Toepassingen van het actor-gerichte institutionalisme

Plaatsing in Heterodoxe Gazet Sam de Wolff: 5 december 2019

E.A. Bakkum is blogger voor het Sociaal Consultatiekantoor. Hij denkt graag na over de arbeiders beweging.

Allereerst worden enkele begrippen gedefinieerd, te weten de (collectieve) goederen en de collectieve actoren. Een taxonomie wordt voorgesteld. Vervolgens worden drie Nederlandse toepassingen van de institutionele analyse gepresenteerd, waaronder de leefsituatie index van het SCP. Diverse constellaties van beleid worden gemodelleerd met de niet-coöperatieve en coöperatieve speltheorie. Vaak kunnen zij worden geformuleerd in termen van matrix spellen. Ook worden figuren van één- en twee-dimensionale keuze-modellen toegepast op beleids-problemen.


Publieke goederen

Ruim zes jaren terug heeft een column in de Gazet de publieke goederen vrij nauwkeurig gedefinieerd. Omwille van het inzicht wordt die uitleg nu beknopt samengevat in de tabel 1. De tabel laat zien, dat er feitelijk een taxonomie van goederen bestaat. Zij is gebaseerd op twee kenmerken, te weten de uitsluitbaarheid en de rivaliteit van het goed1. Bij een uitsluitbaar goed kan de toegang tot zijn consumptie worden beheersd. Dat maakt het mogelijk om een betaling te eisen van de individuele consument. Bij rivaliteit wordt het goed verbruikt tijdens de consumptie, zodat het nut eenmalig is. Aldus worden private goederen gekenmerkt door uitsluitbaarheid en rivaliteit van consumptie. Dit maakt het mogelijk om ze te leveren via de markt, tegen een vaste prijs. Anderzijds kunnen actoren niet worden uitgesloten van de consumptie van publieke goederen, en ontbreekt bovendien de rivaliteit. Zulke goederen moeten collectief worden betaald, via belastingen.

Afbeelding van Centra kwartet kaart
Figuur 1: Centra
   kwartet kaart
Tabel 1: taxonomie van goederen
  uitsluitbaar
  janee
rivaliteitjaprivaat(al)gemeen
neeclubpubliek

Defensie, zee-dijken, vuurtorens, en straatverlichting zijn voorbeelden van publieke goederen. Club goederen zijn uitsluitbaar, maar lijden niet onder rivaliteit. Denk aan een bibliotheek. Immers, boeken zijn meermaals leesbaar. Het kan ook abstracter. In een gezelligheids-club is het collectieve goed simpelweg het samenzijn2. Het club goed veroorzaakt een positieve externaliteit aan het collectief van leden, omdat de betaling eenmalig is. Gemene goederen zijn niet uitsluitbaar, en hebben een rivaliteit van consumptie. Hieronder vallen de collectieve grondstoffen, zoals viswater of grondwater (common pool resources). Bij overgebruik veroorzaakt de consument een negatieve externaliteit voor de anderen. Dit leidt tot het gevangenen-dilemma (prisoner's dilemma)3. Hetzelfde dilemma treedt op bij de collectieve betaling van publieke goederen.


Definities van collectieve actoren

In diverse columns is gebleken, dat concepten en begrippen (zoals governance, institutie, of netwerk) in de bestuurkunde niet eenduidig worden gedefinieerd. De huidige paragraaf wil althans in de Gazet enige duidelijkheid scheppen over de diverse typen van actoren in de actie arena. De bestuurskundige Fritz Scharpf maakt in Games real actors play (afgekort GA) allereerst onderscheid tussen collectieve actoren en geaggregeerde actoren4. Geaggregeerde actoren zijn verzamelingen van individuen met een gedeeld kenmerk, zoals het beroep, de leeftijd, de woonplaats enzovoort. Zij hebben niet per se een onderling contact, maar handelen individueel en zonder rekening te houden met de rest. Des ondanks kan hun gedeelde kenmerk toch resulteren in kenmerkend handelen. Anderzijds delen collectieve actoren een doel, actie, hulpmiddelen of de besluitvorming (p.57 in GA).

Zeer omstreden is het netwerk-begrip. Uw columnist kiest voor de definitie van de econoom Paul Frijters: "Networks consist of functional lines of information and trade between individuals, without any power-based relations or shared ideals amongst members of the network". Hierbij moet worden opgemerkt, dat het lid van een netwerk kan bestaan uit een organisatie of collectieve actor. Men vindt dit ook in de modellen van Frijters zelf - al is natuurlijk de spreekbuis van de organisatie weer wel een vertegenwoordiger5. Gewoonlijk kan een coalitie worden opgevat als een netwerk. De coalitie coördineert haar acties via overeenkomsten, die worden gesloten in onderhandelingen. Overigens komt men in de sociale psychologie het netwerk-begrip nauwelijks tegen. Zij verdiept zich vooral in de groep. De groep bestaat uit personen, die gedurende enige tijd handelen voor een gedeeld doel, met een gedeelde moraal6.

Verenigingen en clubs zijn collectieve actoren, die hun hulpmiddelen in collectief eigendom hebben. Zie de tabel 2, overgenomen van p.57 in GA. Zij hebben leden, zodat de besluitvorming kan verlopen via hoofdelijke stemmingen. Dan is de aansturing centraal, door de algemene ledenvergadering. Gewoonlijk is de vereniging meer gericht op een gedeeld doel dan de club7. Scharpf onderscheidt ook nog de maatschappelijke beweging, die kennelijk een hybride vorm is tussen de coalitie en de vereniging (p.55 in GA). Aangezien er geen leden zijn, moet de besluitvorming verlopen via consensus. Bovendien wordt de massa-beweging gewoonlijk toch gedragen door organisaties8. Uw columnist denkt, dat de beweging geen groep is.

Tabel 2: taxonomie van collectieve actoren
 coalitiebewegingclubvereniging
doelindividueelgedeeldindividueelgedeeld
middelenindividueelindividueelcollectiefcollectief
besluitenonderhandelingconsensusstemmingstemming

Als laatste (maar niet als minste) is er de hiërarchie, die wel als een groep wordt beschouwd. Volgens Frijters heeft de hiërarchie een leider, die als enige de besluiten neemt. Hij bestuurt zijn groep via bevelen. Zijn ondergeschikten zijn louter uit materieel eigenbelang lid van de groep9. De ambtelijke hiërarchie of bureaucratie is hiervan een bijzondere vorm, die zich kenmerkt door regels, die gelden voor de hele organisatie, inclusief de leiding. Weber heeft de bureaucratie diepgaand onderzocht, en tal van kenmerken opgesomd. Zij zijn hier niet zo relevant, en kunnen worden gevonden in elke gedegen inleiding in de bestuurskunde10. Scharpf (en trouwens ook anderen) noemt de hiërarchie een corporatieve (corporate) actor (p.56 in GA), ter onderscheiding van de collectieve actoren. Ook de term organisatie wordt veelvuldig gebruikt11.


Drie modellen van de staat

In Institutionalism: state models and policy processes hanteren de bestuurskundigen O. van Heffen en P.J. Klok drie perspectieven op de staat, te weten de markt, de hiërarchie, en het netwerk12. Het is fascinerend, dat zij de drie perspectieven analyseren met behulp van de institutionele analyse en ontwikkeling (IAO). De IAO stelt, dat de actie arena wordt beheersd door zeven variabelen, te weten de actoren K, de voorkeuren U, de strategieën S, de middelen R, de informatie I, de posities P, en de uitkomsten Q 13. Deze variabelen leiden tot zeven institutionele regels. K wordt beperkt door regels van toetreding, P door positie regels, S door de gezags-regels, R door de regels van aggregatie, Q door de regels van armslag (scope), I door informatie-regels, en U door de regels van afrekening (payoff). De IAO modelleert een actor k als A(u, r, i ,d). Hier is u de eigen voorkeur van k, r is zijn bezit, i beschrijft zijn omgang met informatie, en d is zijn manier van besluiten.

Volgens de analyse van Van Heffen en Klok zijn de actoren op de markt de kopers en de verkopers. De markt kan volstaan met marginale instituties, zodat de actoren veel vrijheid behouden. De coördinatie verloopt via de prijsvorming, die spontaan of bilateraal kan zijn. De actor k is gericht op zijn eigenbelang. De actoren in het hiërarchische perspectief op de staat zijn het openbare gezag en de burgers. Hier zijn de instituties juist nogal dwingend. Het gezag kan naar eigen goeddunken besluiten nemen, althans zolang daarmee het algemeen belang wordt gediend. Deze besluiten moeten wel voldoen aan de grondwet, en de goedkeuring van de volks-vertegenwoordiging krijgen. De burgers houden dus enige controle via de achterdeur van verkiezingen. Kennelijk zorgt het polyarchie-model van Schumpeter en Dahl voor de legitimiteit. De overheid is een corporatieve actor.

Volgens Van Heffen en Klok bestaan in het netwerk-perspectief de actoren uit de leden van het netwerk, alsmede uit de buitenstaanders. De toegankelijkheid van het netwerk zal variëren per beleids-probleem. Dat probleem bepaalt het bestaansrecht van het netwerk. Namelijk, het probleem vereist middelen R, die worden geput uit het bezit r(k) van de diverse actoren k. De besluitvorming vindt plaats binnen en door het netwerk, op basis van onderhandelingen. Het collectieve belang van het netwerk en het eigenbelang moeten worden verzoend. Maar de kosten kunnen zo nodig worden afgewenteld op buitenstaanders14. Uw columnist tekent aan, dat het perspectief op de staat doorwerkt in de types van goederen, die kunnen worden geproduceerd15. Voorts is het wellicht leerzaam om de drie modellen te vergelijken met de staatsmodellen uit een eerdere column.


Participatie in het gemeentelijk bestuur

In Structuring participatory governance through particular rules in use passen P.J. Klok en B. Denters de IAO toe op de participatie van inwoners in de gemeentelijke besluitvorming16. Het gemeente-bestuur kan een netwerk vormen van belangen-groepen, dat een collectief advies moet uitbrengen over een bestuurlijk voornemen. Participatie maakt het bestuur meer klantgericht. De burgers krijgen meer macht (P, R, S) dan bij inspraak, waarbij zij enkel worden gehoord, en informatie I verschaffen. Een nadeel is, dat zij de behandeling van burgers ongelijker maakt. In de vorige paragraaf is immers geconstateerd, dat een netwerk vanzelf leidt tot de uitsluiting van buitenstaanders. Het netwerk moet zeer open zijn, ten einde legitimiteit te geven aan het advies (Q).

Een open en tijdelijk netwerk beschikt nauwelijks over interne regels. Het gemeente-bestuur zal zelf moeten zorgen voor de (bege)leiding van het netwerk. Het gaat hier om een vorm van netwerk-sturing. De IAO geeft het fundament om zo een netwerk-overleg te voorzien van procedurele regels. Bijvoorbeeld moet worden vastgelegd, wie de agenda bepaalt. Heldere regels vergroten de kans op acceptatie van het uiteindelijke besluit. Het bestuur houdt in dit geval ten minste de beslissing over het beleid in eigen hand, en kan aldus de legitimiteit bewaken. De eventuele negatieve externaliteiten van het advies kunnen binnen de perken worden gehouden. Ook bepaalt het bestuur de middelen R, die het beschikbaar stelt voor het voornemen. Des al niettemin moet worden afgewogen of de baten van de participatieve aanpak opwegen tegen de lasten.

De auteurs werken een casus uit, waar de aanpak vermoedelijk inderdaad lonend was. De actie arena is hier de herbouw van een woonwijk. De belangen en de kosten zijn aanzienlijk. De (ex-)bewoners zijn de direct belang-hebbenden. De gemeente organiseert het overleg in allerlei groepen en sub-groepen. De verschillende sub-groepen worden zodanig ingericht, dat verschillen in hun macht enigszins worden gecompenseerd. De uitkomst Q van het netwerk is een rapport over feiten (I) en voorkeuren (U), onder redactie van een (gemeentelijke) deskundige. De rapporteur geeft aan elke inbreng van de groepen een bepaald gewicht17. De auteurs concluderen, dat de IAO in deze casus een handige systematiek aandraagt. Merk overigens op, dat Ostrom zelf de IAO vooral heeft toegepast op vrij simpele gevallen, waar zelf-organisatie mogelijk was met weinig externaliteiten.


De leefsituatie index van het SCP

Ideeën zijn gewoonlijk breder toepasbaar dan hun uitvinders voorzien. Dat geldt ook voor het AGI en de IAO. De huidige paragraaf past nogal verrassend deze twee kaders toe om de leefsituatie index λ van het Sociaal en cultureel planbureau (SCP) te beschrijven. Daarbij wordt geput uit het rapport Wellbeing in the Netherlands (afgekort WN), dat het SCP publiceerde in 2010. De index λ(k) beschrijft de toestand van leven, waarin een Nederlandse burger (als individuele actor k) zich op een tijdstip t objectief bevindt (p.16 en 36 in WN). Aangezien het leven tal van facetten (of domeinen) heeft, is λ natuurlijk samengesteld uit een aantal indicatoren. Bijvoorbeeld hanteert de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (afgekort OESO) als domeinen de demografische groep, werk, inkomen, huisvesting, gezondheid, opleiding, en veiligheid (p.63 in WN)18. Natuurlijk zijn de indicatoren van de domeinen ook zelf weer samengesteld19.

Afbeelding van kader van de leefsituatie index
Figuur 2: kader van de leefsituatie index

De figuur 2 toont het kader, dat het SCP gebruikt om de leefsituatie te modelleren. Zie p.71 in WN. Er is een treffende gelijkenis met het schema van het AGI, en daarom eveneens met het schema van de IAO. Het AGI en de IAO zijn gericht op de besluitvorming inzake een beleidsprobleem. Het kader van λ plaatst de levenskeuzes van de actor k op een tijdstip t centraal (p.41). De actor beschikt over bepaalde mogelijkheden en kansen, maar hij zal die niet allemaal benutten (p.39, 45). Hij bezit hulpmiddelen r(k, t), en heeft voorkeuren u(k). Natuurlijk weerspiegelen de hulpmiddelen r(k, t) de keuzes, die k heeft gemaakt in het verleden, dus zijn historie. De constellatie of actie situatie is het geheel van domeinen, dat relevant wordt geacht voor λ. De actor bezet daarin een positie P. Hij gaat een interactie (strategie s(k)) aan met zijn constellatie, en geeft daarmee vorm aan zijn leven. De interactie schept uitkomsten q(k) voor k.

Merk op, dat de interactie van k ook allerlei externaliteiten veroorzaakt, die leiden tot een uitkomst Q voor de actie arena als geheel. Echter in het kader van de figuur 2 is dit slechts een indirect effect. Dat effect wordt pas zichtbaar, zodra men de leefsituaties van bepaalde groepen van actoren gaat samenvoegen (aggregeren) (p.41). De uitkomsten q(k) leiden tot een bepaalde mate van geluk of tevredenheid u(q(k)) bij k. Dit is een subjectieve evaluatie, die niet meetelt in de leefsituatie index λ (p.16, 42 en verder)20. Natuurlijk is de tevredenheid toch relevant, al was het maar, omdat zij het toekomstige gedrag van k beïnvloedt, op tijdstip t+1.

Net zoals in het AGI en de IAO wordt de actie arena beïnvloed door externe factoren, zoals de cultuur, het leefmilieu, en de instituties (p.75 en verder). In de figuur 2 zijn die aangeduid als de configuratie, waarmee de actor k wordt geconfronteerd. Het kader van de leefsituatie veronderstelt, net zoals het AGI, dat de configuratie nauwelijks verandert21. Boven de individuele configuratie bevinden zich de publieke diensten, die inwerken op diverse elementen van het kader (p.77 en verder). Bijvoorbeeld vergroten zij de middelen r(k), waarover de actor k kan beschikken. De publieke diensten worden centraal bepaald, door de gemeente of de staat, en behoren feitelijk tot de instituties. Zij zijn onafhankelijke variabelen van het kader, en behoren daarom tot de input (p.47, p.70 en verder). Zij vormen de feitelijke reden om de leefsituatie index te bepalen.

De leefsituatie index wil vooral informatie geven aan de beleids-makers, en zo het publieke debat over de maatschappelijke ontwikkeling steunen (p.44). In die zin is λ een macro-variabele, net zoals het bruto binnenlands product. De index kan ook worden gebruikt als een monitor, met name door de tijdreeksen van de diverse samenstellende indicatoren te bestuderen (p.62)22. Men zie de eerdere column over de empirische toetsing van beleid aan de hand van indicatoren. Voorlopig volstaat echter de conclusie, dat de leefsituatie index baseert op de wisselwerking tussen groepen van actoren en de instituties (vooral de diensten). De uitkomsten en uitwerkingen van deze instituties worden mede bepaald door de interacties van de actor. In die zin hanteert de index hetzelfde analytische kader als het AGI en de IAO. Kennelijk loont dat kader de moeite.

Tenslotte is een korte filosofische uitweiding over het bestaansrecht van de leefsituatie index nodig. Er zijn diverse redenen, waarom beleidsmakers behoefte hebben aan informatie over de maatschappelijke ontwikkelingen. Die redenen ontstaan uit de veronderstelling, dat elke individu aanspraak kan maken op sociale rechten. Deze rechten zijn nodig voor een positieve vrijheid23. Enerzijds is er een individueel recht op welzijn. Dit welzijn is de uitkomst van beleid (p.45). Anderzijds is er een individueel recht op zelfbepaling. Zo een autonomie vereist een beleid van kansen bieden (p.45). Een recht op kansen is lastig te concretiseren. De filosoof J. Rawls spreekt van primary goods, en zijn collega A. Sen van capabilities (p.45)24. In Nederland pleit J. de Beus voor hulpbron-gelijkheid. Ruim een jaar terug constateerde een column al, dat de welvaart materiële en immateriële componenten heeft. De index λ wil beide componenten meten.


Constellaties en actie situaties

In de voorgaande paragrafen zijn instituties besproken, zoals de coalitie en de hiërarchie (inclusief de publieke diensten). Er is geconstateerd, dat de voorziening in een bepaald type goed soms vraagt om een specifieke institutie. De club als producent van het club-goed is een wel zeer sprekend voorbeeld. Maar het type goed (Q in de IAO) is meer dan een institutioneel kenmerk, omdat het ook direct de constellatie of actie situatie bepaalt25. De IAO wijst op tal van variabelen, die kenmerkend zijn voor de actie arena, naast het type goed. Denk aan de actoren K zelf, en hun mogelijke strategieën S 26. Het beleid moet zich aanpassen bij al deze kenmerken van de actie arena. Dit kan worden gemodelleerd met de speltheorie. Zij wordt toegepast in actie situaties, waar de instituties het gedrag wel inperken, maar niet helemaal vastleggen. Er is speelruimte. Merk op, dat een abstracte constellatie (het spel) zich kan voordoen in een verscheidenheid aan beleids-situaties.

De rest van de column werkt enkele practische casussen uit van actie arena's, die optreden bij bepaalde types van beleid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bestuurlijke spellen zonder en met overleg. Allereerst zal de niet-coöperatieve speltheorie worden beschouwd. De actoren zijn volledig geïnformeerd over de situatie, maar zij slagen er niet in om een bindende afspraak te maken. Ieder kiest unilateraal zijn eigen strategie (S). Aldus ontstaan er matrices van mogelijke uitkomsten U. Het unilateralisme is een verschil met coöperatieve spellen, zoals de stemmenruil (log-rolling).

Een voorgaande column over het financieel-economische beleid gaf al een eerste voorbeeld van de modellering met behulp van matrix-spellen. De aanpak geeft de beleids-analyse compact weer. Het is een uitdaging om deze aanpak ook te hanteren bij andere beleids-problemen. Ter illustratie beschouwt de column nu drie voorbeelden van beleidsvorming, te weten (a) de regionale standaardisatie van beleid, (b) een beleid van maatschappelijke activering, en (c) het beleid bij NIMBY problemen. In deze voorbeelden zijn er twee beleids-actoren, en ieder van hen beschikt over twee strategieën. Dit leidt tot vier mogelijke uitkomsten.


Niet-coöperatieve speltheorie in de beleidsvorming

De standaardisatie van beleid

Beleids-actoren willen vaak wel hun beleid onderling afstemmen. Zij erkennen het belang van standaardisatie, maar daarbij wil elk de standaard invullen volgens zijn eigen voorkeur. Beschouw bijvoorbeeld twee naburige gemeenten, die dezelfde private beleids-sector willen reguleren, ieder in hun eigen plaats. Standaardisatie zorgt, dat de gemeenten niet met elkaar hoeven te concurreren op het vestigings-klimaat voor de private organisaties27. Stel dat de ene gemeente (k=1) een ideologische voorkeur heeft voor veel regulering, terwijl de ander (k=2) juist weinig regulering wil. De mogelijke strategieën zijn dus gelijk voor beide gemeenten. Zij s1(1) = weinig, en s2(1) = veel, en verwissel de strategieën voor gemeente k=2. De normaalvorm van het spel is weergegeven in de tabel 1. Dit spel wordt gewoonlijk de strijd van de seksen genoemd28.

Tabel 1: uitkomsten matrix van het standaardisatie spel
  gemeente 2
  veelweinig
gemeente 1weinig1, 13, 4
veel4, 32, 2

De getallen (u(1), u(2)) in de tabel 1 tonen de waarderingen voor de diverse uitkomsten. Hierbij is u=4 de beste uitkomst, en u=1 de slechtste. Het nut is dus ordinaal29. De tabel laat zien, dat de gemeenten allebei de voorkeur hebben voor standaardisatie. Als standaardisatie niet lukt, dan kiezen de gemeenten hun eigen voorkeur (de cel rechts-onder). De tabel 1 toont, dat een collectief beleid van weinig regulering of veel regulering allebei een Nash evenwicht is. Maar het is onbekend, welke van deze twee evenwichten uiteindelijk wordt gerealiseerd. Dit hangt af van bijkomende factoren, bijvoorbeeld welke gemeente als eerste de standaardisatie invoert. Immers, dan moet de andere dezelfde keuze maken30. Dit voorbeeld is tamelijk eenvoudig, maar toont toch al de kracht van speltheorie. Het volgende voorbeeld is gecompliceerder (waarschuwing: zelf bedacht door uw columnist).

Een beleid van activering

Beschouw nu het tweede voorbeeld, dat van de maatschappelijke activering. Een beleid van activering heeft baat bij een corporatistisch regime. Het spel bestaat uit een interactie tussen de regering (actor 1) en het maatschappelijk middenveld (actor 2). De regering kan kiezen uit twee strategieën van beleid. Zij kan productieve activiteiten van de burgers stimuleren (s1(1)) of hen passief een inkomens-steun geven (s2(1)) 31. Het middenveld kan eveneens kiezen uit twee strategieën: pluralistisch de eigen belangen verdedigen (s1(2)) of corporatistisch rekening houden met het algemeen belang (s2(2)) 32. De normaalvorm van dit spel wordt weergegeven in de tabel 2.

Tabel 2: uitkomsten matrix van het spel tussen regering en middenveld
  middenveld
  pluralismecorporatisme
regeringactivering3, 34, 1
steun2, 41, 2

De 2×2 strategieën leiden tot 4 beleids-opties. Ieder van de actoren heeft een eigen voorkeur u(k) voor die opties. Stel de voorkeur is ordinaal, met 4 als eerste voorkeur en 1 als minst aantrekkelijke voorkeur. De cellen in de tabel bevatten hypothetische waarden van de combinaties (u(1), u(2)). In dit spel zullen de acteuren kiezen voor de cel links-boven, dat wil zeggen, voor een beleid van pluralistische activering. Het Nash evenwicht is (3, 3). Merk op, dat de matrix bijna symmetrisch is, zodat (3, 3) een typische compromis oplossing is. Men noemt dit type constellatie een harmonie spel33.

Het spel van de tabel 2 kan worden verdedigd met het volgende verhaal. De regering heeft een voorkeur voor activering, omdat de burger-participatie een ontlasting is voor haar. Activering heeft baat bij corporatisme, omdat het bijdraagt aan een groter draagvlak voor beleid. Dit draagvlak helpt om de weerstand van burgers tegen activering te overwinnen34. Maar corporatisme is niet aantrekkelijk voor het middenveld. Het middenveld heeft een voorkeur voor pluralisme, omdat het daarin geheel vrij is zijn eigen belangen na te jagen. Het is argwanend jegens activering, omdat het zich graag paternalistisch opstelt35. De regering verwerpt een beleid van corporatistische steun, omdat daarmee in het verleden slechte ervaringen zijn opgedaan. Dit type beleid geeft vooral prikkels tot starheid en passiviteit36.

Tabel 3: uitkomsten matrix van arbeidsmarkt spel tussen liberale regering en middenveld
  middenveld
  pluralismecorporatisme
regeringactivering3, 31, 1
steun4, 42, 2

De speler k=1 is een politieke actor. Het verhaal van de tabel 2 geldt met name voor een regering, die de politiek van het radicale midden omarmt. Men vindt de aanhangers van het radicale midden bij de sociaal- en christen-democraten. Liberalen hebben hun eigen verhaal (zie tabel 3). Zij wijken met name af in hun visie op het beleid voor de arbeidsmarkt37. Liberalen menen, dat de allocatie van arbeid het beste wordt gecoördineerd via marktwerking. In ieder geval zal de liberale regering corporatisme op de arbeidsmarkt afwijzen. Bovendien zal zij terughoudend zijn jegens activering, omdat zij een markt-ingreep is. Prikkels tot participatie moeten komen van een minimum aan steun. Aldus heeft de liberale regering dezelfde voorkeuren inzake het beleid op de arbeidsmarkt als het middenveld, maar met een andere motivatie! Er heerst harmonie. Echter aangezien de steun beperkt blijft tot het minimaal noodzakelijke, heeft het middenveld er weinig baat bij.

De speltheorie van de tabellen 2 en 3 is nogal een versimpeling van de realiteit. Zij impliceert, dat de regering en het middenveld wedijveren om hun eigen voorkeur te realiseren. Zo leidt bijvoorbeeld in de tabel 2 de strategie (s1(1), s1(2)) tot u(1) = 3 en u(2) = 3. Echter het corporatisme is in beginsel een samenwerking tussen de regering en het middenveld. Bij een samenwerking zullen de actoren elkaars belang meewegen in hun eigen nutsfunctie. Dan maakt het besluit een collectieve nutsfunctie u(1, 2) maximaal. Merk voorts op, dat in de tabel 2 de regering compensatie kan bieden aan het middenveld om toch het corporatisme te accepteren. Als rekening wordt gehouden met zulke aspecten, dan wordt de uitkomst natuurlijk lastig voorspelbaar.

NIMBY beleid

De huidige paragraaf consulteert het boek Transnational common goods (afgekort TG). NIMBY is een afkorting van "not in my backyard". De term wordt gebruikt voor publieke goederen, die weliswaar onmisbaar zijn, maar die lokaal kosten c veroorzaken. Wegens hun publieke karakter zijn zij weinig- of niet-rivaliserend. In tegenstelling met het gevangenen-spel willen de actoren per se, dat het goed collectief beschikbaar is. Daarom is er een bereidheid tot betalen. Maar er is slechts een beperkte hoeveelheid van het NIMBY goed nodig. Het nut neemt niet willekeurig toe met de hoeveelheid, en is daarom niet additief (zie p.70 in TG). In zulke situaties, waar één "treffer" volstaat, spreekt men van een beste-poging technologie (best-shot) (p.69). Het beleid in een NIMBY situatie is moeizaam, omdat elke actor de kosten van het goed graag wil afwentelen op anderen. Een bekend voorbeeld is de regionale vuilstort.

Tabel 4: uitkomsten matrix van het NIMBY spel
  gemeente 2
  laat toeweiger
gemeente 1laat toe2, 22, 3
weiger3, 21, 1

De tabel 4 geeft dit spel in zijn normaalvorm. Men noemt dit het chicken (lafaard) spel38. Het chicken spel heeft twee Nash evenwichten, namelijk (2, 3) en (3, 2). Er kan niet worden voorspeld, welke van deze evenwichten feitelijk zal optreden. Het probleem is hier niet de productie van het goed, maar de coördinatie ervan (p.81). In overleg moet een actor (de chicken) de productie op zich nemen. Hoewel deze Nash evenwichten rationeel zijn, kan de ongelijkheid (u1 ≠ u2) onvrede veroorzaken. Daarom kan eventueel de producent in onderhandelingen een (Hicks-Kaldor) compensatie afdwingen. Maar zodra er wordt overlegd, wordt het spel coöperatief.


Coöperatieve speltheorie in de beleidsvorming

De coöperatieve speltheorie lijkt op de niet-coöperatieve speltheorie, omdat zij soortgelijke aannames maakt, zoals het methodologische individualisme en rationeel gedrag39. Maar de coöperatieve speltheorie verdiept zich niet in de strategieën S van de actoren. Diverse andere variabelen van de constellatie (actie situatie) worden eveneens genegeerd, zoals I en P. Zij onderzoekt slechts de collectieve baten ν(C), die de actoren hebben bij het aangaan van een bepaalde coalitie C. Dit heet de waarde of functie van de coalitie. De functie registreert als het ware de potentiële vermogens (in het Engels capabilities), waarover de actoren beschikken. Dat wil zeggen, coöperatieve spellen beloven altijd een meerwaarde aan de actoren.

Bovendien doet de coöperatieve speeltheorie suggesties voor de verdeling van de collectieve baten (zeg, U(Q)) over de K actoren in de coalitie C. De actoren kunnen vaak de vorming van bepaalde coalities blokkeren. Alleen de collectieve baten, die zich in de kern van het spel bevinden, kunnen worden gerealiseerd. Echter zij zijn niet per se billijk. Daarom toetst de coöperatieve speltheorie de verdelingen aan bepaalde normen, net zoals bijvoorbeeld de Nash oplossing van onderhandelen. Daarmee kan rekening worden gehouden met de normatieve afweging in de besluitvorming, naast de rationele. De meest bekende normatieve verdeling van de speltheorie is de zogenaamde Shapley waarde ζk(ν) 40.

De standaardisatie van beleid

Grafiek van nutsfuncties
Figuur 3: Nutsfuncties van actor 1
    en actor 2 voor regulering x

Als actoren wederzijds afhankelijk zijn bij een beleids-probleem, dan zullen zij gewoonlijk een onderling overleg beginnen. Beschouw weer het geval van de standaardisatie van beleid. Hier wordt de afhankelijkheid gevormd door de wederzijdse wil om reguleringen te harmoniseren. Dankzij de harmonisatie wordt niet geconcurreerd, zodat een bevredigend niveau van regulering mogelijk wordt. Dit geval kan inzichtelijker worden gemaakt door aan te nemen, dat de nutswaarde cardinaal is. Dan heeft elke actor k een nutswaarde u(k) = b(k) − c(k), waarin b de baten van de regulering zijn, en c de kosten. Zowel de baten als kosten kunnen (deels) materieel of immaterieel zijn. Neem aan, dat de standaardisatie of harmonisatie van de regulering ook nog leidt tot een kosten-verminderen met Δc per actor.

Stel dat de variabele x de mate van regulering meet. Stel de baten b van de actor k wordt gegeven door b(k) = exp(-(x − xk)²), waarin xk het optimum voor k is. Stel dat de kosten c niet afhangen van x, en gelijk zijn voor beide actoren. Dan heeft u de gedaante zoals is weergegeven in de figuur 3. De voorkeuren zijn gelijkvormig, maar liggen Δx = x1 − x2 uiteen. Als de Nash oplossing van onderhandelen wordt toegepast, dan komen de twee actoren een regulering xNash = ½ × (x1 + x2) overeen41. Dit is precies het gemiddelde van hun voorkeuren. De overeenkomst leidt voor beide actoren tot een verlies aan baten van Δb = 1 − exp(-xNash²). Dankzij de samenwerking leidt standaardisatie niet meer tot ongelijke uitkomsten, zoals in de tabel 1. De Nash-oplossing zal worden verkozen boven de status quo, wanneer de netto nutswaarde toeneemt. Er moet gelden Δu(k) = Δb − Δc > 0, waarbij de reductie Δb minder is dan de reductie Δc in kosten. Dit is een club goed.

Het is wellicht interessant om nogmaals te benadrukken, dat in beleids-situaties het coöperatieve spel en het niet-coöperatieve spel afwisselend kunnen optreden. Of zo men wil, de actoren kunnen hun sociale oriëntatie wijzigen tijdens hun interactie. Ter illustratie wordt nu verondersteld, dat de overeenkomst x=xNash van de twee actoren niet wettelijk afdwingbaar is. Het overleg was cheap talk. Stel dat in de tabel 1 de optie u=1 feitelijk betekent, dat een actor afzonderlijk de regulering niet kan betalen. Dat wil zeggen, het loont niet om als enige te reguleren, wegens b ≤ c. Veronderstel, dat de kosten-reductie Δc dankzij de Nash overeenkomst de regulering rendabel maakt (u(k) > 0). Dit plaatst ieder van de actoren voor de keuze om de overeenkomst wel of niet na te leven. Deze situatie wordt toepasselijk het verzekerings-spel (assurance game) genoemd. De normaalvorm van het spel is weergegeven in de tabel 4 42.

Tabel 4: uitkomsten matrix van het nalevings-spel
  gemeente 2
  nalevenniet naleven
gemeente 1naleven3, 31, 2
niet naleven2, 12, 2

Niet naleven van de overeenkomst betekent hier dus, dat de actor helemaal niet reguleert43. Wanneer de actoren allebei de overeenkomst naleven, dan realiseren zij de Pareto optimale toestand (u=3). Die is tevens een Nash evenwicht (niet te verwarren met de Nash oplossing!). Echter, stel dat toch een actor niet naleeft, wellicht bij vergissing, of door interne sabotage. Dan zal de andere actor zijn kosten-reductie Δc niet realiseren. En hij zal geen schade-vergoeding krijgen, omdat de overeenkomst loos is. Hij lijdt verlies, wat in de tabel 4 is aangegeven als u=1 (minst aantrekkelijke optie)44. Een risico-mijdende actor zou dus niet-naleven kunnen verkiezen. Dan zijn er geen baten of kosten, wat hier de middelste optie is (u=2). Inderdaad is de toestand, waarin beide actoren de overeenkomst schenden, eveneens een Nash evenwicht. Dit evenwicht is natuurlijk sub-optimaal. Het is niet voorspelbaar, welke van beide evenwichten zal worden gerealiseerd.

Men noemt de situatie in de tabel 4 wel een zwakste-schakel technologie (weakest-link), omdat de meest lakse actor de uitkomst bepaalt (p.69 in TG). Het probleem van het spel in de tabel 4 wordt minder knellend, wanneer de beide actoren een duurzame relatie nastreven. Immers, dan wil iedere actor zijn eigen reputatie hoog houden. Een solide reputatie is een sociaal kapitaal, dat de transactie kosten laag houdt. Zij schept een wederzijdse vertrouwen, dat niet onzorgvuldig zal worden gehandeld. Des al niettemin biedt het vertrouwen niet dezelfde zekerheid als een goed contract met afdwingbare boete-clausules. In de IAO wordt veel belang gehecht aan reputatie, met name bij het gebruik van gemene hulpbronnen (common pool resources, afgekort CPR)45.

Een beleid van activering

Beschouw vervolgens het geval van de activering. Ook hier mag worden verwacht, dat de actoren in overleg gaan. Echter in dit geval zijn er twee variabelen van beleid, te weten de mate van activering (zeg x) en de mate van corporatisme (zeg y). Dan worden de voorkeuren van de actoren niet afgebeeld op een lijn (zoals in de figuur 3), maar in het (x, y)-vlak. Een mogelijkheid is om de nutsfunctie te vervangen door een verliesfunctie. In dit geval krijgt zij de gedaante

(1)     Lk(x, y) = (x − xk)² + λ × (y − yk

In de formule 1 is (xk, yk) het optimum van de actor k, omdat zijn verlies daar minimaal is, te weten Lk = 0. De parameter λ weegt het relatieve belang van de activering en van het corporatisme. Neem gemaks halve λ=1. Dan zijn de indifferentie krommen van de actor k cirkels rondom zijn optimum46. Dit is weergegeven in de figuur 4a, in groen en rood. Hier zijn twee actoren, te weten de regering van de tabel 2 (radicale midden, actor 1) en het middenveld (actor 2). Stel dat bij aanvang de maatschappij zich in de status quo SQ bevindt. Stel dat de actoren tezamen in staat zijn om de status quo te veranderen. Geen enkele actor k is bereid om een groter verlies te accepteren dan zijn bestaande Lk(SQ). Daarom moeten zij in hun overleg zoeken naar oplossingen, die liggen in het gele gebied van de figuur 4a. Die oplossingen zijn voor allebei een verbetering.

Grafieken van indifferentie krommen
Figuur 4: Indifferentie krommen door het status quo punt;
   (2a) actor 1 en actor 2, met mogelijke verbeteringen;
   (2b) toevoeging van een actor 3 aan de constellatie

Een interessant geval doet zich voor, wanneer een derde actor toetreedt tot deze constellatie. Stel bijvoorbeeld, dat actor 3 een conservatieve partij is, die niets voelt voor de activering x, maar wel hecht aan enig corporatisme y. De actor 3 is ingetekend in de figuur 4b, met blauwe cirkels. De status quo SQ is intussen verschoven door het overleg tussen de actoren 1 en 2. Stel dat de actor 3 voldoende invloed heeft om tezamen met de actor 1 de SQ te veranderen, en dat de actor 2 dit niet kan verhinderen. Alle oplossingen in het rose gebied zijn een verbetering voor de actoren 1 en 3. Helaas vergroten deze oplossingen het verlies voor de actor 2. Echter er zijn meer mogelijkheden. Stel dat de actor 3 bovendien tezamen met actor 2 de SQ kan veranderen, en dat de actor 1 dit niet kan blokkeren. Alle oplossingen in het gele gebied van de figuur 4b zijn verbeteringen voor de actoren 2 en 3. Deze keer wordt de actor 1 benadeeld.

Het overleg met de actoren 1 en 2 zal de keuze van de actor 3 bepalen. Neem aan, dat actor 3 een overeenkomst bereikt met de actor 1, ergens in het rose gebied. Hij vormt als het ware een coalitie met de actor 1, gericht tegen de actor 2. Deze situatie is bijzonder, omdat zij een stem-cyclus veroorzaakt. Immers, het verlies van de actor 2 is hier dermate groot, dat hij bereid is tot grote concessies aan de actor 1. In de nu heersende status quo (ergens in het rose gebied) is de situatie van de figuur 4a veranderd, omdat de rode cirkel is gegroeid, terwijl de groene juist is gekrompen. Als nu de actoren 1 en 2 een akkoord sluiten, zonder inbreng van de actor 3, dan zal dit ten koste gaan van de actor 3. Daarom zal de actor 3 bereid zijn tot concessies, bijvoorbeeld aan de actor 2. Dit proces van wisselende coalities kan zich oneindig lang herhalen. Het beleid is niet stabiel, en dus is er geen kern.

NIMBY beleid

De speltheorie van coalities leidt tot rationele oplossingen, gericht op het eigenbelang. Daardoor lijken de oplossingen in de kern van het spel soms onbillijk. De Shapley oplossing ζk(ν) wil enige redelijkheid garanderen bij de verdeling van de collectieve meerwaarde over de leden van de coalitie. Men moet echter niet al te hoge verwachtingen hebben van de aangedragen oplossingen. Stel bijvoorbeeld, dat een provincie met N gemeenten een begroting B heeft voor het aanleggen van wandelroutes in een natuurgebied. Zij delegeert deze taak naar de K gemeenten (K<N), die in het natuurgebied liggen. Er is nu het probleem om de middelen B te verdelen over alle gemeenten. Bijvoorbeeld is de egalitaire oplossing uk = B/N voor gemeente k. De coöperatieve speltheorie modelleert dit met het unanimiteits-spel (unanimity), dat wordt beschreven op p.93 in Kooperative Spieltheorie (afgekort KS)47. Dat definieert de coalitie functie voor de coalitie C als volgt:

(2)     ν(C) = B, als {K} in C; ν(C) = 0, als {K} niet in C

In de formule 2 stelt {K} de verzameling van K gemeenten voor. Ieder van deze gemeenten is onmisbaar voor het project, en is daarom een veto-speler (p.91). De N − K gemeenten buiten het natuurgebied zijn nulspelers, omdat zij niets bijdragen aan het project (p.92). Merk op dat geldt ν({N}) = B. De leden van de coalitie hebben er baat bij om C klein te houden. Daarom zullen de veto-spelers de nulspelers weren uit C door hun veto te gebruiken. Aldus is in de kern van het spel Σk in {K} uk = B voor k in C={K}, en uk = 0 voor k in {N − K} (p.186). Het concept van de kern doet geen uitspraak over de verdeling van de collectieve baten B over de K gemeenten. Zij zal worden bepaald door de onderhandelingen in C.

Beschouw nu de Shapley oplossing ζk. Wegens het dummy axioma geeft zij ζk=0 aan nulspelers. En wegens het symmetrie axioma krijgen alle veto-spelers dezelfde baten ζk = B/K (p.247-248). Aldus blijkt de vector ζ in de kern te liggen. Kennelijk kent de Shapley waarde geen solidariteit tussen nul- en veto-spelers. Wanneer men de veto-spelers hier opvat als een netwerk, dan accepteert de Shapley oplossing, dat het netwerk de buitenstaanders uitbuit. Zij toont daarmee de negatieve kant van advies-netwerken, zoals eerder in de column zijn beschreven. De coöperatieve speltheorie kan zulke onbillijkheden niet elimineren. Zij negeert de universaliteit van de primary goods van Rawls, de capabilities van Sen, en de sociale grondrechten van Meyer48.


Evaluatie

De huidige column heeft enkele Nederlandse toepassingen gepresenteerd van het actor-gerichte institutionalisme of van de institutionele analyse en ontwikkeling. Daarna zijn enkele actie arena's gemodelleerd met behulp van de speltheorie. Deze exercitie wil nagaan, in welke situaties de modellen het inzicht en de analyse van de practijk kunnen versterken. Ten minste is nu aangetoond, dat speltheorie inderdaad practisch bruikbaar is. Komende columns moeten meer uitsluitsel geven over de waarde van de speltheorie voor het AGI, de IAO, en de beleids-analyse in het algemeen.

  1. Dit thema wordt behandeld in elk deugdelijk boek over de productie van publieke goederen. Daarom is in de Gazet deze kennis vaak bekend verondersteld. Nochtans negeren bestuurskundige leerboeken het thema nogal eens. Nu de Gazet regelmatig publiceert over bestuurskundige zaken, is voor het gemak toch de uitleg ingevoegd, terwille van de lezers. Enkele referenties zijn p.41 in Overheidsbeleid (2008, Kluwer) onder redactie van A. Hoogerwerf en M. Herweijer (beroemd, maar helaas nog niet gelezen), paragraaf 2.3 in Économie et finances publiques (2017, Economica) van L. Weber, M. Zarin-Nejadan, en A. Schönenberger, p.580 in Économie, sociologie et histoire du monde contemporain (2013, Armand Colin) onder redactie van A. Beitone, p.172 en 260 in Choice, rules and collective action (2014, ECPR Press) door Elinor en Vincent Ostrom, en p.15-17 in Transnational common goods (2008, Palgrave Macmillan) van K. Holzinger. Ostrom duidt de club-goederen aan als tol-goederen, omdat ook publieke actoren ze kunnen aanbieden. Op p.133 in Economics of the public sector (2000, W.W. Norton & Company, Inc.) van J.E. Stiglitz wordt het type goed voorgesteld als een continuüm in een veld met als assen de mate van uitsluitbaarheid en rivaliteit. (terug)
  2. Dit verrassende voorbeel wordt gegeven op p. 183 in het uitstekende boek Public choice III (2009, Cambridge University Press) van D.C. Mueller. Op p.186 wordt verondersteld, dat de club statuten heeft, die dienen als een sociaal contract. Paragraaf 9.1 is geheel gewijd aan club modellen. (terug)
  3. Het gevangenen-spel heeft de nare eigenschap, dat een unilaterale actie in het evenwicht niet leidt tot een Pareto verbetering. Toch is dat evenwicht helaas sub-optimaal. Een eerdere column heeft aangetoond, dat het gevangenen-dilemma kan worden opgelost, wanneer de verliezer wordt gecompenseerd door de winnaar. Dat vereist een gepaste actie oriëntatie, bijvoorbeeld bij een constellatie met K=2 actoren vk = ½ × (u1 + u2), met k=1, 2. Op p.156 in Transnational common goods wordt dit Kaldor efficiënt genoemd. (terug)
  4. Zie p.53 en verder in Games real actors play (1997, Westview Press) van F.W. Scharpf. (terug)
  5. Zie p.157 in An economic theory of greed, love, groups and networks (2013, Cambridge University Press) van P. Frijters en G. Foster. De taxonomie van Frijters onderscheidt kleine en grote kringen. In de sociale netwerk analyse (afgekort SNA) onderscheidt men enerzijds de micro-netwerken tussen individuele actoren, en anderzijds de macro-netwerken tussen corporatieve actoren. Kennelijk wordt daar het methodologisch individualisme toegepast. Zie p.39 en bijvoorbeeld ook p.76 en verder in Political networks (1994, Cambridge University Press) van D. Knoke. Uw columnist verdiept zich momenteel in de SNA, maar kan er voor alsnog weinig mee, omdat zij vooral beschrijvend is. (terug)
  6. Zie p.334 en verder in Sozialpsychologie (2008, Spektrum Akademischer Verlag) van L. Werth en J. Mayer. Op p.22-23 in Group dynamics (1990, Brooks/Cole publishing company) van D.R. Forsyth wordt de groep aangeduid als een aantal personen, die elkaar beïnvloeden door sociale interactie. De personen zijn enigszins gebonden in een structuur, en vervullen rollen om een gedeeld doel te bereiken. In An economic theory of greed, love, groups and networks worden zowel organisaties als vrijwillige kringen een groep genoemd. Op p.152 wordt de kring gedefinieerd als gelijkwaardige personen, die onderlinge contacten hebben, en een gedeeld doel nastreven. Merk op, dat volgens Scharpf op p.57 in Games real actors play de coalitie en de club géén gedeeld doel nastreven. Hierin jagen de participerende actoren enkel hun eigen doelen na. De collectieve koers is hiervan een afgeleide. Dat zou impliceren, dat de coalitie en de club geen groep zijn. (terug)
  7. Kennelijk is een bibliotheek alleen een echte club, wanneer zij wordt bestuurd door de leden. Bij een gemeentelijke bibliotheek (of zwembad, enzovoort) betalen ook de niet-leden van de gemeente mee, via de gemeentelijke subsidie. Individuen van buiten de gemeente worden wel uitgesloten. De gemeenteraad neemt het bestuur op zich. (terug)
  8. Zie p.274 en verder in Mensch und Gesellschaft (1992, J.C.B. Mohr) van E. Weede. Ook hoofdstuk 3 van Political networks is gewijd aan de massa-beweging, vanuit het sociale netwerk-perspectief. Uw columnist heeft zijn interesse in de sociale actie wat verloren. Maar wegens de enorme hoeveelheid literatuur in zijn bibliotheek over dit thema komt er wellicht in de toekomst toch nog een column - eventueel na zijn pensionering. Geduld! (terug)
  9. Zie p.151-152 in An economic theory of greed, love, groups and networks. (terug)
  10. Een uitstekende uitleg is p.21-24 in Public management & administration (2003, Palgrave Macmillan) van O.E. Hughes, of p.16-19 in New public management (2011, Haupt Verlag) van K. Schedler en I. Proeller (in de Duitse taal). Het new public management (afgekort NPM) doet allerlei voorstellen om de bureaucratie te verbeteren of te vervangen. Men kan ook p.13-16 in Management dans les organisations publiques (2015, Dunod) van A. Bartoli en C. Blatrix raadplegen. (terug)
  11. In hoofdstuk 4 van Political networks wordt opgemerkt, dat elke organisatie een informeel intern netwerk heeft, naast de formele kanalen. Interne structuren zijn intra-organisationeel. Zie p.92 en verder, of p.102. Dit is ongetwijfeld juist, en belicht de macht van actoren, zoals individuen en sub-groepen. Maar in de huidige paragraaf worden enkel de instituties beschouwd. (terug)
  12. De tekst is te vinden op p.153-177 in Governance in Modern Society (2000, Kluwer Academic Publishers), onder redactie van O. van Heffen, J.M. Kickert en J.J.A. Thomassen. Uw columnist heeft van dit hoofdstuk enkel p.160-165 gelezen. (terug)
  13. Deze verzameling variabelen bevat niet direct de collectieve moraal. Zij werkt wel indirect door, onder andere in de informatie I en de voorkeur U. Op p.84 in Transnational common goods merkt Holzinger op, dat men de informatie zou kunnen beschouwen als een hulpbron R. Wellicht doet Ostrom dat niet in de IAO, omdat I zozeer afhangt van de vaardigheid i(k) van actor k om de beschikbare informatie te verwerken. (terug)
  14. Overigens is uit de p.160-165 niet helemaal duidelijk, wat Van Heffen en Klok verstaan onder een netwerk. Op p.164 in Governance in Modern Society schrijven de auteurs: "Although specific aggregation rules may exist, network members usually come to collective decisions by consultation or other forms of multiactor agreement." Dit suggereert, dat het netwerk gewoonlijk een coalitie is. De actoren behouden hun eigen middelen, en besluiten via onderhandelingen. Maar op dezelfde pagina's noemen ze ook de rotary club een netwerk. Dit laatste botst met de taxonomie van Frijters, en vermoedelijk ook met die van Scharpf. (terug)
  15. De markt is enkel geschikt voor de voorziening in private goederen. Wel wordt tegenwoordig geëxperimenteerd met quasi-markten. Als de hiërarchie democratisch wordt aangestuurd, dan kan zij niet op onbillijke wijze groepen uitsluiten. Zij kan zichzelf niet perfide verrijken via rente zoeken, gericht op private of club-goederen. Anderzijds kan het netwerk zich wel private goederen toeëigenen ten koste van buitenstaanders. Als het netwerk wordt opgevat als een coalitie, dan bezit het geen club-goederen. Immers, in de coalitie bestaat enkel privaat eigendom. (terug)
  16. Zie Structuring participatory governance through particular rules in use van P.-J. Klok and B. Denters, dat hoofdstuk 7 is van het Handbook on participatory governance (2018, Edward Elgar Publishing Ltd.) onder redactie van H. Heinelt. Ongeveer de helft van de tekst is gewijd aan een heldere uitleg van de zeven regels in de IAO. Dat kan nuttig zijn voor lezers van de Gazet. Uw columnist versimpelt of vertekent gewoonlijk de regels van Ostrom enigszins, in zijn poging om de IAO te integreren met het actor-gerichte institutionalisme. Versimpeling maakt een formele modellering mogelijk, en daarmee deductie. (terug)
  17. Kennelijk bevindt de actie arena zich in de schaduw van het centrale gezag. Het netwerk is niet zelf-organiserend, zoals wordt bepleit door de Rotterdamse school. (terug)
  18. Helaas is de keuze van de diverse domeinen subjectief. Volgens p.63 van Wellbeing in the Netherlands gebruikt Eurostat althans in 1998 dezelfde domeinen als de OESO, en voegt daaraan nog participatie toe als een extra domein. Het SCP heeft voor zijn leefsituatie index een verzameling domeinen gekozen, die hiervan nogal afwijkt. Dat komt vooral, omdat het SCP een onderscheid maakt tussen hulpmiddelen R (resources) en de objectieve leefsituatie. Tot R behoren de opleiding, het inkomen, het werk, en de gezondheid (p.20 in WN). Hier is de veronderstelling, dat R een oorzaak is van de leefsituatie index λ (p.84). Dankzij dit onderscheid kan empirisch worden bepaald, hoe groot het effect van R op λ is. Natuurlijk is deze keuze subjectief. Inderdaad neemt het SCP bijvoorbeeld de gezondheid zowel op in R als in λ. Hierover is veel te speculeren, maar dat kan achterwege blijven tot een toekomstige column. (terug)
  19. Bijvoorbeeld kan de demografische groep verwijzen naar de leeftijd, sekse, etniciteit, maar ook het gezinsleven omvatten. Veiligheid kan verwijzen naar de economie (inkomen), maar ook naar criminaliteit of oorlog. Zie onder andere p.32 in Wellbeing in the Netherlands. (terug)
  20. Volgens p.43 in Wellbeing in the Netherlands kan de evaluatie worden uitgevoerd door de actor k zelf. Anderzijds, wanneer de kwaliteit van het leven wordt beoordeeld voor de maatschappij als geheel, dan ligt een politieke of wetenschappelijke evaluatie meer voor de hand. Zie bijvoorbeeld p.37. (terug)
  21. Deze aanname geldt enkel bij benadering. Immers, de interactie van de actor k leidt tot externaliteiten, die zijn configuratie veranderen. Daarom veronderstelt de institutionele analyse en ontwikkeling wel, dat het beleidsprobleem doorwerkt in de configuratie. (terug)
  22. Volgens p.41 en verder in Wellbeing in the Netherlands geeft λ geen volledig beeld, omdat subjectieve (evaluerende) indicatoren niet zijn opgenomen. (terug)
  23. Men spreekt ook wel van positieve rechten. Naast de positieve vrijheid is er de negatieve vrijheid. Dit zijn de fundamentele rechten, die individuen beschermen tegen dwang door de maatschappij of door de staat. Isaiah Berlin heeft gewezen op het verschil tussen deze twee vormen van vrijheid. De sociale grondrechten zijn binnen de Duitse sociaal-democratie onderzocht door Thomas Meyer, onder andere in Die Zukunft der Sozialen Demokratie (2005, Friedrich-Ebert-Stiftung). (terug)
  24. Op p.72 in Games real actors play rekent Scharpf de capabilities tot de actor constellatie. Uw columnist heeft veel geleerd over primary goods op p.49-51 en P.284-285 in Playing fair (1994, The MIT Press) van K.G. Binmore. De uitleg in Economics, ethics and the market (2007, Routledge) van J.J. Graafland is minder polemisch, maar wel uitgebreider. Zie p.199-201 over primary goods, en p.169-170 en 218-219 over capabilities. Uw columnist las dit boek al ruim vijf jaren terug! Het geeft een tamelijk volledig beeld van de economische filosofie. (terug)
  25. Zie hoofdstuk 3 in Transnational common goods. Wellicht plaatst de institutionele analyse en ontwikkeling van Ostrom dit aspect van de uitkomst Q onder de regels van armslag (scope). Immers, de scope regels bepalen, welke gedaante Q kan hebben. Zie p.113 in Choice, rules and collective action. (terug)
  26. Zie de hoofdstukken 4 en 5 in Transnational common goods. (terug)
  27. Wellicht is het instructief om een persoonlijke herinnering te vermelden. Lang geleden las uw columnist Lokale economie (1990, Wiardi Beckman Stichting) van L. Vellekoop. Op p.17-18 wordt een onderscheid gemaakt tussen grote en kleine gemeenten. De inwoners van een kleine gemeente moeten voor sommige voorzieningen naar een grote stad reizen. In kleine gemeenten is de werkgelegenheid soms sterk afhankelijk van een paar lokale werkgevers. Toch is er vaak meer werkloosheid in de grote gemeente dan in een kleine. Typische overwegingen zijn: "Als het lokale bestuur met een lage grondprijs bedrijven wil aantrekken, moet het zich eerst afvragen hoe waardevol een bedrijfsvestiging voor de gemeenschap is" (p.50). En: "Gemeenten moeten voorkomen dat zij door kooplustige bedrijven tegen elkaar worden uitgespeeld. (...) Een regionaal grondbeleid zou regels kunnen stellen. (...) In elk geval zou de planning van bedrijfsterreinen op elkaar kunnen worden afgestemd" (p.53). En: "Gemeenten zouden bij hun grondbeleid de nodige solidariteit moeten opbrengen" (p.54-55). Daar is iets voor te zeggen, al zou de motivatie moeten komen van het algemeen belang, en niet van solidariteit. Anderzijds wordt in de bestuurskunde soms de wedijver tussen gemeenten aangeraden. Immers de gemeente moet minstens het eigen belang najagen. Via benchmarking kunnen de gemeenten dan leren van elkaar. Standaardisatie kan natuurlijk ontaarden in protectie van regionale belangen. Als uw columnist tijd van leven heeft, dan wil hij toekomstig ook columns wijden aan het gemeentelijke beleid. (terug)
  28. Zie p.75-77 of p.100-101 in Games real actors play. Op p.77 wordt het belang van dit spel voor situaties van wederzijdse standaardisatie genoemd. Voor geïnteresseerde lezers verwijst uw columnist ook nog naar p.122-136 in Transnational common goods, waar de harmonisatie van regulering eveneens wordt onderzocht met behulp van de speltheorie. Op p.129-131 vindt Holzinger voor dit geval niet de strijd van de seksen, maar het verzekerings-spel (zie verderop in deze column). Dan wordt de standaardisatie op veel regulering het Pareto-optimale evenwicht. De standaardisatie op weinig regulering zal enkel bij vergissing ontstaan. De reden is, dat in haar model de baten h van harmonisatie niet zo groot zijn. Het gevolg is, dat de standaardisatie op weinig regulering onpopulair is bij beide gemeenten (niet Pareto-optimaal). De gemeente 1 heeft natuurlijk liever een strategie met veel regulering. En de gemeente 2 verkiest dan de strategie van weinig regulering, omdat zij daardoor zwart kan rijden op de baten ten gevolge van deze keuze van de gemeente 1. Dat wil zeggen, gemeente 2 verkiest (s2(1) = veel, s2(2) = weinig) boven (weinig, weinig). Hetzelfde betoog geldt, wanneer men de gemeente 1 en 2 verwisselt. Ook de gemeente 1 verkiest zwart rijden boven (weinig, weinig). (terug)
  29. In de speltheorie hanteert men gewoonlijk een ordinaal nut. Echter er is geen principieel bezwaar tegen om een cardinaal nut te hanteren. Dat heeft het voordeel, dat de afweging van de actoren meer in detail kan worden onderzocht. Stel bijvoorbeeld, dat de nutswaarden in de tabel 1 cardinaal zijn. Zij zijn dan het verschil tussen de baten en kosten (u = b − c). Kennelijk heeft de actor een netto nutswaarde 2 door zijn eigen voorkeur te kiezen, en een netto nutswaarde 1 door andermans voorkeur te kiezen. Als beide actoren hetzelfde niveau van regulering kiezen, dan voegt dat een bonus van 2 toe aan het nut. Dat maakt de nutsfuncties van de actoren afhankelijk. In een simpele aanname kan deze bonus zo worden opgevat, dat bij een gelijke keuze kan worden samengewerkt, waardoor de kosten worden gehalveerd. Dan zijn dus de kosten van de regulering gelijk aan 4 (dat wil zeggen, c=4, zodat bij kostendeling c'=2, met een bonus c − c'= 2). Merk voorts op, dat het nulpunt van nut onbepaald is. Aldus kan de optie u=1 feitelijk een last voorstellen voor de actor, dus een negatief nut. Ook omvat het spel nooit de hele realiteit. Bijvoorbeeld ontbreekt de optie om helemaal niet te reguleren. (terug)
  30. Op p.156 in Transnational common goods wordt opgemerkt, dat Nash evenwichten met ongelijke uitkomsten uk kunnen leiden tot gevoelens van onbillijkheid. Dan kan de rationele keuze worden ondermijnd door normatieve voorkeuren. Scharpf heeft dit effect gemodelleerd in de actie oriëntatie. Bijvoorbeeld, een oriëntatie van gelijkheid kan worden gemodelleerd als vk = 4 − |u1 − u2| voor k=1, 2. Deze actie oriëntatie verandert de Nash evenwichten van de constellatie. (terug)
  31. Activering op de arbeidsmarkt kan (bij)scholing inhouden, of begeleiding naar werk. Activering in de zorg kan verlopen via persoons-gebonden budgetten. Activering in het onderwijs kan via tegoedbonnen. (terug)
  32. Op p.204-204 in Games real actors play (1997, Westview Press) definieert F.W. Scharpf het pluralisme als het Noord-Amerikaanse politieke systeem: "The existence of the state structure is of critical importance, since it assures the binding character of the agreements made. (...) [However, ] there is a weakness of political parties and (...) regulation by federal stature [is best considered] as being the outcome of agreements negotiated directly by the organized interests affected". H. van Erp stelt op p.53 in Het politiek belang (1994, Boom): "In pluralistische samenlevingen (...) [wordt] aan verschillende groepen veel ruimte gelaten om hun eigen politieke ideeën en wensen omtrent de inrichting van de samenleving te vormen en te uiten". (terug)
  33. Zie p.49 en vooral p.154-155 in Transnational common goods. In dit geval wordt de harmonie zwak genoemd, omdat buiten het evenwicht de voorkeuren van de twee actoren nogal conflicteren. (terug)
  34. Zie p.36 in Third way reforms ( 2009, Cambridge University Press) van J. Huo. Kanselier Schröder was een voorstander van activering en probeerde vanaf 1999 in Duitsland een Bundnis der Arbeit te vormen, zij het tevergeefs. Zie ook p.295. (terug)
  35. Bovendien voelt in sommige beleids-domeinen de cliëntèle van het middenveld weinig voor activering. Het middenveld zal rekening houden met deze aversie. (terug)
  36. Gedurende het interbellum pleitte de rooms-katholieke kerk voor deze beleids-optie. Inkomens-steun zou wenselijk zijn, omdat de staat zo min mogelijk actief moet ingrijpen in het maatschappelijk leven. Corporatisme zou nodig zijn, omdat de kerk een morele voorkeur heeft voor samenwerking. De Gazet heeft in twee columns het falen van het Nederlandse corporatisme beschreven. Indertijd maakte de regering het corporatisme aantrekkelijk door de top van de maatschappelijke organisaties te betrekken bij de beleidsvorming en door zelfs wettelijke bevoegdheden over te dragen. (terug)
  37. Merk op, dat volgens de liberale regering sommige beleids-domeinen, zoals het primair en secundair onderwijs, geen echte markten zijn (misschien wel quasi-markten). Dus in zulke domeinen kan zij wel handelen volgens de tabel 2. (terug)
  38. Zie p.82 in Transnational common goods. Holzinger neemt hier aan, dat een betalende actor onverschillig is over de keuze van de andere actor. De betaler heeft u=2. Echter de meest algemene vorm van dit spel veronderstelt, dat bij twee betalende actoren de baten toch een beetje hoger liggen. Zij waarderen die situatie als (3, 3). Zwart-rijden blijft het meest aantrekkelijk, en diens waardering moet dan stijgen van u=3 naar u=4. Zie bijvoorbeeld p.75 in Games real actors play. Een mogelijk voorbeeld is de regionale radio-omroep. De regio draagt de kosten. Stel dat één omroep verreweg het meest populair is, en landelijk wordt beluisterd. Dan is NIMBY wel denkbaar, maar gewoonlijk wordt toch ook geluisterd naar de andere omroepen. (terug)
  39. Bij deze opmerkingen is deel A van Kooperative Spieltheorie (2005, R. Oldenbourg Verlag) van H. Wiese geraadpleegd. (terug)
  40. De Nash oplossing wordt zelf gerekend tot de coöperatieve speltheorie. Zie paragraaf G.6 in Kooperative Spieltheorie. Uw columnist wijst nog op de gelijkenis van de coalitie functie ν(C) met het Hicks-Kaldor compensatie beginsel, dat eveneens is gericht op de vergroting van de collectieve welvaart ΔW. Merk echter op, dat het compensatie beginsel de Pareto verbetering enkel in potentie toelaat. Een actor kan reëel verlies lijden, omdat de beslissing centraal (of collectief) wordt genomen. Het centrale orgaan zal niet per se de verliezers compenseren. Maar de coalitie functie ν(C) is nooit negatief, zelfs niet voor de actor in isolement. Actoren kunnen zelfs ongunstige coalities blokkeren. Ze zoeken een Pareto optimale oplossing. Merk bovendien op, dat ν(C) alleen geldt voor spellen met overdraagbaar nut. Dan zijn nut en geld gelijk voor alle actoren. Anderzijds wordt in het compensatie beginsel rekening gehouden met het verschillende geldnut van de actoren. De Shapley oplossing deelt met het compensatie beginsel, dat zij baseert op een collectieve norm van billijkheid. (terug)
  41. Terzijde zij opgemerkt, dat de optimalisatie probleem van de Nash oplossing hier kan worden omgezet in max alle x (v1(x) + v2(x)) met vk(x) = -(x − xk)². Dan is de onderhandeling vervangen door de maximalisatie van de maatschappelijke welvaartsfunctie. Of, zo men wil, de verlies-functie L(x) = -(v1(x) + v2(x)) wordt minimaal gemaakt. (terug)
  42. Uw columnist raadpleegt hier p.49-53 in Transnational common goods. Club goederen leiden gewoonlijk tot het verzekerings-spel. Als uw columnist het goed ziet, dan is ook de gemengde strategie een evenwicht, waarbij ieder van de actoren met een kans p=½ naleeft of juist niet. Dit evenwicht levert een uitkomst (2, 2) op. Echter gewoonlijk wordt aangenomen, dat een organisatie niet in staat is tot een gemengde strategie. Op p.94-96 wordt aangetoond, dat hetzelfde abstracte spel een beschrijving geeft van het streven naar de harmonisatie van kapitaal-belasting bij twee staten. Deze staten moeten dan wel homogeen zijn qua voorkeuren en middelen. Daarbij is de uitkomst (2, 1) vervangen door (3, 1), en evenzo (1, 2) door (1, 3). Voorts is (3, 3) verhoogd naar (4, 4). De prioriteiten lopen dan van 1 naar 4. De cellen in de tabel verschillen allemaal in prioriteit, zowel voor actor 1 als actor 2. Met andere woorden, de actor die niet naleeft, is niet meer indifferent ten opzichte van de keuze van de andere actor. Hij verkiest naleven bij de ander (omdat dan diens kapitaal naar de staat zonder belasting stroomt). Op p.74-75 in Games real actors play wordt eveneens deze versie van het verzekerings-spel getoond. Hoewel daardoor het dilemma van het spel niet wezenlijk verandert, past de versie toch minder goed bij de illustratie van de hoofdtekst. (terug)
  43. Ofwel, als de gemeente in isolement reguleert, dan veroorzaakt dat enkel lasten. In het spel van de tabel 4 is verondersteld, dat de afwezigheid van regulering geen kosten of baten heeft. Dat heeft dan de voorkeur boven regulering in isolement. (terug)
  44. De tabel 4 ordent de diverse opties naar oplopende waarde, als 1, 2 en 3. In deze vorm is het spel ordinaal. In een cardinale variant zou men alle uitkomsten van de tabel 4 kunnen verminderen met 2. Dan krijgt de slechtste optie de waarde -1, en is dus inderdaad verlies lijdend. De middelste optie levert dan niets op (0), en de beste optie wordt inderdaad winstgevend (1). De lezer merkt, dat in de speltheorie een flexibele geest helpt. (terug)
  45. Zie p.143-148 van Choice, rules and collective action. (terug)
  46. Zie p.159-161 in Games real actors play. Een meer gedetailleerde uitleg is te vinden op p.87-93 en p.249-252 van Public choice III. Elk ander deugdelijk boek over social choice theorie moet ook voldoen. (terug)
  47. Zie Kooperative Spieltheorie van H. Wiese. (terug)
  48. Maar merk op, dat de Shapley oplossing ten minste een verdeling verwerpt zoals u1=B en uk=0 voor k≠1. De onderhandeling binnen de coalitie C={K} mag niet leiden tot uitbuiting. (terug)