Vijf jaren analyse van actor modellen

Plaatsing in Heterodoxe Gazet Sam de Wolff: 3 augustus 2020

E.A. Bakkum is blogger voor het Sociaal Consultatiekantoor. Hij denkt graag na over de arbeiders beweging.

Actor modellen zijn helaas vaak het onderwerp van ideologische strijd. De huidige blog laat zien, dat in beginsel het model van de homo economicus universeel toepasbaar is. Dit actor model kan rekening houden met irrationaliteit, heuristieken, de moraal, macht, en het verlichte eigen belang. Het barrière model van agenda-vorming wordt beschreven. Ook wordt de vrije keuze bij publieke goederen kritisch geanalyseerd. Er wordt een historische vergelijking gemaakt met het denken van de Duitse econoom Adolph Wagner.

Actor modellen

Actor modellen krijgen vanouds veel aandacht in de Gazet. Sinds eeuwen hanteert de economische wetenschap het actor model van de homo economicus1. Tijdens de Koude Oorlog was de homo sovieticus een belangrijk alternatief. Deze is afkomstig van de marxistische sociologie. Vanaf ongeveer 1990 is de homo sociologicus de belangrijkste uitdager van de homo economicus. Vooral in de sociologie en de bestuurskunde worden deze twee actor modellen soms gepresenteerd als tegenpolen. Dit wordt wel gebruikt om de wetenschap te politiseren2. Het zou prettig zijn om deze twee actor modellen te verzoenen, omdat dat de wetenschappelijke kruisbestuiving bevordert. De huidige paragraaf wil betogen, dat die verzoening heel goed mogelijk is3.

Beperkte rationaliteit

Kenmerkend voor de homo economicus is zijn najagen van het eigen belang. Hij maakt op een rationele manier zijn nut uj maximaal. Met andere woorden, zijn gedrag baseert op doel-rationaliteit. Het nut weegt af, wat de baten bj en kosten cj van een bepaald situatie zijn. In formule is dat uj = bj − cj 4. Helaas verbergt deze zo eenvoudige formule allerlei complexe verschijnselen. Ten eerste: de bedoeling van een actor model is om het menselijke gedrag te begrijpen, en met name de besluitvorming. Besluiten vergen een inschatting van de toekomstige ontwikkeling. Dan moet de actor het toekomstig verwachte nut van een situatie bepalen. De actor moet die situatie visualiseren, en de kans inschatten dat de situatie de werkelijkheid wordt. De gedrags-economie heeft laboratorium experimenten van menselijk gedrag uitgevoerd. Zij laten zien, dat actoren allerlei fouten maken bij hun schattingen en afwegingen. Dat tast de rationaliteit aan5.

Heuristieken

Een ander probleem van besluitvorming is, dat informatie en zoek-processen niet gratis zijn. De informatie is nodig om de kwaliteit van het besluit te verbeteren. Maar de kosten c(I) van informatie kunnen hoger zijn dan de baten van de verbetering. Hetzelfde geldt voor de kosten c(Z) van het zoeken van alternatieven6. Dit is een probleem, omdat de kosten moeten worden gemaakt, voordat de baten bekend zijn. Gewoonlijk wordt dit probleem vermeden door aan te nemen, dat de marginale baten ∂b/∂c afnemen. Er is een dalend grensnut. Men moet stoppen met investeren, zodra geldt ∂b/∂c < 1. Dat heeft een zekere logica. Actoren plukken eerst het laag-hangende fruit, dat met een relatief kleine inspanning (kosten, investering) kan worden verkregen. Anderzijds kan nooit worden uitgesloten, dat een doorbraak in de baten pas later wordt bereikt, met ∂b/∂c >> 1, waarbij eerst een drempelwaarde van de investeringen c moet worden overschreden.

De kosten van informatie en zoeken belemmeren de actor om een nog beter besluit te nemen. Een externe waarnemer die deze kosten niet meerekent, zal menen dat de actor gemakzuchtig genoegen neemt met een bevredigende oplossing (satisficing). Een bekend voorbeeld is de besluitvorming op basis van heuristieken (vuistregels). Dit zijn simpele, algemene oplossingen, die geen rekening houden met de bijzonderheden van de situatie7. Heuristieken passen bij de homo sociologicus, die zich gedraagt overeenkomstig zijn socialisatie. Maar anderzijds geven c(I) en c(Z) rationaliteit aan het gebruik van heuristieken. De homo economicus en de homo sociologicus zijn verzoend. Helaas heeft deze verzoening een prijs. Immers, c(I) en c(Z) zijn meestal niet nauwkeurig bekend. Daarom kan een actor model, dat rekening houdt met deze kosten, niet betrouwbaar empirisch worden getoetst8.

De moraal

Foto van Centra kwartet kaart
Figuur 1: Centra kwartet

De homo economicus houdt enkel rekening met zijn eigen belang uj. Hij is een egoïst. Maar het eigen belang is subjectief, en zou daarom afhankelijk kunnen worden van het nut van familie en kennissen. Dit maakt de actor afhankelijk van zijn groep(en). Aangezien groepen gewoonlijk een collectieve moraal ontwikkelen, betrekt de actor ook die moraal in zijn nuts-berekening9. Natuurlijk bestaan groepen vaak uit gelijk-gestemde mensen. De groeps-moraal wil meestal de positie van de groeps-leden versterken ten opzichte van buitenstaanders. Daarom ondersteunt de moraal van de groep nogal eens het egoïstische eigenbelang. Meer algemeen, het actor model van de homo economicus kan worden gebruikt om het bestaan van de moraal te verklaren10. Opnieuw worden de homo economicus en de homo sociologicus verzoend.

De bestuurskundige Scharpf onderscheidt vijf soorten van moreel gedrag (hier actie oriëntaties genoemd) tussen twee actoren11. Zij zijn individualisme, solidariteit, wedijver, altruïsme, en vijandschap. Bijvoorbeeld wordt de wedijver van actor j beschreven als vj = uj − u≠j. Hierin is uj het netto nut van j, en u≠j is het netto nut van zijn opponent. Dus j probeert het verschil vj in uitkomsten maximaal te maken12. Een vijandige j is niet geïnteresseerd in zijn eigen nut. Hij heeft vj = -u≠j, en wil de ander zoveel mogelijk schaden. Een altruïstische j heeft vj = u≠j. Deze actor wil, koste wat kost, het welzijn van zijn opponent maximaal maken13. Deze variaties in gedrag hebben twee consequenties. De subjectieve afweging of voorkeur vj wordt ongelijk aan het egoïstische nut uj. En verschillende combinaties van oriëntaties en nutten uj kunnen overeen komen met één en dezelfde matrix van subjectieve voorkeuren vj. De combinaties zijn empirisch identiek.

Tabel 1: uitkomsten matrices van gevangenen-spel en handhavings-spel
  gevangenen  handhaving 
  werk mee  weiger   vertrouw  controleer 
 werk mee 3, 31, 4  eerlijk 0, 01, -1
 weiger 4, 12, 2  bedrog 1, -1-1, 1

Beschouw ter illustratie nog eens het bekende dilemma van de gevangenen, links in de tabel 1. Dit modelleert het probleem van het publieke goed met een sommatie aggregatie. Bijvoorbeeld, twee aanliggende gemeenten kunnen een landgoed kopen voor publieke recreatie. Als een gemeente weigert om mee te betalen, dan draagt de ander de volle kosten. Maar de weigeraar kan wel zwart rijden op het recreatie-gebied14. De uitkomsten in de tabel 1 zijn het individuele netto nut uj van elke actor j. De oriëntatie is egoïstisch. In het Nash evenwicht wordt afgezien van de aankoop van het landgoed. Als de twee gemeenten onderling vijandig zijn, dan is dit evenwicht zelfs Pareto-optimaal (vj = -2). Maar gemeenten met een altruïstische oriëntatie zullen in het evenwicht juist de kosten delen. Een bijzonder geval is de oriëntatie van wedijver, omdat dan de situatie instabiel is. De resulterende matrix is verwant aan die van het spel van Tsebelis, rechts in de tabel 1.

Het handhavings-spel, rechts in de tabel 1, illustreert, dat verschillende oriëntaties kunnen leiden tot dezelfde matrix van uitkomsten. Dit model beschrijft de situatie van de vele publieke toezichthouders en inspecties. De actor 1 kan kiezen uit een strategie van eerlijkheid of van bedrog. De actor 2 (inspectie) kiest uit een benadering van vertrouwen of controle. De tabel presenteert het egoïstische nut uj. In dit geval blijft de tabel gelijk, wanneer de actoren vijandig worden. Ook wedijver laat het spel intact, al verdubbelen wel de uitkomsten (zeg, de intensiteit van het spel). Dit is wel logisch, omdat inspectie van nature volgt uit een botsend belang. Klaarblijkelijk kan men niet de oriëntatie afleiden uit de waargenomen voorkeuren van de actoren. Merk overigens op, dat in dit spel de toezichthouder optreedt als een vertegenwoordiger van de maatschappij en van haar publieke orde.

Kennelijk heeft ook deze verzoening van de homo economicus en de homo sociologicus een prijs. Immers het is nauwelijks empirisch vast te stellen, in hoeverre een actor een moraal aanhangt. Evenmin kan worden bepaald, hoe zwaar de moraal wordt meegewogen tijdens de besluitvorming. Daarom kan een model, dat rekening houdt met de moraal, niet betrouwbaar empirisch worden getoetst. Anders gezegd, het model van de homo economicus met moraal is in staat om achteraf elk waargenomen gedrag te verklaren. Maar voorspellen wordt onmogelijk. Het kenmerk van de homo economicus is nu juist zijn voortdurende afweging tussen voorkeuren. De homo economicus is niet moreel voorgeprogrammeerd, zoals de homo sociologicus. De homo sociologicus is deterministisch in zijn moraal15. Natuurlijk is dat programma wel uiterst complex. Ook hij is vaak onvoorspelbaar.

Interacties

De speltheorie onderscheidt twee typen van interacties, namelijk unilateralisme en samenwerking. De uitkomsten uj in de tabel 1 baseren op unilaterale uitkomsten. In feite zijn dit de uitkomsten van de actoren, wanneer zij er niet in slagen om hun gedrag of strategie te coördineren. De subjectieve voorkeuren vj introduceren wel de moraal in de actie situatie, maar niet de onderhandeling. Vaak zijn de unilaterale uitkomsten niet optimaal voor de actoren. Samenwerking (in de zin van overleg en coördinatie) heeft dan de voorkeur. Een eerdere blog heeft uitgelegd, dat de actoren soms elkaars nadelen kunnen compenseren. Externe effecten van de interactie kunnen in rekening worden gebracht. Ook kan men een zodanig interactief proces afspreken, dat dit op zich al nut genereert. Anderzijds leidt coördinatie gewoonlijk tot extra transactie-kosten. Coördinatie is een combinatie van optimalisatie en verdeling van de opbrengsten.

De verdeling is een complex vraagstuk, omdat zij de collectieve moraal uitdrukt, maar ook een prikkel geeft, die de actoren individueel kan motiveren tot inspanning. Er bestaan rationele theorieën (bijvoorbeeld de Shapley en Nash oplossing), die een bepaalde verdeling voorstellen. Zij baseren op logische axioma's, zoals de verwerping van verspilling en van discriminatie. Maar de practische waarde van zulke theorieën is toch beperkt. Immers, interacties zoals de onderhandeling, de stem-procedure, of het hiërarchische bevel introduceren een complex maatschappelijk fenomeen, te weten de machts-verhoudingen. Macht is een inter-menselijk fenomeen, dat wordt bepaald door de positie van de actor. Sommige analisten, zoals de socioloog J.S. Coleman, menen dat machts-verhoudingen toch simpelweg een maatschappelijke ruil zijn. In dat perspectief kan men het actor model van de homo economicus behouden16.

Schelling diagram van publiek goed
Figuur 2: Nut van publiek goed met
   strategie s' en strategie s''

Het is de vraag of de rationele uitruil een bruikbare abstractie is voor de machtsstrijd. Emoties spelen een rol. Men moet de sociale psychologie raadplegen17. Een kenmerk van de onderhandeling is, dat een actor kan weglopen, wanneer de verwachte uitkomst van de interactie hem niet bevalt (exit). Maar beslissing via stemming of via een bevel vereist, dat gehoorzaamheid kan worden afgedwongen via sancties. Vaak zijn sancties complexe processen van maatschappelijke uitsluiting. Zij verlagen het nut van de getroffen actor, en er is geen exit18. Zeker in een traditionele maatschappij is uitsluiting zo funest, dat besluiten nauwelijks rationeel zijn. Men kan toch het rationele model hanteren, maar in de practijk kent de analist natuurlijk de individuele gevoeligheden slecht. Onder deze omstandigheden valt het niet mee om de homo sociologicus te vervangen door een geavanceerde versie van de homo economicus.

In zulke situaties is het gedrag van de homo sociologicus ongecompliceerd. Hij gehoorzaamt eenvoudig aan het traditionele gezag. Iets minder primitief is het model, waarbij de homo economicus uitgaat van wederkerigheid19. Een recente blog stelt dit model voor in een Schelling diagram. Zie de figuur 2. In een groep moeten n actoren afzonderlijk besluiten om bij te dragen aan een publiek goed (strategie s') of juist niet (strategie s''). Zij m het aantal actoren, dat bijdraagt. Het bijdragen veroorzaakt kosten voor de actor. Naarmate m toeneemt, stijgt natuurlijk het individuele nut uk(m) van actor k, dankzij het goed. Zolang m/n klein is, wil de wederkerige homo sociologicus liefst niet bijdragen (s''). Echter wanneer m/n nadert naar 1, dan ligt het in zijn natuur om juist wel bij te dragen (s'). Daarom is er (blijkens de figuur 2) een punt m*, waar de strategie keuze van de actor kantelt.

Aan weerzijden van m* zal het aantal bijdragen bewegen naar het evenwicht in hetzij m=0 of m=n. Er is een positieve terugkoppeling, die kan worden opgevat als een pad-afhankelijkheid20. In dit model van Schelling is de homo sociologicus verrassend een nuts-optimaliseerder. Hij ontleent een eigen nut aan de strategieën van de anderen tijdens de interactie. Daardoor wordt hun gedrag gecoördineerd. Maar de nuts-optimalisatie verandert hem nog niet in een homo economicus, omdat die beslist op basis van uitkomsten. Het actor model van de homo economicus zou uiterst complex worden, wanneer hij ook nut zou toekennen aan het gedrag van anderen en aan het proces van de interactie21.

Anderzijds geeft het actor model van de homo sociologicus een gebrekkige beschrijving van machts-verhoudingen. Het veronderstelt, dat besluiten baseren op de moraal, emoties en traditioneel gezag. De actoren proberen wel om elkaar te overtuigen, maar dit is geen rationele zoektocht naar de waarheid22. De besluitvorming leidt wellicht tot stabiele uitkomsten, maar zij is niet optimaal. Aldus ondermijnt de homo sociologicus op de lange termijn zijn eigen maatschappij. Dit actor model is dus nogal pessimistisch over de menselijke natuur. Het negeert het gezonde verstand, dat kenmerkend is voor de homo economicus.

Het verlichte eigenbelang

In de moderne maatschappij zijn individuen minder gebonden aan een enkele groep. Zij zijn lid van vele groepen, en worden enigszins anoniem. Hoewel de natuurlijke samenhang van groepen verzwakt, kan er toch een collectieve moraal blijven bestaan. Immers, de homo economicus zou ook een moraal kunnen ontwikkelen door bij zijn beslissingen rekening te houden met de effecten op de zeer lange termijn. De theorie maakt aannemelijk, dat het (noodgedwongen) herhalen van interacties bevorderlijk is voor de bereidheid tot samenwerking. Vaak loont het om rekening te houden met het nut van anderen. Dit wordt wel een verlicht eigenbelang genoemd. Dit type moraal is geen geloof of perceptie, maar een wetenschap. De actoren proberen om hun acties objectief (naar waarheid) te analyseren. Dit actor model neemt aan, dat iedereen beschikt over empathie (het vermogen tot inleven in andermans positie).

Natuurlijk leidt empathie niet tot een volkomen begrip. Vooral de econoom F.A. Hayek betoogt met kracht, dat individuen alleen hun eigen directe leef-omgeving kunnen begrijpen23. Daarom zou de staat terughoudend moeten zijn met maatschappelijke coördinatie. Anderzijds pleiten filosofen sinds eeuwen voor een maatschappelijk of sociaal contract, dat de rechten en plichten van de burgers vastlegt. Dit contract kan worden opgevat als een collectieve moraal, die de individuele macht begrenst. De formulering van het contract vereist veel wederzijdse empathie van de burgers. De wiskundige K.G. Binmore heeft een interessant model bedacht voor dit proces. Dankzij een sociaal contract (constitutie, grondwet) en de bijpassende instituties wordt het egoïstische gedrag van individuen beteugeld. De bekende economen Buchanan en Tullock menen, dat zo een contract ook de verdeling van de welvaart moet vastleggen.

Helaas leidt de idee van het sociale contract tot problemen, die vragen om complexe oplossingen. Namelijk, het contract is een publiek goed met een sommatie technologie. De burgers zijn geneigd zich te onttrekken aan het contract, en zwart te rijden. De homo economicus rebelleert tegen de moraal. Bovendien heeft Hayek natuurlijk gelijk, dat het perfecte contract nooit wordt gevonden. Dus zelfs het verlichte eigenbelang kan de homo economicus niet volkomen veranderen in een homo sociologicus.

Discussie

Een actor model moet zo simpel mogelijk zijn. Echter mensen hebben allerlei irrationaliteiten, en dat maakt hen tot complexe wezens. Dit kan deels nog worden gerationaliseerd door de kosten van informatie en van zoeken naar alternatieven in rekening te brengen. Maar wat resteert aan irrationaliteit, dat maakt de nuts-maximalisatie van de homo economicus onmogelijk. Des ondanks, er zijn ook situaties denkbaar, waarbij de analist met recht alle irrationaliteit mag verwaarlozen. Dan blijft de abstractie simpel. Nuts-maximalisatie veronderstelt uiteraard individuele voorkeuren. Die voorkeur kan moreel zijn. Echter, de individuele moraal onttrekt zich gewoonlijk aan de waarneming van de analist. Hetzelfde geldt voor de invloed van emotionele symboliek. In zulke situaties heeft het model van de homo economicus weinig voorspellende waarde.

Het model van de homo sociologicus brengt de collectieve moraal (instituties) in rekening. De collectieve moraal kenmerkt het maatschappelijke evenwicht, en is daarom gestolde macht24. Rationaliteit verwijst dan naar de evolutionaire superioriteit van de moraal. Het gedrag wordt deterministisch. Wat meer geavanceerde modellen hanteren een actor, die vrij kan handelen binnen de beperkingen van de instituties (actor-institutie modellen). Aldus keert de homo economicus terug. Echter de collectieve moraal is dermate complex, dat zij niet volkomen kenbaar is voor de analist, en zulke modellen subjectief blijven. Echte actoren zijn enigszins irrationeel, homo economicus en homo sociologicus tegelijk. Des ondanks mag men hopen, dat in sommige gevallen de analist toch kan optreden als een objectieve waarnemer. Dan kan hij de waarheid achterhalen. Dit is bijvoorbeeld de opvatting van de institutionele analyse van E. Ostrom.

Tenslotte moet worden vermeld, dat actor modellen intensief worden onderzocht met behulp van laboratorium experimenten. Dit is het vakgebied van gedrags-economen, sociologen en sociaal-psychologen. Hun onderzoek geeft boeiende resultaten, maar het heeft de controverse over de actor-modellen niet kunnen oplossen. De resultaten zijn te vaak onderling strijdig. Dit ligt aan de opzet van de experimenten. De groep van proef-personen is nooit representatief voor de bevolking. En het experiment zelf heeft altijd eigenaardigheden, die een vergelijking met andere experimenten belemmeren25. Dit heeft er zeker aan bijgedragen, dat de blogs de beschouwingen over experimenten mijden, en zich vooral verdiepen in (politieke) veld-experimenten, de zogenaamde empirie.

Actor modellen in de bestuurskunde

Gelukkig kan een publiek goed vaak worden aangeboden via de markt, met name wanneer exclusie mogelijk is. Maar soms kan alleen de staat het goed produceren. Helaas dient een homo economicus niet het algemene (maatschappelijke) belang, maar zijn eigen belang. Dan moeten de werkers in de publieke sector worden gemotiveerd, omdat de marktdruk ontbreekt. Dit is traditioneel opgelost door de status van ambtenaar te geven aan die werkers. Deze status biedt allerlei voordelen aan de werker (pensioen, baan-zekerheid, regelmatige bevordering), die hem binden aan zijn bureaucratie. De organisatie verbreidt de mythe, dat er een ambtenaren-moraal bestaat. Dit is een rol-model. Het blijkt empirisch, dat ambtenaren zich daarmee identificeren26. Een nadeel is, dat de moraal vaak een obstakel is voor klant-gerichtheid en voor efficiëntie27. Met andere woorden, de ambtenaren-moraal is een perspectief, met eigen irrationaliteiten28.

Aldus is de ambtenaar een kruising van de homo economicus en de homo sociologicus. Opnieuw zijn de beide actor-modellen verzoend. Deze visie op het publieke bestuur wordt breed gedeeld binnen de wetenschap. In de systeem-theorie, zoals het pleit-coalitie kader (advocacy, PCK) en de afgebroken-evenwicht theorie (punctuated, PET), worden de publieke sectoren inderdaad beschreven als gesloten kringen met een eigen moraal. Er is een verkokering van beleid. Deze theorieën houden rekening met de interne spanningen van het systeem29. Volgens de public choice theorie leidt deze situatie tot beslisser-uitvoerder (principal-agent) problemen. De actoren handelen individueel rationeel, maar het resulterende beleid kan irrationeel worden. Zij hebben enige vrijheid binnen de beperkingen van hun organisatie, en onttrekken zich aan hun rol30. Passende instituties kunnen een collectieve rationaliteit aanmoedigen.


Het barrière model

In een voorgaande blog is de vorming van de beleids-agenda beschreven met twee modellen, te weten het afgebroken-evenwicht model (PET) en het meerstromen kader (MSK). De voorganger van deze modellen is het barrière model (afgekort BM). Het BM zal worden uitgelegd in deze paragraaf, omdat het een aansprekende logica heeft31. Het barrière model onderzoekt met name de legitimiteit van de staat. Beschouw allereerst de theorie van de democratie. De functie van de staat is om problemen op te lossen, die niet of minder goed door de burgers zelf kunnen worden opgelost. Deze opvatting van de staat impliceert, dat de beleids-problemen worden aangedragen door de burgers zelf. De maatschappij is pluralistisch. Burgers organiseren zich in belangen-groepen, die zo nodig de hulp van de staat inroepen. De politiek zoekt naar de beste oplossing, en draagt de regering op om haar uit te voeren. De staats-interventie is legitiem.

Een alternatieve theorie van de democratie is bedacht door Schumpeter. Volgens Schumpeter en Dahl dragen de burgers niet zelf problemen aan, maar wordt dat gedaan door beleids-ondernemers. Elke ondernemer stelt zijn eigen oplossing voor. Vervolgens kiezen de burgers de ondernemer, wiens oplossing de beste is. Nu is de staat minder legitiem, omdat de ondernemers wellicht sommige ernstige problemen negeren. In de radicale en intussen achterhaalde versie van het model van de klassen-strijd dienen de beleids-ondernemers vooral de belangen van de factor kapitaal. In de public choice theorie heeft M. Olson aangetoond, dat groepen zeer verschillen in hun vermogen tot collectieve actie. Het barrière model wil deze problematiek nader analyseren, en met name de verschillende obstakels inventariseren.

Volgens het barrière model eisen burgers een oplossing voor allerlei problemen. Dit vormt een agenda universum. Als de staat inderdaad verantwoordelijk is voor het probleem (demand), dan komt het op de publieke of maatschappelijke agenda. Echter, politici nemen slechts een fractie van deze agenda over, en vormen daarmee hun politieke agenda (de lijst van kwesties of issues)32. Daarna bereikt slechts een beperkt deel van de politieke agenda de besluitvormings-agenda, zeg de stemming in het parlement of de raad (decision)33. Vervolgens zal een deel van die agenda inderdaad worden geaccepteerd door het bestuur, zodat tenslotte de beleids-agenda ontstaat. Kennelijk moet een probleem vier barrières of filters passeren, alvorens het wordt aangepakt via beleid. In het BM verwoorden met name de massa-media de maatschappelijke eisen, en sturen daarmee de politieke agenda.

Figuur van beleids-hervorming
Figuur 3: Beleids-hervorming in het
   (b, g) veld; R = regering, E =
   Eerste Kamer, T = Tweede Kamer

Het BM is een lineaire beschrijving, te weten behoefte → eis → politieke kwestie → besluit → beleid34. Daarbij spreekt voor zich, dat er ook altijd enige terugkoppeling zal optreden. De volgorde is inderdaad logisch, vanwege de legitimiteit. Toch is er kritiek op deze voorstelling, omdat eigenlijk elke schakel in de keten het initiatief kan nemen. Zie het meerstromen kader (MSK). Ook is bekend, dat de massa-media en de politiek verweven zijn, zodat politici soms de media sturen. Toch is de kritiek raar. Immers, wat is het alternatief? Waarom zouden burgers betalen voor een beleid, dat zich onttrekt aan hun wil? Een dergelijk beleid zou uitnodigen tot maatschappelijke instabiliteit. Uw blogger vindt het BM heel geschikt als denkkader. Het is ook verenigbaar met het pleit-coalitie kader (PCK) en met het afgebroken-evenwicht model (PET). Gooi geen oude schoen weg zonder betere.

Het belang van de agenda-macht kan worden geïllustreerd met het ruimtelijke (spatial) model35. Stel er zijn drie actoren, die allemaal nodig zijn om een nieuw beleid te starten. Elk van de actoren kan des gewenst een veto uitspreken. Een voorbeeld is een regerings-coalitie, die steunt op drie partijen. Of beschouw de Nederlandse wetgeving, die steun moet krijgen van de regering (R), de Tweede Kamer (T), en de Eerste Kamer (E). De figuur 3 toont deze drie actoren in een veld van twee beleids-kwesties b en g. De punten zijn de posities (bj, gj) van actor j. Naarmate het feitelijke beleid verder afwijkt van het punt, wordt het minder aantrekkelijk voor j. Daarom zijn de cirkels rond de punten indifferentie-waarden van de verliesfunctie Lj van j. Het punt S is de status quo van het beleid. De ingetekende cirkels zijn het verlies van de beleids-actoren ten gevolge van de status quo.

De driehoek, die de drie punten (R, T, E) verbindt, wordt de kern van unanimiteit genoemd. Een nieuw beleid is mogelijk, wanneer alle actoren daarbij zullen winnen, of tenminste niet verliezen36. Met andere woorden, bij nieuw beleid moet de status quo liggen buiten de driehoek. Voor het punt S buiten de kern liggen de verbeteringen van het beleid in het licht-bruine oppervlak, dat is ingesloten door de drie verlies-cirkels. Idealiter ligt het nieuwe beleid natuurlijk in de kern. De regering R neemt altijd het initiatief bij het formuleren van wetgeving. Dit geeft R een agenda-macht. Immers, zij kan als nieuw beleid het punt N voorstellen. De actoren T en E zullen niet protesteren tegen het beleid N, want T is indifferent en E wint zelfs. En N is voor R optimaal binnen de kern. In dit geval staat R sterk in de onderhandeling met T en E dankzij haar recht van initiatief, wat voor de kamers een barrière schept bij de besluitvormings-agenda.

Een probleem van het barrière-model, en van andere modellen van agenda-vorming, is dat het proces van waarheids-vinding wordt genegeerd, of tenminste wordt verhuld. De modellen suggereren, dat de agendering van problemen geheel wordt bepaald door de machts-verdeling. Maar die macht wordt niet gekoppeld aan rationaliteit, deskundigheid, aan het beschikken over kennis en informatie, of aan recht. De barrières zijn niet expliciet bedoeld om onzinnige problemen te weren van de agenda37. Bijvoorbeeld zou een kaste van superrijken of de leider van een religie de toegang tot de agenda kunnen opkopen voor zichzelf. Nu gebeurt dit inderdaad, maar toch is hun heerschappij gewoonlijk tijdelijk38. Kennelijk zijn de barrières van de agenda permeabeler of lager dan de modellen suggereren.


De vrije keuze van consumptie

Er zijn vele politici, die op een paternalistische manier de publieke sector willen uitbreiden ten koste van de private sector. Een bekend voorbeeld is de econoom J.K. Galbraith, die in 1958 het boek The affluent society schreef39. Sindsdien is de staatsquote aanzienlijk gegroeid in alle westerse staten. Maar toch klaagt ruim veertig jaar na Galbraith bijvoorbeeld de Nederlandse bestuurskundige F. van Waarden nog steeds over publieke armoede40. Nu kan de burger zelf de omvang van de publieke sector bepalen door tijdens de verkiezingen voor het nationale parlement te stemmen op politieke partijen en hun programma's. Kennelijk vinden Galbraith en Van Waarden, dat de burgers een verkeerde keuze maken. Hebben de critici gelijk? Begrijpen de burgers niet wat goed is voor hen?

Publieke voorzieningen perken de vrijheid van consumptie in, omdat de burgers ze niet zelf naar believen kunnen inkopen. De kosten worden gedekt via de belasting-afdracht, en die is verplicht. De hoogte van de belasting-voet is een politiek compromis, evenals de besteding van de belasting-inkomsten41. Aldus zal het aanbod van publieke voorzieningen sub-optimaal zijn voor bijna alle burgers. Dit impliceert tevens, dat hun private consumptie wordt verstoord door de politieke keuze. Anders gezegd, de burgers kunnen hun inkomen niet zodanig besteden, dat het hun behoeften optimaal bevredigt. Zij moeten zich onderwerpen aan de heersende ideologie. De belasting-heffing is altijd gedifferentieerd naar de verschillende maatschappelijke actoren. Elke vorm van differentiatie is politiek omstreden. Daarom bepaalt het belasting-systeem mede het nut van een actor.

Afbeeldingen van nutsfuncties voor publiek goed
Figuur 4: Nutsfuncties voor publiek goed
   (a) bij vaste G; (b) bij vaste gk

Dit probleem is uiteen gezet in een eerdere blog over de nuts-analyse in de bestuurskunde42. De figuur 4a-b vat de situatie samen. Figuur 4a laat zien, dat het nut van de actor k daalt, naarmate zijn verplichte bijdrage gk aan de voorzieningen afwijkt van zijn optimum gk,o (bij een gegeven totale maatschappelijke bijdrage G). Natuurlijk hangt het nut van de actor k mede af van de bijdragen van de rest. Als gk gegeven is, dan stijgt zijn nut bij een toenemende G. Immers, publieke voorzieningen worden gekenmerkt door een positief extern effect43. Dit wordt weergegeven in de figuur 4b. Deze nutsstijging is gratis voor k, en een voordeel van publieke goederen. Echter, vaak zal zij onvoldoende compensatie bieden voor het verloren nut ten gevolge van de gedwongen belasting-afdracht (zie figuur 4a). Een andere blog over de nuts-analyse in de bestuurskunde heeft laten zien, dat deze fenomenen ook kunnen worden weergegeven als formules.

In de jaren zestig werd het gebruikelijk om de investeringen in publieke goederen voor te stellen als een gevangenen spel (prisoner's dilemma). Dit spel heeft de eigenschap dat de actoren onvoldoende bereid zijn tot samenwerking, en dat leidt tot een onder-consumptie van publieke goederen. Dat lijkt de bewering van critici, zoals Galbraith, te ondersteunen. Echter, sindsdien is duidelijk geworden, dat vele publieke voorzieningen helemaal niet lijden aan het dilemma van de gevangenen. De vraag naar publieke voorzieningen wordt bepaald door de manier, waarop de individuele baten ervan accumuleren of aggregeren. Bovendien zijn veel voorzieningen (zoals zorg, hoger onderwijs en openbaar vervoer) zowel rivaliserend als uitsluitbaar, en daarmee zijn zij verwant aan private goederen. Zij kunnen worden geleverd door de markt, die vraag en aanbod spontaan in balans brengt.

Overigens blijven in de private sector allerlei collectieve arrangementen mogelijk. Er zijn tal van tol- of club-goederen, die collectief worden geleverd aan de betalende leden van de club. De bestuurskundige E. Ostrom (winnaar van een Nobel prijs) meent, dat de zogenaamde gemene goederen (common pool resources) vaak het beste kunnen worden beheerd door coalities of verenigingen. Kennelijk zijn critici, zoals Galbraith, te negatief over de private consumptie. De analyse van de behoeften moet steeds rekening houden met de eigenaardigheden van voorzieningen. Marktwerking behoudt de vrijheid van de burger. Anderzijds bestaan er inderdaad tal van publieke goederen en diensten, die prikkelen tot onder-consumptie.

Ziehier een greep uit de groep voorzieningen, waar onder-productie en -consumptie dreigt: defensie, internationale interventies in burger-oorlogen, vernietiging van terroristische bases, zee-dijken, vuurtorens, straat-verlichting, bescherming tegen de atmosferische opwarming, grondwater bescherming, voorlichting over de besmetting door een virus, en financiële regulering44. Deze lijst is duidelijk korter dan die van critici, zoals Galbraith, die de staatsquote willen vergroten. Het kan zijn, dat zij eigenlijk publieke voorzieningen willen gebruiken om inkomens te her-verdelen.


Uit de oude doos: Adolph Wagner

De Duitse econoom Adolph Wagner (1835-1917) behoort tot de katheder-socialisten. Strikt genomen is dit een verkeerde aanduiding, want Wagner was geen socialist. Hij pleitte slechts voor een uitbreiding van de publieke sector45. Hier zal het actor-model worden beschreven, dat Wagner hanteert in het boek Grundlegung der politische Oekonomie (afgekort GO)46. Allereerst moet kort zijn concept van nut worden uitgelegd. Indertijd is het nog gebruikelijk om het utilitaristische nut te hanteren, in de vorm u(β, γ) = b(β) − c(γ) 47. In deze formule stelt b de baten voor van een bepaalde actie, en c de kosten. Het netto nut is dus genot minus pijn. Dit impliceert, dat nut noodzakelijk cardinaal is48. Deze nutsfunctie lag voor de hand, omdat indertijd ook de arbeidswaarde-leer nog gangbaar was. De arbeidslast kreeg veel aandacht.

De actor berekent zijn optimum als {max alle β, γ  u(β, γ)}, waarbij β en γ de bepalende variabelen zijn voor respectievelijk de baten en de kosten. Dit vertaalt zich in de eisen ∂b/∂β = 0 en ∂c/∂γ = 0. Met andere woorden, de actor moer zijn baten maximaal maken, en zijn kosten minimaal. Wagner noemt dit het economische beginsel: "das (...) Streben nach einer möglichst hohen Summe (Maximum) Arbeitserfolg für ein möglichst geringes Maass (Minimum) (...) Anstrengung oder Opfer in der Arbeit" (zie p.80 in GO)49.

Het eigen belang staat centraal in het actor-model van Wagner. Echter het gedrag van de actor wordt bepaald door diverse motieven. Zij betreffen (a) het verlangen naar goederen en diensten, (b) de hang naar een goede reputatie en naar status, en (c) het verlangen naar arbeidsvreugde of ontplooiing. De trouwe lezer herkent hierin met wat goede wil enkele motieven uit de piramide van Maslow. Voorts leidt Wagner twee motieven af uit de gedrags-inperking ten gevolge van (d) formele instituties en (e) informele instituties. Bij formele instituties moet de actor in zijn gedrag rekening houden met sancties. Bij de informele instituties denkt Wagner vooral aan de verinnerlijkte moraal. Dit motief (e) plaatst de actor in de rol van homo politicus, zodat hij niet wordt gedreven door het eigen belang, in tegenstelling tot de motieven (a) t/m (d).

Per saldo zijn de vijf motieven van Wagner nogal willekeurig. Bijvoorbeeld had hij ook veiligheid als motief kunnen noemen, of emoties. Bovendien stelt hij, dat de motieven sterk afhangen van plaats en tijd, via de cultuur. Zijn actor-model is meer sociologisch dan economisch, wat wellicht logisch is gezien de toenmalige dominantie van de Historische School in Duitsland. Des al niettemin is zijn actor-model ook naar moderne maatstaven nog verdedigbaar. Maar dat geldt niet voor de manier, waarop Wagner zijn actor-model toelicht en uitwerkt. Hij verlaat dan de positieve wetenschap, en wordt normatief. Bovendien zijn de morele standpunten van Wagner aanvechtbaar, en soms verwerpelijk.

Wagner meent, dat de klassieke economische theorie (die hij op p.78, 89 en 136 van GO Brits noemt) te materialistisch en egoïstisch is. Zij houdt enkel rekening met het motief (a), en pleit daarom voor concurrentie en vrijhandel. Zij is liberaal en bevordert het individualisme (p.78). Volgens Wagner corrumpeert dit de maatschappij (p.85, 115)50. Hij wil, dat de economie intensief gebruik maakt van het altruïstische motief (e), dat hij nader invult als het individuele plichtsbesef. Hoewel dit besef moet zijn verinnerlijkt, kan het worden aangemoedigd door maatschappelijke instituties, zoals de rechtsorde (motief (d), zie p.118, 131) en de christelijke religie (p.89, 117, 120, 132)51.

In een plichtsbewuste maatschappij zal het motief (b) de vorm krijgen van een oprecht eergevoel52. Dit zal de hele maatschappij op een hoger cultureel en moreel peil brengen, en ook de economische prestaties verbeteren53. Volgens Wagner is dit de ideaal-toestand (p.119). Hier blijkt het conservatisme van Wagner, bijvoorbeeld wanneer hij de Middeleeuwse gilden aanprijst (p.102, 127). Het maakt zijn actor-model minder geloofwaardig.

Een aparte vermelding verdient hier het anti-semitisme van Wagner. Alleen op de pagina's 70-130 in GO vindt men al twee misgrepen. Op p.122 schrijft hij: "Das Eindringen der Geldwirthschaft, (...), die Veramericanisirung oder auch die Verjudaisirung macht die Leute dem Händlerthum (...) ähnlicher". Op p.127 beweert hij zelfs: "Wo generationen-lang vielleicht Berufe betrieben wurden, welche zum Mammonismus besonders hinneigen, (...) da mag in der That wohl (...) mindestens von einer Uebertragung von Kindesbein an gesprochen werden dürfen (Judenthum)". Deze uitspraken illustreren, dat Wagner juist normatief een aantal verwerpelijke opvattingen huldigt. Des ondanks genoot Wagner indertijd veel internationaal aanzien, en wordt zijn werk ook nu nog vaak geciteerd. Deze blog wil aanzetten tot reflectie, en vermeldt daarom soms ook hatelijke en misleidende uitspraken (steeds voorzien van een protest).

  1. Al acht jaren terug besteedde de Gazet aandacht aan de Historische School. Deze stroming uit het einde van de negentiende eeuw meende, dat er nog onvoldoende kennis was om actor modellen te ontwerpen. Eerst moet meer informatie worden verzameld. Echter, deze benadering leidde enkel tot losse analyses van casussen, zonder enige samenhang. Elke ambitie om de werkelijkheid te verklaren werd opgegeven. Zie p.27 in Economisch motief en economisch principe (1945, N.V. Hoord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij) van P. Hennipman: "Uit het feit, dat de economische verschijnselen afhankelijk zijn van den wisselenden wil van den mensch, trekken [de aanhangers van de historische school] de conclusie dat het niet mogelijk is in het economisch leven regelmatigheden met het karakter van natuurwetten te ontdekken". En (p.104): "[De historische school] heeft zich krachtig verzet tegen de verwaarloozing van de niet-egoïstische motieven, welke (...) in het economisch leven dikwijls een belangrijke invloed uitoefenen". En (p.399): "De historische school wilde (...) een empirisch, historisch en sociologisch onderzoek naar de verschillende beweegredenen, waardoor de mensch zich in het economisch leven laat leiden". (terug)
  2. Op p.347 in New public management (2003, Routledge) stellen E. Ferlie en L. Fitzgerald: "The fundamental work on public choice theory, transaction costs and principal agent theory [is] provided by the New Right". Op p.144 in Mondige burgers, getemde professionals (2008, Van Gennep) geeft de Nederlandse publiciste E. Tonkens de voorkeur aan "postmoderne ethiek, die vertrekt vanuit de inherente onzekerheid, pluralisme en ambivalentie van de hedendaagse samenleving" boven "simpele doel-middel redeneringen en de theorieën, die daarop gestoeld zijn, zoals de rationele keuze theorie". Op p.239 raadt ze aan: "Stimuleer wedijveren wie de beste is, om de eer, in plaats van wedijveren wie de grootste is, om winst". Op Op p.344 in Microeconomic policy analysis (1984, McGraw-Hill, Inc.) geeft L.S. Friedman een tegen-geluid: "The strenght of the [rational choice] methodology is that the models are explicit and empirically testable, or falsifiable. If, by contrast, one simply interviewed [hospital] administrators and physicians, any story that sounded plausible might be accepted as the truth. (...) One also might not see the implications of the story for other situations". Uw blogger vindt deze polarisatie en politisering onvruchtbaar, en daarom een gruwel. (terug)
  3. Op p.483 en verder in Handbuch Policy-Forschung (2015, Springer Fachmedien) onder redactie van G. Wenzelburger en R. Zohlnhöfer raadt F. Wolf aan om de triangulatie van methoden toe te passen. De idee is dat verschillende methoden ieder een deel-aspect van het beleids-probleem belichten. Triangulatie geeft een nauwkeuriger inzicht in het probleem dan de toepassing van een enkele methode. Bijvoorbeeld kunnen de kwantitatieve en kwalitatieve methode worden gecombineerd. Anderzijds is dat dubbel werk. Ten minste moet de analist weten, welke methode het meest geschikt is voor een bepaald probleem. (terug)
  4. Merk op, dat deze voorstelling van zaken hedonistisch is. Er is plezier bj en pijn cj. (terug)
  5. Op p.394 in Behavioral economics (2014, Springer Gabler) nuanceert H. Beck echter het belang van de irrationaliteit: "Die Zweifel an die Rationalität des Menschen [stammen] weniger von den Ergebnissen der Empirie als vielmehr von der Tatsache, dass Belege für diese Idee zu viel Aufmerksamkeit auf sich ziehen". (terug)
  6. In de nieuwe institutionele economie (afgekort NIE) worden zulke lasten aangeduid als transactie-kosten. Zij omvatten ook de kosten, die moeten worden gemaakt om een contract op te stellen. Met name de bijdragen van Douglas North aan de NIE verzoenen economische en sociologische inzichten. (terug)
  7. Op p.278 in Economisch motief en economisch principe noemt Hennipman de heuristiek een verstandig gedrag. Hij noemt het zuiver rationele gedrag verstandelijk. Hoofdstuk 7 van dit boek is helemaal gewijd aan irrationeel gedrag. Maar indertijd was deze materie nog minder goed onderzocht dan nu. Op p.170 verwijst Hennipman naar de opvatting van J.H. Boeke, dat in de koloniale tijd de mentaliteit van de Indische inlanders niet overeen kwam met de homo economicus. Dit betreft vooral het soms irrationele en ondoelmatige gedrag. Kennelijk is de cultuur relevant. Een moderne beschouwing van heuristieken is hoofdstuk 3 in Sozialpsychologie (2008, Spektrum Akademischer Verlag) van L. Werth en J. Mayer. De auteurs onderscheiden heuristieken inzake representativiteit (indeling in typen), toegankelijkheid (van een reactie), en ankers (referentie-waarden). Een bron vanuit de gedrags-economie is hoofdstuk 2 in Behavioral economics. Beck noemt als heuristieken ook nog de bevestigings-voorkeur (confirmation bias), de terugblik-voorkeur, en overdreven optimisme. Daarnaast worden nog andere heuristieken aangedragen. Wellicht is het interessant om hun rol in de practijk van het bestuur te onderzoeken. Een eerste aanzet: volgens p.145 in The limits of public choice (1996, Routledge) van L. Udehn is de partij-ideologie een heuristiek, omdat kiezers niet alle partij-programma's willen afwegen. (terug)
  8. Het boek Homo oeconomicus (2003, Presses Universitaires de France) van P. Demeulenaere verwerpt de idee van de nuts-maximalisatie, omdat de nutsfunctie niet waarneembaar is. Enkel de acties zijn waarneembaar. De nutsfunctie zou een tautologie zijn voor de waargenomen actie. Zie bijvoorbeeld p.235, of 252, of 268-269. Dit standpunt is wel erg voorzichtig. In overzichtelijke situaties kan men wel degelijk geloofwaardige aannames maken over het nut van actoren. Daarnaast is het concept van de nutsfunctie een aansprekend denkkader, en dat is een verdienste, zelfs indien het niets zou verklaren. (terug)
  9. Dit beantwoordt nog niet de vraag, waarom de actor een deel wil zijn van de groep of gemeenschap. Een eerdere blog over groepen liet zien, dat de individu baat kan hebben bij zijn lidmaatschap. Volgens p.164 en 196 in Sozialpsychologie ontlenen actoren deels hun identiteit aan groepen (social identity theory). De groeps-moraal biedt een referentie-kader (frame) aan de actor. Echter dit past eigenlijk slecht bij het actor model de homo economicus, omdat die beschikt over vaste voorkeuren. Tegenwoordig is framing een belangrijk object van studie. Zie bijvoorbeeld p.153 en verder in Behavioral economics. In paragraaf 5.1 van dit boek wordt gesteld, dat actor modellen vaak uitgaan van altruïsme, billijkheid of wederkerigheid. Een sociale constructie baseert altijd op een denkkader of perspectief. De socioloog Udehn constateert op p.316 in The limits of public choice (1996, Routledge), dat elke groep haar eigen constructie heeft van de realiteit. Maar dan kunnen de groepen elkaar niet begrijpen, en kan de niet-coöperatieve speltheorie niet worden toegepast. Uw blogger meent echter, dat sociale constructies vooral ontstaan uit opportunisme. Vermelding verdient voorts, dat de invloed van de moraal sinds lang bekend is. Op p.184 in Economisch motief en economisch principe wordt verwezen naar de Duitse econoom Roscher (1817-1894), die zowel het eigen belang als de gemeenschaps-geest belangrijk vindt. Men zie ook de opvattingen van de Historische School, en die van Wagner aan het eind van deze blog. Op p.170 en verder benadrukt Hennipman het belang van instituties voor het handelen. (terug)
  10. Op p.31 in Foundations of social theory (1994, Harvard University Press) stelt J.S. Coleman: "My intent is not to suggest that everywhere and always persons act without regard to norms and with purely selfish interests. It is, rather, to indicate that at some point in the theory I take as problematic genesis and maintenance of norms, adherence of persons to norms (...) and identification with collectives. To begin with normative systems would preclude the construction of theory about how normative systems develop and are maintained" (cursivering van uw blogger). Coleman verklaart dus het ontstaan van normen uit het eigen belang. Evenzo stellen M. Crozier en E. Friedberg op p.18, 34 en 109 in L'acteur et le système (1977, Éditions du Seuil), dat instituties voortkomen uit de collectieve actie. Merk op, dat dit boek een essay is, en niet een wetenschappelijke studie (p.11). Een eerdere blog over het communitarisme beschrijft het Ik & Wij model van Etzioni. Hij neemt aan, dat er een bi-nut bestaat, samengesteld uit het eigen belang en de moraal. De moraal perkt de mogelijke individuele strategieën in. Etzioni koppelt de evolutie van instituties niet expliciet aan hun efficiëntie. Uw blogger vindt dit model wat vaag, al vertoont het overeenkomsten met actor-institutie modellen. (terug)
  11. Actie oriëntaties kunnen zijn opgelegd door de groep. Maar het is ook denkbaar, dat een actor kiest voor een oriëntatie, omdat die goed past bij zijn persoonlijkheid. Dan gedraagt hij zich als een homo politicus, en niet als een homo sociologicus. (terug)
  12. Uiteraard zijn er nog meer actie oriëntaties. Bijvoorbeeld, als de actor een min-teken plaatst voor de vj van wedijver, dan zal hij besluiten nemen, die de verschillen minimaal maken. Een dergelijke oriëntatie leidt tot egalitaire uitkomsten. (terug)
  13. Een eerdere blog heeft uitgelegd, dat de spel-theoreticus H. Gintis overtuigd is, dat actoren other-regarding zijn, en daardoor altruïstisch gedrag vertonen. Dit altruïsme baseert op wederkerigheid. Wederkerigheid is een overeenstemming over het proces, en kan niet worden gemodelleerd in termen van uitkomsten vj. Men kan een uitgebreide sociologische beschouwing over wederkerigheid vinden op p.329-337 in The limits of public choice. (terug)
  14. Op p.174-175 in Global collective action (2004, Cambridge University Press) van T. Sandler wordt een verrassend voorbeeld van een publiek goed gegeven, dat voldoet aan het gevangenen-spel. Het betreft de nationale bestrijding van terrorisme. Dat heeft hoge kosten, maar kan toch lonen, omdat het ontmoedigend werkt op terroristen, en de meer volhardende terroristen zullen uitwijken naar andere staten. Echter, wanneer die andere staten ook het terrorisme gaan bestrijden, dan verdwijnen de baten ten gevolge van het uitwijkende terrorisme. Het is nu denkbaar, dat alleen de ontmoediging niet meer opweegt tegen de gemaakte kosten. In die situatie wordt te veel geld besteed aan de bestrijding van terrorisme. Het zou beter (Pareto optimaal) zijn, wanneer geen enkele staat het terrorisme zou bestrijden. De verrassing zit in het feit, dat hier het publieke goed niet loont. Anders gezegd, het publieke goed bestaat hier uit niets doen. Volgens p.190 zouden de kosten van bestrijding kunnen bestaan uit een verlies aan vrijheid en privacy. Maar zodra een staat het optimum wil realiseren en de bestrijding opgeeft, veroorzaakt hij een positieve externaliteit voor de anderen. (terug)
  15. Het determinisme van de moraal gaat gewoonlijk gepaard met de veronderstelling, dat oplossingen voor maatschappelijke problemen moeten worden geconstrueerd. De moraal is subjectief, en niet de waarheid. (terug)
  16. Het standpunt van Coleman wordt gedeeld door Crozier en Friedberg op p.41 en verder, alsmede p.66 in L'acteur et le système. Maar op p.206 in The limits of public choice accepteert Udehn het niet: "The absence of power is a serious deficiency in the positive and normative versions of public choice alike". (terug)
  17. M. Zey ontkent op p.88 in Rational choice theory and organizational theory (1998, Sage Publications), dat de ruil als abstractie van macht zinvol is. Ze stelt, dat het gedrag zal worden beïnvloed door emoties. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik van symbolen. Op p.57 en 60 prijst zij de machts-middelen theorie aan. In paragraaf 5.2 van Behavioral economics wordt het effect van emoties nader onderzocht. Beck constateert op p.289, dat sommige emoties (zoals schaamte) feitelijk cultureel of moreel zijn bepaald. Kennelijk zijn de moraal en de macht verweven. Een eerdere blog sprak zelfs van een strijd om de hegemonie van sociale constructies. De invloed van de moraal is zonet al behandeld. Ook sommige bestuurskundigen menen, dat symboliek essentieel is in maatschappelijke processen. Verderop in deze blog wordt het barrière model behandeld, dat is bedacht door Cobb en Elder. Zij menen dat symboliek vaak wordt gebruikt bij het debat over beleid. (terug)
  18. Zey tilt op p.56 en 110 in Rational choice theory and organizational theory zwaar aan het ontbreken van een exit. Ze vindt de exit onmisbaar voor een billijke uitruil. De actoren worden als het ware in een maatschappelijke rol gedwongen. Maar volgens L'acteur et le système (bijvoorbeeld op p.24, 72, 91 en 113) heeft een actor altijd enige speelruimte, wegens de situationele onzekerheden. De onzekerheid is subjectief (p.84). Crozier en Friedberg verwerpen de idee van het starre systeem, zoals is voorgesteld door Parsons en Luhmann (p.29 en verder, 97 en verder). Hoewel hun betoog inspiratie put uit de speltheorie, willen zij volgens p.115 deze theorie niet formeel toepassen. Daarvoor is de empirische kennis van actie arena's nog onvoldoende. Hun actor-systeem model vormt de schakel tussen het structurele functionalisme en de hedendaagse actor-institutie modellen. (terug)
  19. De homo sociologicus is nog slechter gedefinieerd dan de homo economicus. Gewoonlijk veronderstellen sociologen, dat een actor zich gedraagt volgens de verwachtingen van zijn maatschappij en groep. Zij ontkennen het eigen belang niet, maar vinden het van ondergeschikte betekenis. Zie bijvoorbeeld The limits of public choice. De afhankelijkheid van de groep maakt de homo sociologicus vatbaar voor machts-invloeden. (terug)
  20. Zie het betoog van J. Beyer p.149 en verder in Handbuch Policy-Forschung. De homines sociologici zullen enkel afwijken van het pad, wanneer er een externe schok of interventie is. Paden ontmoedigen ingrijpende innovaties. De afwijking veroorzaakt kosten, omdat de actoren hun oude gedeelde norm moeten afleren, en moeten wennen aan een nieuwe. (terug)
  21. Een eerdere blog somt een aantal belangrijke factoren op, die kunnen doorwerken in het nut van een actor. Een model kan nooit rekening houden met al die factoren. Men kan enkel hopen, dat het grootste deel van deze factoren empirisch mag worden verwaarloosd. (terug)
  22. Op p.155 in The limits of public choice wordt een schema van Parsons gepresenteerd, dat het uitoefenen van macht splitst in overtuigen, aanmoedigen, aandringen, en dwingen. Volgens p.144-145 en 162 bestaat macht vooral uit overtuigen op emotionele gronden, en uit aandringen op basis van gezag. (terug)
  23. F.A. Hayek betoogde dat voor het eerst in het klassieke boek The road to serfdom (2007, The University of Chicago Press). Hayek meent dat elke vorm van centrale planning is gedoemd om te mislukken. Daarom zou planning noodzakelijk leiden tot de vorming van een dictatuur. Deze theorie is weerlegd door de practijk. Men zie bijvoorbeeld Frankrijk, dat onder president De Gaulle gedurende decennia een geplande economie had. (terug)
  24. Men kan ook stellen, dat de instituties zorgen voor een pad-afhankelijkheid. (terug)
  25. Gedrags-economen recruteren hun proef-personen gewoonlijk onder economie-studenten. Het probleem is natuurlijk, dat elke selecte groep haar eigen heuristieken heeft ontwikkeld. De proef-personen houden daaraan vast in het laboratorium, zeker wanneer het experiment zelf weinig prikkels genereert. Een belangrijke factor van het experiment is de beloning voor de proef-personen. Een experiment wordt pas geloofwaardig, wanneer zij echt iets kunnen winnen. Zie in The limits of public choice bijvoorbeeld p.261: "Experimental studies have produced a morass of inconsistent findings. (...) This is due to differences in experimental design". Op p.270 over publiek-goed experimenten (een gevangenen-spel met meer dan twee spelers): "Economic students free ride much more than others: only 20 per cent of their resources were allocated to the provision of public goods". Men vraagt zich af wat het percentage is van verpleegsters, of van gepensioneerde politie-agenten. Maar op p.271 over een ander experiment: "They included one experiment with sociology students. The outcome was the same as with the economists". Wilkinson schrijft op p.338 in An introduction to behavioral economics (2008, Palgrave Macmillan), over publiek-goed spellen: "Generally subjects in experiments contribute about half of their resources. There is, however, a wide range of responses, with a majority of players contributing either all their resources or nothing". Ook The bounds of reason (2009, Princeton University Press) van H. Gintis beschrijft allerlei experimenten, bijvoorbeeld in hoofdstuk 3. De resultaten zijn zeer divers. Aangezien zij allemaal statistisch significant zijn, beweert uiteraard elke onderzoeker, dat zijn eigen resultaten de juiste zijn. Wetenschappelijke wedijver heeft voordelen, maar hier zou een standaard protocol voor experimenten helpen. (terug)
  26. Op p.204 in The public administration theory primer (2003, Westview Press) van H.G. Frederickson en K.B. Smith wordt gewezen op de inzet van brandweermannen, die vrijwillig het gevaar trotseren. Ook p.193 en 201 stellen, dat de publieke sector een eigen moraal heeft. Verderop in deze blog wordt het denken van de econoom Wagner beschreven. Hij meent, dat de beroeps-moraal (als plichtsbesef) leidt tot een bloeiende economie. Maar hij erkent ook, dat het eigen belang nooit kan worden uitgeschakeld. (terug)
  27. Dit geldt ook voor de bestuurskunde als opleiding. Op p.202 in The public administration theory primer wordt dit als volgt geformuleerd: "As the concept of public atrophies under the paradigmatic insistence of rational choice, students, teachers and scholars of public administration are left with an identity crisis". Wellicht is hier het probleem, dat de bestuurskunde zich niet verdiept in de financiering van de publieke sector. Dan zou dit moeten worden geïntegreerd in de opleiding, zodat zij een bewustheid van kosten aanleert. (terug)
  28. Op p.404 van Behavioral economics stelt Beck: "Man muss die Annahme machen, dass eine Regierung, die das irrationale Verhalten ihrer Bürger heilen will, selbst nicht diesen irrationalen Verhaltensweisen zum Opfer fällt". (terug)
  29. De advocacy en punctuated equilibrium benaderingen zijn verwant aan het actor-systeem model van Crozier en Friedberg. Op p.102 in L'acteur et le système wordt erkend, dat de actor enige bescherming vindt in zijn rol binnen de organisatie. Maar bij Crozier en Friedberg streeft de actor ook zijn eigen belang na (p.23). Dat maakt systemen en organisaties potentieel instabiel (p.94). (terug)
  30. Het boek L'acteur et le système is helemaal gewijd aan de relatieve vrijheid van de actor in de organisatie. Op p.110-111 wordt geconstateerd, dat dit kan leiden tot crises. Echter meestal zijn organisaties stabiel, want zij willen overleven. Daarom raadt Scharpf aan om toch een analyse altijd te beginnen bij de instituties van de organisatie. (terug)
  31. Geraadpleegd zijn met name p.68-71 in Overheidsbeleid (2008, Kluwer) van A. Hoogerwerf en M. Herweijer, p.135-142 in Beleid in beweging (2012 Boom Lemma uitgevers) van V. Bekkers, p.181-195 in Beleid en politiek (1989, Dick Coutinho) van H. van de Graaf en R. Hoppe, en Politiques publiques (1989, Presses Universitaires de France) van Y. Meny en J.-C. Thoenig. Het barrière model is vooral afkomstig van Cobb en Elder. De Nederlandse boeken verwijzen ook graag naar Van der Eijk en Kok, maar dat is een nationale eigenaardigheid. (terug)
  32. Volgens p.183 in Politiques publiques hebben burgers een cultureel kapitaal nodig om hun eis op de politieke agenda te krijgen. Het cultureel kapitaal is een vondst van de socioloog P. Bourdieu (een neo-marxist). Het betreft de culturele aspecten van menselijk kapitaal. Zij houden een klassen-structuur in stand. Zie Le capital social (2006, Éditions La Découverte) van S. Ponthieux. Uw blogger kan er weinig mee. (terug)
  33. Volgens p.185 in Politiques publiques zijn er allerlei manieren om een eis te weren van de besluitvormings-agenda. Bijvoorbeeld kan een commissie worden ingesteld om de kwestie te bestuderen (zie ook p.205). Maar dat is een wel erg cynische perceptie. Objectief moet dit worden beschouwd als een proces van waarheids-vinding. (terug)
  34. Althans, p.139 in Beleid in beweging noemt het BM lineair. Op p.71 in Overheidsbeleid wordt juist gesteld, dat het model niet lineair moet worden opgevat. (terug)
  35. Zie p.117 in Handbuch Policy-Forschung. Feitelijk gaat dat hoofdstuk over de veto-spelers theorie van Tsebelis. (terug)
  36. Lezers, die houden van concrete voorbeelden, kunnen denken aan het kabinet Rutte II, dat geen meerderheid had in de Eerste Kamer. Het beleid b en g zouden respectievelijk het bijzonder onderwijs en het gezinsbeleid kunnen betreffen. De VVD en de PvdA willen dit beleid verminderen, en dus de Tweede Kamer ook. In de Eerste Kamer zijn de christelijke partijen CDA en CU sterker dan in de TK. Daarom hecht de EK wat meer aan een sterke b en g. De regering wordt geadviseerd door ambtenaren, die deels christelijk zijn, maar ook loyaal aan het kabinet. Daarom heeft R een positie tussen de TK en de EK. Deze beschrijving van de realiteit wil enkel het model verlevendigen. Zij is niet wetenschappelijk geverifieerd. (terug)
  37. In dit opzicht komt het barrière model overeen met het actor-systeem model in L'acteur et le système en met de public choice theorie. Crozier en Friedman nemen slechts aan, dat het systeem moet kunnen overleven. De public choice theorie veronderstelt wel, dat er altijd een centrale beslisser (principal) is. Voorts neemt de public choice theorie aan, dat actoren (ook collectieven) individueel rationeel handelen. (terug)
  38. F.W. Scharpf betoogt in Community and autonomy (2010, Campus Verlag GmbH) dat de ontwikkeling van beleid in de Europese Unie wordt gehinderd door de veto-macht van de afzonderlijke lidstaten. Dat geldt met name voor de sociale zekerheid, belastingheffing, werkgelegenheids-beleid en de industriële structuur. Zie p.143 en 180. Toch is er een tendens naar harmonisatie. (terug)
  39. Zie The affluent society (1999, Penguin Books) van J.F. Galbraith. Hij stelt op p.186: "The line which divides our area of wealth from our area of poverty is roughly that which divides privately produced and marketed goods and services from publicly rendered services. Our wealth in the first is not only in startling contrast with the meagerness of the latter, but our wealth in privately produced goods is, to a marked degree, the cause of the crisis in the supply of public services". (terug)
  40. Zie p.115-116 in Leven na Paars? (2001, Prometheus) onder redactie van J. Bussemaker en R. van der Ploeg: "Waarom maken we ons grote zorgen over de groei van de medische zorg-consumptie, maar verblijden we ons blijkbaar over een groei van de bier-consumptie? (...) [Men kan] echter een eventuele private rijkdom als oorzaak van publieke armoede zien". (terug)
  41. De derde blog over speltheorie in de bestuurskunde onderzoekt het geval van twee actoren, bijvoorbeeld de arbeiders-klasse en de klasse van kapitalisten. De klassen leveren allebei een bijdrage gk (met k=1, 2) aan de publieke voorzieningen. Iedere klasse kiest zijn beste bijdrage, gegeven de bijdrage van de andere klasse. Het blijkt, dat in afwezigheid van enigerlei coördinatie (dus bij unilateraal handelen) de beide klassen een sub-optimaal evenwicht bereiken. Een (Pareto) efficiënt punt kan enkel worden bereikt, wanneer zij onderling overleggen. Overigens veronderstelt dit simpele model, dat de behoeften van elke klasse intern homogeen zijn. Dat is uiteraard een fictie. Het maatschappelijke compromis over de belasting-afdracht en de bestedingen is uiterst complex, en altijd onbevredigend. (terug)
  42. In de genoemde blog wordt verondersteld, dat de baten van de publieke voorziening aggregeren volgens een sommatie-technologie. (terug)
  43. Als G stijgt, dan zal blijkens de berekeningen in een blog over de bestuurskundige nuts-analyse de optimale bijdrage gk,o van de actor k dalen. De actor k wil een groter deel van zijn inkomen besteden aan private consumptie. De facto is de toename van G een stijging van zijn inkomen, en dat leidt tot een substitutie-effect. Natuurlijk kan hij niet zelf beslissen over de wijziging van gk, want dat is een politieke keuze. (terug)
  44. Veel van deze goederen en diensten worden genoemd in Global collective action. (terug)
  45. Wagner was aanvankelijk actief in de Verein für Socialpolitik, en behoorde toen tot de Historische School. Maar hij werd toenemend conservatief, terwijl de school zich in de liberale richting ontwikkelde. Daarom verliet Wagner de Verein. Hij werd bestuurslid van de Christlich-Soziale Partei, die zich onder Adolf Stoecker profileerde met anti-semitisme. Stoecker werd benoemd tot Hof-predikant, wat uw blogger aanzet tot sombere bespiegelingen. (terug)
  46. Zie hoofdstuk 1 in boek 1 in de eerste halve band in het eerste deel van Grundlegung der politischen Oekonomie (1892, C.F. Winter'sche Verlagshandlung) van A. Wagner. De twee delen tezamen kostten €58, wat veel geld is. Ze zijn niet bijster leerzaam, omdat indertijd de economische inzichten nog gering waren. Maar het boek geeft een origineel perspectief op de economische sociologie, en stimuleert zo het autonome denken. (terug)
  47. Men zie ook de arbeids-waarde theorie van S. de Wolff in Het economisch getij (1929, J. Emmering). (terug)
  48. Zeker in de twintigste eeuw gaven economen de voorkeur aan het ordinale nut, omdat dit eenvoudiger is. Deze moderne theorie beschouwt enkel het positieve nut, en stelt de kosten voor door begrotings-beperkingen, in plaats van door een psychische onlust. Echter toen al voldeed die moderne voorkeur matig, onder andere in de speltheorie, waar standaard het cardinale nut en het utilitarisme worden gehanteerd. Bovendien, wanneer de onlust wordt genegeerd, dan is het niet mogelijk om arbeids-leed te modelleren. Dat is een probleem, omdat het arbeids-leed de lengte van de werkdag bepaalt. (terug)
  49. Hennipman stelt op p.253 in Economisch motief en economisch principe: "Het [economisch beginsel] blijkt uit drie bestanddelen te bestaan: de aantrekking van productie-middelen zoolang de opbrengst grooter is dan de kosten, de bevrediging der behoeften naar rangorde van dringendheid en tenslotte de inachtneming van het technisch beginsel bij de bevrediging van iedere afzonderlijke behoefte". Het tweede bestanddeel noemt Hennipman het economisch beginsel "in engen zin". Het technisch beginsel stelt dat technisch doelmatig moet worden gehandeld, dat wil zeggen, "voor het bereiken van een kwantitatief en kwalitatief bepaald afzonderlijk doel [wordt] een zoo gering mogelijke hoveelheid goederen gebezigd" (p.240). Hennipman slaagt er in om 460 pagina's te vullen met dit soort nuanceringen. In de moderne economie wordt als object gekozen het menselijk gedrag, voor zover het wordt beheerst door de spanning tussen de subjectieve doeleinden enerzijds en relatief schaarse, alternatief bruikbare middelen anderzijds. Deze beknopte formulering, die afkomstig is van L. Robbins, wordt vermeld op p.7 in Micro-economie (1996, Stenfert Kroese) onder redactie van F.J. Dietz. (terug)
  50. Enkele citaten van de eerste halve band in het eerste deel van Grundlegung der politischen Oekonomie, op p.115: "Das ungemein schwere (...) Bedenken gegen das (...) Wirthschafts-system des Individualismus ist die (...) Steigerung der Erwerbssucht und der Genusssucht". En op p.126: "Die öffentliche Meinung und das sittliche Gefühl jedes Einzelnen stumpft ab, Geld um jeden Preis". Op p.131: "Das System der freien Concurrenz stumpft die edleren und anständigeren Motive des wirthschaftlichen Handelns zu stark ab". Hij zwijgt over de doelmatigheid en efficiëntie. Wagner staat natuurlijk niet alleen in zijn kritiek op het individualisme. Durkheim vreest de opkomst van de anomie, en Marx waarschuwt tegen de vervreemding. In dezelfde geest ontwaart Veblen rond de vorige eeuw-wisseling een klasse van ontaarde renteniers. Tegenwoordig is het individualisme vooral een deugd geworden. Het bevordert de individuele autonomie en ontplooiing. (terug)
  51. Dit is wat tegenstrijdig. Als een moraal of plichtsbesef extern wordt aangeleerd, bijvoorbeeld in de opvoeding, dan is het geen vrije keuze meer. Men bevindt zich dan in het schemergebied tussen de formele instituties (motief (d)) en de informele instituties (motief (e)). Wagner waarschuwt regelmatig, dat motieven altijd onderling verweven zijn. Bovendien meent hij, dat de menselijke aard slechts beperkt maakbaar is. Mede daarom verwerpt hij de socialistische ideologie. (terug)
  52. Tegenwoordig wordt in Nederland nog steeds gepleit voor werken om de eer, vooral in linkse kringen. Men zie De economie van de eer (2007, Veen Bosch & Keuning uitgevers N.V.) van D. Pels, of Mondige burgers, getemde professionals (hier op p.239: "Stimuleer wedijveren wie de beste is, om de eer, in plaats van wedijveren wie de grootste is, om winst"). (terug)
  53. Op p.122 in de eerste halve band in het eerste deel van Grundlegung der politischen Oekonomie somt Wagner op: "mehr und bessere Arbeit, vernünftigere, sittlichere Gestaltung der Vertheilung des Productions-ertrags und der Consumtion, geringerer Aufwand für Controlen und der gleichen". Hij onderbouwt deze beweringen niet met feiten. (terug)