlijk duidelijk in de Nederlandse periode van geleide loonpolitiek. Het bleek onmogelijk te zijn om de lonen centraal te regelen. Zie ook p.79-80, 116-121 en p.129 in Arbeidseconomie. (terug)
  31. Zie p.184 in The cement of society. Op p185 stelt Elster, dat de staat moet benadrukken, dat hij geen extra werk zal scheppen in de publieke sector, en evenmin zwakke ondernemingen zal subsidiëren. (terug)
  32. Het model wordt gepresenteerd op p.59-62 in The economics of the trade union. (terug)
  33. Booth merkt op p.65-66 in The economics of the trade union op, dat soms ook zonder organisatie de werkers in een sector een monopolie-positie kunnen krijgen. Dit is een individueel monopolie, veroorzaakt door bijvoorbeeld een hoge opleiding of zelfs kennis van de cultuur in een bepaalde regio. (terug)
  34. Zie bijvoorbeeld De Swaan op p.234 en verder in Aan den Arbeid! (1995, Uitgeverij Bert Bakker) van M. van Bottenburg. Maar daarmee negeert de Swaan wel de periode van niets-ontziende loonstrijd in de jaren 70 van de vorige eeuw. Indertijd verpietert de Stichting van de Arbeid, en zij heeft zich nooit helemaal hersteld. (terug)
  35. Zie p.203 en verder in Aan den Arbeid!. John Elster vermeldt op p.161 in The cement of society, dat in 1983 het Zweedse arbeids-overleg eveneens decentraal werd. Velen hebben het oude Zweedse model bewonderd. Nochtans belandde Zweden in 1991 in een economische crisis. Zie een eerdere blog voor de relevante economische tijdreeksen. (terug)
  36. Zie p.207 en 219-220 in Aan den Arbeid!. De mogelijke gevolgen van zo een afhankelijkheid werden pijnlijk duidelijk door de langdurige WAO-fraude in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw. Meer algemeen kunnen de belangen-groepen hun kosten afwentelen op de staat (p.218). (terug)
  37. Volgens p.276 en verder in Public choice III zijn meer dan twee grote partijen wel mogelijk, wanneer elke partij veel aanhang heeft in een eigen regio. In die situatie kunnen de regionale partijen zelfs een nationale partij met een grote maar ruimtelijk gespreide aanhang uit het parlement houden. (terug)
  38. Zie p.296 in Public choice III. (terug)
  39. Zie p.290 in Public choice III. Minderheids-regeringen behoren tot de meest onstabiele. Het blijkt dat ook een toenemend aantal partijen in het parlement gemiddeld leidt tot minder stabiele regeringen. (terug)
  40. Zie hoofdstuk 7 en 8 in Neue Institutionen-ökonomik. (terug)
  41. De nu volgende argumenten zijn ontleend aan hoofdstuk 10 in Public choice III, en in mindere mate aan hoofdstuk 14 in Political economy in macroeconomics. (terug)
  42. Zie p.215 en verder in Public choice III, en p.710 in Political economy in macroeconomics. (terug)
  43. Zie p.221-222 in Public choice III. (terug)
  44. Zie p.710 en 727-731 in Political economy in macroeconomics. (terug)
  45. Op p.711-724 van Political economy in macroeconomics wordt een boeiend model van Bolton en Roland beschreven, dat de onvrede van de lidstaten ten gevolge van overdrachten berekent. (terug)
  46. Zie p.227 en verder in Public choice III. (terug)
  47. Volgens p.723 in Political economy in macroeconomics is de wedijver in belastingen tussen de lidstaten van de federatie een probleem. Het gevaar van kapitaalvlucht dwingt de lidstaten om minder belasting te heffen dan de kiezers eigenlijk willen. Uw blogger vindt het echter wel goed, wanneer de staat wordt geprikkeld tot enige zuinigheid. Als de belasting echt onaanvaardbaar laag dreigt te worden, dan kan de federatie alsnog een belasting-kartel vormen, en een universeel minimum-tarief verplicht stellen. (terug)
  48. Zie p.461 in Public choice III. Als een regering het toch probeert, dan wordt op de lange termijn enkel de inflatie opgejaagd. Volgens p.468 groeit ook bij de kiezers een afkeer van de staatsschuld. (terug)
  49. Zie p.467 in Public choice III. (terug)
  50. Volgens p.448 in Public choice III is dit empirisch bevestigd. Rechtse partijen verminderen de inflatie tijdens hun regeerperiode. (terug)
  51. Zie p.375 in Neue Institutionen-ökonomik, en vooral hoofdstuk 19 in Public choice III en p.232-246 in Political economy in macroeconomics. (terug)
  52. Zie p.459 in Public choice III. De regering gedraagt zich louter opportunistisch (zie p.232 in Political economy in macroeconomics). (terug)
  53. Zie p.239 en p.242-244 in Political economy in macroeconomics. (terug)
  54. Zie p.239-242 in Political economy in macroeconomics. (terug)
  55. Het model is overgenomen van p.247-249 in Political economy in macroeconomics. (terug)
  56. Zie p.249 in Political economy in macroeconomics. (terug)
  57. Zie p.453 in Public choice III, en vooral p.260-268 in Political economy in macroeconomics. Merk op, dat er nog een derde versie is van de politieke conjunctuur, bedacht door Alesina. In dit model ontstaat de conjunctuur uit ideologische verschillen, waarbij de kiezer en de regering rationeel handelen. De onzekerheid van de verkiezings-uitslag werkt door in de verwachte inflatie πv. In de versie van Hibbs is πv onbelangrijk. Mueller en Drazen vinden allebei, dat de versie van Alesina zeker niet beter presteert dan de versie van Hibbs, eerder slechter. Een reden is, dat empirisch de inflatie zich niet gedraagt zoals Alesina voorspelt. (terug)
  58. Zie p.266 in Political economy in macroeconomics. (terug)
  59. De auteur van de publicatie is J. Cok Vrooman. Hij is het hoofd van de sector Arbeid en Publieke Voorzieningen van het SCP. Uw blogger vindt de publicatie wat verwarrend. Kennelijk is de peer pressure in het SCP (en overigens ook elders) onvoldoende om problematische publicaties tegen te houden. Cok Vrooman heeft niet gereageerd op een mail over de publicatie (wat inderdaad niet hoeft). (terug)
  60. Zie boek 6 in de tweede halve band in het eerste deel van Grundlegung der politischen Oekonomie (1893, C.F. Winter'sche Verlagshandlung) van A. Wagner. De twee halve banden tezamen kostten €58, wat veel geld is. Uw blogger kocht ze vooral uit interesse in de wet van Wagner over de expanderende staat. (terug)
  61. Op p.902 in Grundlegung der politischen Oekonomie wordt Schäffle geciteerd: "Im Allgemeinen ist zu bemerken, dass das privatwirthschaftliche System in steigendem Grade fähig wird, immer mehr Aufgaben wirtschaftlich zu lösen, als es bisher für dieselbe Aufgabe durch Gemeinwirthschaften geschah". Dit drukt een geloof uit in de werking van vrije markten. Maar Wagner vindt deze bewering onhoudbaar. (terug)
  62. Op p.479-480 in Neue Institutionen-ökonomik wordt opgemerkt, dat Hayek dit onderscheid eveneens maakt. (terug)