Gezondheidszorg en de omvang van de staat

Plaatsing in Heterodoxe Gazet Sam de Wolff: 5 november 2018

E.A. Bakkum is blogger voor het Sociaal Consultatiekantoor. Hij denkt graag na over de arbeiders beweging.

De gezondheidszorg

De structuur-problemen van de gezondheidszorg worden beschreven, met name de adverse selection en het moral hazard. Vervolgens wordt de optimale omvang van de staats-uitgaven onderzocht. Er worden empirische tijdreeksten van de staatsquote gepresenteerd. Diverse factoren verhogen de quote. De wet van Wagner en het Baumol effect worden toegelicht. Ook wordt uitgelegd, dat diverse maatschappelijke groepen rente zoekend zijn. Dit geldt voor de burgers, de politici en de staats-bureaucratie.

Recent heeft de Gazet zich verdiept in diverse toonaangevende staatsactiviteiten. Eerst werd de algemene theorie van de sociale zekerheid uitgelegd. Zulke publieke diensten zijn de peilers van de welvaartsstaat. Daarna zijn de beginselen van het pensioenstelsel en de bijstand gepresenteerd. Onlangs zijn ook het primaire, secundaire en hogere onderwijs geanalyseerd. In deze reeks ontbreekt nog een beschrijving van de gezondheidszorg, en de huidige column voorziet in deze lacune. Inhoudelijk is geput uit de boeken The economics of the welfare state (afgekort EW), Economics of the public sector (afgekort EP), De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken (afgekort AW), en Öffentliche Finanzen in der Demokratie (afgekort OF)1.

De gezondheidszorg levert medische diensten aan individuen, met als doel de preventie van ziekten en hun genezing. Dit wordt in deze column kortaf aangeduid als zorg, waarbij hier dus nadrukkelijk niet wordt verwezen naar allerlei vormen van maatschappelijk werk (jeugdzorg, gezinszorg en dergelijke). Zorgverlening is in beginsel geen publiek goed, want zij verloopt via een individuele consumptie. In dit opzicht is zij vergelijkbaar met het onderwijs. Nochtans heeft de zorg enkele positieve externe effecten. Sommige zorg vermindert het risico op besmettelijke ziekten (p.264 in EW). En zorg houdt de individuen productief, waarmee de nationale bedrijvigheid wordt bevorderd (EW 265). Empathie kan bewerkstelligen, dat mensen zieken in het algemeen willen helpen (EW 264). De staat kan zulke argumenten aanvoeren om ingrepen in de markt voor zorg te rechtvaardigen.

Zorgverzekeringen

De verzekering tegen de zorgkosten is onvermijdelijk, omdat alleen vermogende mensen zelf alles kunnen betalen. De zorg kan worden geleverd via marktwerking. Daarom wordt in deze column de patiënt een klant genoemd. De verzekeraar gebruikt de actuariële methode om de kosten (premie) van de verzekering (polis) te berekenen. De actuariële methode heeft het voordeel, dat elke klant de polis koopt, die past bij zijn behoeften. De gezondheidszorg in de Verenigde Staten van Amerika (afgekort VSA) baseert op deze methode, zij het met allerlei uitzonderingen (EW 262, 273)2. De noodzaak om de zorgkosten te verzekeren is een belangrijke oorzaak van de problemen op de zorgmarkt. Bijvoorbeeld zijn chronisch zieken onverzekerbaar, omdat de toekomstige kosten al bekend zijn. Aangezien de meeste zieken deze kosten niet kunnen dragen, moet de staat hen subsidiëren (EW 268; OF 441, 444). De staat intervenieert noodgedwongen in de zorg.

De individuen kunnen worden ingedeeld in "goede" (winstgevende) en "slechte" (verlies lijdende) risico's, afhankelijk van hun gezondheid. Bij het afsluiten van een verzekering tegen ziektekosten zijn klanten in de verleiding om hun lichamelijke gebreken te verzwijgen. Daardoor mist de verzekeraar informatie. Dit verschijnsel wordt verkeerde (averechtse of adverse) selectie genoemd. Verkeerde selectie heeft tot gevolg, dat de marktwerking faalt. Immers, de verzekeraar is niet in staat om de hoogte van de individuele premie te differentiëren overeenkomstig de toekomstig verwachte kosten. De econoom C.B. Blankart heeft hiervoor een oplossing bedacht. Het uitgangspunt is, dat elke verzekeraar een premie berekent, die is gebaseerd op de risico's van de bevolking als geheel. De verzekeraar houdt een klantendossier bij, waarin de ziekte-geschiedenis van elke klant wordt vastgelegd (OF 440).

Naarmate nu de reële risico's van de klant duidelijk worden, reserveert de verzekeraar een fonds om de verwachte ziektekosten van die klant te dekken (OF 446 en verder). De fondsen van de "slechte" risico's worden gedekt door allen, die een "goed" risico blijken te zijn. Echter, de marktwerking vereist, dat de klant vrij zijn aanbieder kan kiezen. En nu kan een individu met een "slecht" risico niet eenvoudig wisselen van verzekeraar, omdat zijn huidige premie niet kostendekkend is. Aangezien het risico bekend is, wil de nieuwe verzekeraar een hogere premie berekenen. Dit beleid, waarin de verzekeraars uitsluitend gezonde individuen accepteren als klant (of althans winstgevende), wordt cream skimming genoemd (EP 318).

Blankart stelt voor om dit op te lossen door de klant te koppelen aan zijn reserveringsfonds. Indien een klant wisselt van verzekeraar, mag hij zijn eigen reserveringfonds meenemen naar de nieuwe aanbieder (OF 448). De premie kan dan gelijk blijven. Op deze manier is marktwerking toch mogelijk. De "goede" risico's kunnen eenvoudig wisselen naar een aanbieder met een lagere premie. Aldus worden de reserveringsfondsen vooral betaald door de jonge verzekerden, die een nog onbeschreven dossier hebben. Trouwens, in alle bestaande zorgsystemen betalen de jongeren de kosten van de ouderen (OF 446). Des al niettemin, als uw columnist Blankart goed begrijpt, is dit systeem van overdraagbare reserveringsfondsen niet uitgeprobeerd in de practijk. Daarom is de practische uitvoerbaarheid ongewis. Volgens de econoom J.E. Stiglitz verhoogt het klantendossier de transactiekosten aanzienlijk3.

Veel staten kiezen voor een zorgsysteem, waarbij bepaalde behandelingen verplicht zijn opgenomen in het verzekerde pakket (OF 440). De verzekeraar moet dat pakket aanbieden in een polis met een uniforme premie, zonder differentiatie (OF 449 en verder). Dit universele systeem is niet optimaal, omdat het gezonde individuen (de "goede" risico's) dwingt tot een overdreven verzekering (OF 451). Dat verleidt individuen om zich niet te verzekeren. Daarom legt de staat dit op als een verplichting (OF 446). Immers, het is moreel onacceptabel om zorg te weigeren aan onverzekerden. Dankzij de verplichte verzekering wordt zwartrijden voorkomen (OF 446). De staat kan verzekeraars, die buitensporig veel "slechte" risico's onder hun klanten hebben, daarvoor compenseren (OF 450).

Een variant op de vaste premie is de inkomens-afhankelijke premie (O F453 en verder). Gewoonlijk incasseert dan de staat de premies, en betaalt uit dat fonds de verzekeraars. Als de zorg wordt betaald uit de opbrengst van de belastingen, dan is de premie feitelijk eveneens afhankelijk van het inkomen4. In zulke situaties wordt het zorgsysteem gebruikt om inkomens te herverdelen, zij het in natura. Strikt genomen is dit onwenselijk, omdat daarmee het verband tussen behoefte en betaling (het profijtbeginsel) nog verder wordt verzwakt. De econoom N. Barr meent evenwel, dat herverdeling in natura voordelig is, vergeleken bij een herverdeling in geld. Namelijk, de benadeelde burgers (zij, die geld afdragen) zijn dan zeker, dat hun geld wordt uitgegeven om de gezondheid van mede-mensen te verbeteren. Dit kan een psychisch nut hebben voor hen (EW 265). Anderzijds is zo een herverdeling nogal paternalistisch.

Perverse prikkels (moral hazard)

Problematisch in de zorg is de situatie, waarin de klant zelf de risico-kans of het incidentele verlies kan veranderen, ten eigen bate. Men spreekt van een perverse prikkel (opportunisme, moral hazard). Een voorbeeld is het gederfde loon door een gewilde zwangerschap. Inderdaad zijn de zorgkosten voor vrouwen in de leeftijd tussen 20 en 45 jaar veel hoger dan die van mannen (OF 454). Toch betalen ze beiden dezelfde premie. Overigens blijft het perverse gedrag van de klant beperkt, omdat hij weinig verstand heeft van zijn eigen zorgbehoefte (EW 257, 263, 267, 287; EP 309; OF 440)5. Helaas betekent deze gebrekkige kennis ook, dat de klant zijn eigen voorkeuren slecht kent. Dien ten gevolge wordt de marktvraag eigenlijk gedicteerd door het aanbod (OF 440).

Afbeelding van gecompenseerde vraagkromme
Figuur 1: Gecompenseerde vraagkromme
    en maatschappelijk welvaartsverlies

Tegenwoordig wordt de behoefte bij de klant aan informatie erkend door de staat, en probeert die de markt transparanter te maken door het verspreiden van informatie over de aanbieders (EW 259; EP 309; OF 443). Dit is een belangrijke verbetering. Natuurlijk ziet de staat van oudsher ook toe op de aangeboden kwaliteit, en reguleert haar. Dit alles versterkt de positie van de klant. Maar toch blijft de klant afhankelijk van de arts, die hem adviseert en zijn diensten verkoopt (OF 440). De relatie is meer gebaseerd op vertrouwen dan op een marktruil6. Aangezien de arts vaak wordt betaald per prestatie, is hij geneigd om het aanbod op te drijven (EP 320; OF 441, 454; AW 421). De arts zal vaker medisch ingrijpen dan nodig is. Men zou natuurlijk een vast loon kunnen betalen aan de arts, maar dat zou de prikkel tot prestatie verminderen7.

De noodzaak om de zorgkosten te dekken met een verzekering versterkt de perverse prikkels. Namelijk, de verzekeraar betaalt dan als derde partij in de transactie8. De klant verliest de prikkel om het aanbod van de arts te controleren. Immers, een nodeloze behandeling zal de premie nauwelijks verhogen. De arts en zijn klant neigen allebei naar over-productie van zorg (EW 258, 267; EP 311, 314; OF 441)9. De over-productie en -consumptie van zorg verminderen de welvaart, omdat de klant er eigenlijk niet voor wil betalen. Verzekeraars proberen de over-consumptie te temperen door per behandeling een eigen bijdrage te vragen aan de klant, of door no-claim kortingen te geven (EW 276; EP 306, 315, 319).

De figuur 1 toont in groen de gecompenseerde vraagkromme p(Q) van de klant. Zij geeft de waarde p weer, die de klant toekent aan een extra eenheid zorg, wanneer hij al een hoeveelheid Q aan zorg heeft ontvangen. Stel de totale productprijs is π en de eigen bijdrage is ε, met ε<π. In dat geval leidt de eigen bijdrage tot een toename van het consumenten-surplus, maar de kosten voor de maatschappij zijn groter (EP 315). Het rode gebied in de figuur 1 is de verloren maatschappelijke welvaart ten gevolge van de (geringe) eigen bijdrage10.

De staat bestrijdt de perverse prikkels door een bovengrens op te leggen aan de begroting voor de gezondheidszorg (EP 276; OF 454)11. Echter de politici worden onder druk gezet door belangengroepen, die de begroting willen verhogen (OF 461). Zij zijn rente zoekend. Het blijkt dat aldus de kosten van de zorg onbeheersbaar worden, althans zolang de politiek zich intensief bemoeit met de uitvoering. Het algemeen belang gaat verloren in de strijd om individuele belangen. Daarom zoekt men sinds het begin van de jaren 80 van de vorige eeuw naar andere organisatie-vormen in de zorg (en trouwens ook in allerlei andere beleidsvelden)12.

Quasi-markten

De voorgaande tekst heeft laten zien, dat de zorg wordt verhandeld op de markt. Echter, elke markt heeft zijn eigenaardigheden. De problemen op de zorgmarkt treft men ook aan op andere markten, maar niet met dezelfde intensiteit. De regulering van de zorgmarkt, deels door de staat, is onvermijdelijk. De interventie verandert de wisselwerking tussen de vraag en het aanbod. De interventie is dermate rigoureus, dat men spreekt van een quasi-markt. Deze geconstrueerde markt heeft ten doel om de efficiëntie van het aanbod te vergroten, met name door middel van concurrentie (EW 287). De vraag op de quasi-markt is deels afkomstig van publieke fondsen (EW 287). Echter de vraag en het aanbod worden gescheiden, en zo mogelijk gedecentraliseerd. De klanten kunnen zelf hun aanbieder kiezen. Dit systeem heeft enige verwantschap met het uitdelen van consumptie-bonnen (vouchers) (EW 287).

Concurrentie in de zorg kan worden gecreëerd via allerlei constructies, zowel bij de zorgverzekering als bij de medische behandeling. Een manier om de perverse prikkels te beteugelen is de integratie van de verzekeraar en de arts (EW 268). Immers, de arts-verzekeraar moet de premie laag houden om concurrerend te blijven. Wel heeft de arts-verzekeraar een perverse prikkel om de kwaliteit van het aanbod te verminderen (EP 323). Nochtans is deze oplossing gekozen in de VSA. De arts-verzekeraar wordt er aangeduid als health-maintenance organisatie (afgekort HMO) (EW 284; EP 306, 322). De Engelse hervorming van de zorg sinds 1991 heeft eveneens ruimte geschapen voor zulke organisaties13.

De omvang van de staat

Deze paragraaf raadpleegt opnieuw de boeken, vermeld in de voorgaande paragraaf. Bovendien is kennis ontleend aan Économie et finances publiques (afgekort EF), Public choice III (afgekort PC), en Political economy in macroeconomics (afgekort PE)14.

Tijdreeksen

In de tweede helft van de negentiende eeuw raakte het industriële proletariaat ontevreden over zijn levensomstandigheden. De vrije markten van het onbeteugelde kapitalisme tastten het maatschappelijke welzijn aan. De onvrede werd politiek geuit door collectieve ideologieën, zoals het socialisme en de christen-democratie. Zij wilden de economie aansturen via de staat, eventueel tezamen met maatschappelijke organisaties, in het corporatisme. Dankzij overleg en planning zou een optimale economische ordening kunnen worden gerealiseerd, die rationele besluiten neemt op basis van de feiten. Echter in de twintigste eeuw waren de ervaringen met staatsplanning teleurstellend (EF 222, 392)15. Kennelijk is de ongebreidelde expansie van de staat en andere collectieve organisaties niet de oplossing van de klachten over marktwerking. Daarmee ontstond in het laatste kwart van de twintigste eeuw de vraag: wat is de optimale omvang van de staat?

Grafiek van staatsquote van vijf Europese staten
Figuur 2: Staatsquote γ en sociale zekerheid Z/Y
    voor Nederland, België, Duitsland, Frankrijk,
    en het Verenigd Koninkrijk. Bron: Eurostat
18

Alvorens deze vraag uit te diepen, moet een meetlat voor de staats-omvang worden gedefinieerd. Zij G de omvang van de staatsuitgaven en Y de omvang van het bruto binnenlands product. Een nuttige maat is de staatsquote, die wordt gedefinieerd als γ=G/Y (OF 150; EF 437). De grootheid G omvat ook de overdrachten O door de staat, zoals subsidies en uitkeringen16. Als die worden weggelaten, dan vindt men de reële staatsquote ρ = (G-O) / Y (OF 150). De waarden van G en Y kan men berekenen aan de hand van de marktprijzen van de producten en diensten. Problematisch is hier, dat veel publieke goederen geen marktprijs hebben. Daarom wordt de waarde van G gewoonlijk berekend via de factorkosten. Dit is de som van alle beloningen van de productiefactoren (arbeid, kapitaal, land), die nodig zijn voor de voortbrenging van de publieke goederen. Meestal berekent men de private productie Y − G wel met de marktprijzen (OF 150)17.

De figuur 2 toont tijdreeksen van de staatsquote γ voor Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, en het Verenigd Koninkrijk18. In de beschouwde periode 1990-2017 liggen de waarden van γ tussen 35% en 57%. De grafieken laten zien, dat sommige staten kiezen voor een duidelijk grotere staats-omvang dan andere. Kennelijk wordt dit bepaald door de ontwikkeling van de nationale instituties. Er is een pad-afhankelijkheid, die slechts beperkte schommelingen van γ toelaat (EF 227). Bijvoorbeeld leidt het Belgische en Franse corporatisme tot een hoge staatsquote (AW 441). Let ook op de verhoogde staats-uitgaven vanaf 2008, waarmee de gevolgen van de bankencrisis en de aansluitende crisis van staatsschulden worden bestreden. In de grafieken is dit slechts waarneembaar als een rimpeling. Het Verenigd Koninkrijk heeft relatief de krachtigste ingreep, maar ook daar is men anno 2017 terug op het oude niveau.

De figuur 2 toont ook de omvang van de sociale zekerheid Z (als gestippelde grafieken), met uitzondering van de overdrachten in natura. Deze gegevens van dezelfde vijf genoemde staten zijn eveneens afkomstig van Eurostat. De waarden van Z/Y variëren tussen 10% en 20%. Ook hier treden de grootste verschillen op tussen de staten onderling, en niet in de tijdreeks van een afzonderlijke staat. Per staat blijft Z/Y vrijwel constant over de beschouwde periode, afgezien van een rimpeling rond 2008. De sociale zekerheid is eveneens sterk institutioneel bepaald, en kan niet simpel worden gewijzigd. Het verschil (G-Z)/Y heeft waarden tussen 30% en 35%. Aangezien er nog allerlei andere overdrachten zijn, ook in natura, is de reële staatsquote ρ kleiner. De Duitse ρ bedraagt in 2009 slechts 13% (OF 153)19. In ieder geval kan uit de figuur 2 niet worden geconcludeerd, dat de overdrachten anders evolueren dan de productie van publieke goederen.

De maatschappelijke instituties evolueren zeer langzaam. Een periode van een kwart eeuw, zoals in de figuur 2, is te kort om de nationale evolutie te bestuderen. Daarom toont de figuur 3 dezelfde grootheden γ en Z/Y (of een soortgelijke overdracht) voor een langere periode, te weten een eeuw (1900-2005). Zulke tijdreeksen vindt men niet bij Eurostat of de OESO, zodat uw columnist zijn eigen bronnen moest raadplegen. Helaas geeft ieder van deze bronnen alleen de tijdreeksen voor één staat. Dien ten gevolge toont de figuur 3 betrouwbaar de tijdsontwikkeling per staat, maar niet de verschillen tussen de staten20. De essentie van de figuur 3 is, dat in een eeuw tijd een grote verandering optreedt in elke staat. De instituties veranderen ingrijpend. Met name tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog groeit de staatsquote fors. Tussen 1960 en 1980 is er opnieuw groei, waarna een stabilisatie optreedt21.

Grafiek van staatsquote van vijf Europese staten
Figuur 3: Staatsquote γ en sociale zekerheid Z/Y
    (of iets dergelijks) voor Nederland, België, Duitsland,
    Frankrijk, en het Verenigd Koninkrijk.
20

De figuur 3 illustreert, dat een staatsquote van 35% of (veel) meer niet per se nodig is. Bovendien hebben de ervaringen van de Sovjet Unie bewezen, dat een staatsquote van 100% remmend werkt op de economische groei. Algemeen wordt verondersteld, dat er een optimale waarde van γ bestaat, waar de economische groei gY piekt ("omgekeerde U vorm": EF 455; PC 549 en verder)22. Echter de optimale γ zou kunnen verschillen voor arme en rijke staten (PC 550). De politiek moet tastend zoeken naar de optimale omvang van de staat. In de figuur 3 hebben de diverse overdrachten ruwweg dezelfde groeivoet als de staatsquote van de betreffende staat. Kennelijk neemt zowel de behoefte aan publieke goederen als aan overdrachten toe. Maar een grote staat heeft ook nadelen (EF 435). Immers, de staat verplicht zijn burgers tot allerlei afdrachten. Aldus kunnen de burgers niet meer vrij hun inkomen naar eigen goeddunken besteden, bijvoorbeeld aan economische activiteiten.


Oorzaken van staatsgroei

De wetenschap geeft inzicht in de optimale omvang van de staat. Met name is er veel onderzoek gedaan naar de oorzaken, die hebben geleid tot de langdurige groei van de staat. Als de oorzaken van deze groei goed worden begrepen, dan kunnen onwenselijke groeifactoren worden onderdrukt, waardoor de schade aan de economische prestaties wordt verminderd, en het optimum beter wordt benaderd. De huidige paragraaf somt een aantal van de groei-oorzaken op. Het uitgangspunt is dat G een functie is van het inkomen Y, de bevolkingsomvang N, de nationale voorkeur U voor publieke goederen, en de prijs τ van de publieke goederen (OF 161; PC 507; PE 680). Echter ook egoïstische pogingen om rente te verdienen kunnen de staat doen groeien. De Gazet heeft in de afgelopen jaren al regelmatig aandacht besteed aan zulk op eigenbelang gericht gedrag. Het is soms lastig om het groepsbelang helder te onderscheiden van de algemeen gedeelde voorkeuren.

De wet van Wagner

Al in 1876 voorspelt de Duitse econoom Adolph Wagner, dat de staat sneller zal groeien dan de economie (OF 141; EF 439)23. Naarmate de burgers rijker worden, stijgt hun behoefte aan collectieve goederen, zoals infrastructuur en regulering. Ook is de sociale zekerheid een onmisbaar onderdeel van de industrialisatie (PC 508). Zij is een luxe goed (EF 439). In bredere zin kan de herverdeling worden gerekend tot de sociale zekerheid (PC 507, 530). Uw columnist vindt de wet van Wagner geloofwaardig. In formule betekent de wet, dat de inkomens-elasticiteit van de staatsomvang voldoet aan εYG = (∂G/∂Y) / (G/Y) > 1. Volgens sommige economen is dit inderdaad het geval (EF 215, 439), maar anderen menen dat tegenwoordig bij benadering geldt εYG = 1 (OF 162; PC 509; PE 680). Als de laatsten gelijk hebben, dan rechtvaardigt de vraag geen snelle staatsgroei meer. Overigens kan de staat bij een stabiele omvang G altijd fondsen verschuiven tussen beleidsvelden.

Afbeelding van optimale staatsquotes
Figuur 4: Optimale staatsquotes bij
    lage, midden en hoge ontwikkeling

De waarde van εYG zegt niets over de causaliteit. Niet alle G is een luxe goed. Wagner acht het al denkbaar, dat de staat (G) een productiefactor is (EF 440). Bijvoorbeeld verbeteren onderwijs, zorg, infrastructuur en wetenschappelijk onderzoek de arbeidsproductiviteit (EF 393, 449-450). Markten hebben baat bij de rechtsstaat en bij allerlei instituties (EF 451; PC 546). Er is geopperd, dat de expanderende dienstensector floreert dankzij staatsinterventies, omdat daarmee de transactiekosten verminderen (PC 522). Regulering beteugelt de natuurlijke monopolies, en perkt de concurrentie in, bijvoorbeeld om negatieve externaliteiten te stoppen (EF 229; PC 506; PE 678). En herverdeling bevordert de maatschappelijke samenhang en de politieke stabiliteit (EF 452; PC 546). Zij heeft een meerwaarde voor de burgers (PC 516). Dan zullen de burgers G vergroten, tot dat het grensproduct ∂Y/∂G gelijk wordt aan de marginale kosten τ van de publieke goederen.

Recent oefent de mondialisatie invloed uit op G. Enerzijds vraagt de mondiale concurrentie om lage belastingen, ten einde de prijzen van de exportproducten laag te houden (OF 174)24. Anderzijds dwingt de mondialisatie tot veel regulering (EF 216). En zij vergroot de economische onzekerheid, want er kan een tekort op de betalingsbalans ontstaan door een verslechterde terms of trade (PC 507). Die mondiale conjunctuur moet vervolgens worden opgevangen door de sociale zekerheid (OF 174; EF 444; PC 508). Empirisch blijken open economieën met handelsrisico's inderdaad een relatief hoge staatsquote te hebben (PC 507). Vooral corporatistische staten hechten aan inkomens-zekerheid (OF 174). Dit doet vermoeden, dat de γ-waarde met een optimale economische groei gY verschilt per type staat. De figuur 4 onderscheidt laag-, midden- en hoog-ontwikkelde staten, en laat zien dat een stijgende ontwikkeling leidt tot een hogere optimale staatsquote (PC 549-550)25.

Aldus heeft de wet van Wagner een productieve en consumptieve kant. De productie Y vraagt om een staat G. Maar ook de burgers zelf hebben behoefte aan G. Uiteindelijk besluiten in een democratie de kiezers over de omvang G van de staat (EF 456). Men splitst het electoraat wel in de onderklasse, de middenklasse, en de toplaag. De onderklasse wil meestal veel G, en de toplaag juist weinig. De mediane kiezer bepaalt het standpunt van de meerderheid (OF 118; EF 212; PC 514). Aldus heeft de middenklasse een sleutelpositie, want zij kan kiezen voor een coalitie met de onderklasse of de toplaag (PC 515, 519). Dit model van de mediane kiezer herinnert aan de MAR theorie van de sociaal-psycholoog Mauk Mulder.

Het Baumol effect

De omvang van de staat wordt mede bepaald door de prijs-elasticiteit van de publieke goederen, te weten ετG = (∂G/∂τ) / (G/τ). Hier is de prijs τ enigszins kunstmatig, omdat publieke goederen meestal niet via de markt worden geleverd. Men kan de belastingvoet zien als een prijs. Als G fysiek wordt gemeten (zeg, in stuks), dan is ετG natuurlijk negatief (PC 507). Des ondanks, als ετG ligt tussen -1 en 0, dan stijgt de staatsquote (in geld) bij een stijgende prijs τ (EF 442; PC 507). De reden is, dat de G in de staatsquote wordt uitgedrukt als een geldsom, en dus τ omvat. Empirisch blijkt |ετG| (fysiek) vermoedelijk inderdaad kleiner dan 1 te zijn (PC 510, 511). Deze constatering leidt tot het zogenaamde Baumol effect, ook wel de kostenziekte van Baumol genoemd (OF 163; EF 226, 441; PC 510; PE 680).

De econoom W.J. Baumol merkt op, dat de prijs τ mede wordt bepaald door de arbeidsproductiviteit ap in de publieke sector. Die ap stijgt minder snel dan de productiviteit in de industrie, omdat de publieke sector vooral diensten verleent. Het is lastig om diensten te automatiseren. Daarom stijgt het prijspeil van publieke goederen sneller dan het algemene prijspeil (prijs-index). Zonet is geconstateerd, dat dit leidt tot een stijgende staatsquote γ, omdat de vraag inelastisch reageert. Merk op, dat het Baumol effect specifiek betrekking heeft op de productieve activiteiten van de staat, en niet op de overdrachten. Overdrachten vergen nauwelijks productie. Het Baumol effect kan dus niet de stijging van de overdrachten verklaren (OF 163; EF 442; PC 511).

Het Baumol effect kan aanleiding geven tot dramatische bespiegelingen over de toekomstige G26. Gelukkig zijn er echter diverse factoren, die het Baumol effect verzwakken. Ten eerste kan de arbeidsproductiviteit in de publieke sector worden verbeterd dankzij de informatie- en communicatie-technologie (OF 163; PC 510). Voorts wordt ook de private sector steeds meer een dienstverlener, en dat beïnvloedt de algemene prijs-index (OF 163; EF 226; PC 510). Des al niettemin suggereren empirische studies, dat binnen de OESO het Baumol effect inderdaad belangrijk is (PC 510, 530)27.

Rente zoeken: de burgers

De wet van Wagner en het Baumol effect geven oorzaken van de staatsgroei, die legitiem, gewild of onvermijdelijk zijn. De burgers hechten aan een redelijk sterke staat. Maar hiermee kan niet alle groei worden verklaard. De rest van deze paragraaf behandelt oorzaken, waarbij de diverse maatschappelijke groepen de staatsgroei gebruiken als het instrument om rente te zoeken voor zichzelf. Natuurlijk kunnen belangengroepen maatschappelijk nuttig zijn. Het communitarisme betoogt, dat zij de individuele egoïsmen binnen de groep ordenen, plichten opleggen aan groepsleden, en de participatie bevorderen. De belangengroepen kunnen een vorm van maatschappelijk of sociaal kapitaal zijn. In een pluralistische maatschappij kunnen de belangengroepen onmisbare schakels in de maatschappelijke netwerken zijn. Zij zoeken recht, maar geen rente.

Maar belangengroepen kunnen ook de oorzaak zijn van onbillijkheid en stagnatie. Men noemt dit institutionele sclerose (PC 556). Er kan te veel kapitaal worden verspild aan de onproductieve lobby. Soms stelt de staat niet de juiste kaders voor de belangenstrijd, en dan kan een machtige groep parasiteren op de rest van de maatschappij. Dit is ongewenst, en feitelijk een geval van bestuurlijk falen28. Natuurlijk willen deze belangengroepen hun rente het liefst ontvangen in de vorm van subsidies. Echter dat zou de aandacht trekken van de media en andere groepen. Daarom streven belangengroepen vaak naar overdrachten in natura, die minder opvallend zijn (OF 168; EF 211; PE 680-682). Als zij slagen in hun opzet, dan wordt de staatsquote onterecht verhoogd. Volgens de econoom Olson veranderen zulke belangengroepen tenslotte in instituties (OF 169; PC 555). Het corporatisme is bij uitstek vantbaar voor zulke misstanden (OF 169).

Rente zoeken: de politici

De staatsquote wordt bepaald door de nationale wetgever, en dus door de politici (EF 225). De politici worden gekozen door de burgers in periodieke verkiezingen. Aldus oefent het nationale kiessysteem invloed uit op de staatsquote (OF 154; PE 683). De politieke besluitvorming volgt de voorkeuren van de burgers (OF 160). De mediane kiezer is leidend. Echter de politici zoeken eveneens naar rente voor zichzelf (OF 166; EF 211). Politici willen worden gekozen, macht winnen, en hun ideologie uitdragen (EF 212). Zij hebben er baat bij om bepaalde groepen in hun achterban te bevoordelen. Daartoe beloven de politici onder andere overdrachten aan die groepen (PE 681). Zulke overdrachten zijn niet per se in het algemeen belang, en dan is er over-productie. Politici kunnen hiervoor kiezen om tactisch-electorale redenen, ook al zijn zij van goede wil.

Een beproefd middel is het aangaan van coalities met andere politici, die berust op het wederzijds steunen van elkaars belangen. Zulke gelegenheids-coalities worden aangeduid als een stemmen-ruil, of in de Engelse taal logrolling (OF 166-167; EF 444; PC 532). De kosten van het ruilen van gunsten worden afgewenteld op de minderheid buiten de coalitie, waardoor toch de maatschappij schade kan lijden. Bijvoorbeeld wordt de staatsquote nodeloos groot (OF 167). Stemmenruil heeft evenwel ook voordelen. Aldus kan een minderheid toch voorzien in haar intens gevoelde behoeften, simpelweg door hun bevrediging te bewerkstelligen via een ruil met minder zwaarwegende concessies (EF 210). De stemmenruil leidt dan tot meer evenwicht in de machtsbalans tussen de diverse groepen (PC 532)29.

Volgens de politicoloog W.D. Nordhaus kan een politieke conjunctuur ontstaan, omdat de regerende politici vlak voor de verkiezingen extra geld gaan uitgeven (OF 172; PC 528; PE 228 en verder). Later keert dit terug als een belasting, via de staatsschuld. De komende verkiezingen maken de politici bijziend (EF 215)30. Voorts, als de regerende politici vrezen, dat zij de komende verkiezingen verliezen, dan kunnen zij extra uitgeven om hun opvolgers te dwarsbomen31. Uiteraard hebben de politici fondsen nodig om de rente aan hun achterban te betalen. Dat vereist nodeloos hoge belastingen. Echter, het belasting-systeem is dermate complex, dat de kiezers de hoogte van hun lasten onderschatten. De econoom A. Puviani wees voor het eerst op dit fenomeen, dat de fiscale illusie wordt genoemd (OF 172; EF 442; PC 527, 531; PE686). Bijvoorbeeld doorzien kiezers vaak niet de sluipende verhoging vanwege de progressie in de belastingtarieven (PC 528).

Zonet is al opgemerkt, dat hoge belastingen T de export schaden, en de consumptieve vrijheid inperken. Voorts beïnvloeden marginale veranderingen van de belastingen (dat wil zeggen, verhogingen of verlagingen ΔT in de marge) het individuele gedrag (PC 536). De column over de welvaartseconomie heeft laten zien, dat stijgende belastingen een dood-gewicht verlies (DWL) veroorzaken in de consumptie. Evenzo kunnen hogere belastingen het werken ontmoedigen, omdat zij het vrij beschikbare loon verlagen (PC 539). Er bestaat veel literatuur over de optimale belasting heffing, die het gedrag zo min mogelijk verstoort. Dit onderwerp overstijgt echter het thema van de huidige column. In de toekomst zal de Gazet er alsnog aandacht aan besteden32.

Bij de behandeling van de wet van Wagner is opgemerkt, dat politici publieke goederen kunnen verstrekken om maatschappelijke groepen te pacificeren (OF 170). Soms is dat maatschappelijk voordelig, maar het kan ook een blijk zijn van politieke gemakzucht33. Vermoedelijk vermindert een politiek systeem met directe democratie (referenda) het rente zoeken van politici (OF 161, 173, 175; PC 531). Immers, de burgers kunnen via referenda tussen twee verkiezingen hun wil doorzetten, en bijvoorbeeld een verhoging van de staatsquote γ blokkeren. Gewoonlijk wordt Zwitserland genoemd als het schoolvoorbeeld van het gunstige effect van de directe democratie. In het algemeen werkt decentralisatie remmend op de groei van γ (PC 533).

Rente zoeken: de bureaucratie van de staat

In de jaren 70 van de vorige eeuw wees de politicoloog A. Wildavsky er op, dat de bureaucratie van de staat beschikt over een monopolie-positie (OF 170)34. Een andere econoom, W.A. Niskanen, stelt dat daardoor de politiek niet simpelweg haar wil kan opleggen aan de bureaucratie (OF 134, 170; EF 446; PC 362-368; PE 688). De politici moeten toezien op de uitvoering van beleid, maar zij hebben minder informatie en deskundigheid dan de bureaucratie (OF 171; EF 219; PC 525). De bureaucratie streeft naar meer inkomen, macht en expansie (EF 219; PC 362, 523-524). Dit leidt tot de over-productie van collectieve goederen. Aldus drijft zij de staatsquote op (OF 171). Eerder heeft de Gazet al een model van de staats-bureaucratie gepresenteerd, in de column over collectief eigendom, dat de over-productie illustreert. Als de bureaucratie de lonen van ambtenaren opdrijft, dan spreekt men van X-inefficiëntie (EF 221; PC 362).

De bekende econoom J.M. Buchanan heeft, tezamen met G. Brennan, het Leviathan model van de staat ontwikkeld (EF 447; PC 380-383, 529-30). In dit model worden de politici en de bureaucratie opgevat als een coalitie, met een collectief belang. De politici zijn dan niet meer de opzichters van de uitvoering. Daarmee verandert het beslisser-uitvoerder dilemma van karakter. De burgers worden nog steeds geconfronteerd met rente-zoekende politici, maar die hebben nu de macht van de bureaucratie achter zich staan. In die (toegegeven, uiterst grimmige) situatie kunnen de burgers hun politici enkel beteugelen via de grondwet (PC 380-381)35.

Evaluatie

Uw columnist was gedurende tientallen jaren actief in de politiek, als partij-militant. Het rente zoeken door burgers, politici en bureaucraten, is in de practijk herkenbaar. Deze constatering is niets nieuws, want de traditionele religies en de psychologie waarschuwen van oudsher tegen de "zondige" menselijke natuur. Het besef van de aardse "gebrokenheid" hoort bij een deugdelijk mensbeeld36. Echter, dankzij de nieuwe institutionele economie (NIE) en de public choice leer is er nu kennis over het mechanisme van het rente zoeken. Dit heeft het voordeel, dat het beleid rekening kan houden met zulke onwenselijk gedrag. Aldus kan de staatsquote γ inderdaad dichter bij haar optimale niveau worden gebracht.

  1. Zie hoofdstuk 12 in The economics of the welfare state (2004, Oxford University Press) van N. Barr, hoofdstuk 12 in Economics of the public sector (2000, W.W. Norton & Company, Inc.) van J.E. Stiglitz, paragraaf 10.3 in De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken (2003, Uitgeverij Acco) van H. Deleeck, en hoofdstuk 19 in Öffentliche Finanzen in der Demokratie (2011, Verlag Franz Vahlen) van C.B. Blankart. Het betoog van Barr is het meest gedetailleerd, maar nogal onoverzichtelijk door de vele herhalingen in de tekst. Voorts hemelt Barr de Engelse National Health Service meer op dan zijn argumenten rechtvaardigen. Deleeck is juist enthousiast over het Belgische systeem van sociale zekerheid. Zie p.464 in zijn boek. Op p.476 vermeldt hij: "Dat er ... nog steeds pragmatici ijveren voor solidariteit, gelijkheid en broederlijkheid hebben we immers te danken aan de christelijke en sociaal-democratische traditie". In deze zin ontbreken opvallend de vrijheid en het liberalisme. Men zou meer politieke neutraliteit verwachten bij een wetenschapper. (terug)
  2. Volgens p.306 in Economics of the public sector betalen de Amerikaanse staten via het Medicaid programma de zorgkosten van arme gezinnen met kinderen, en van arme gehandicapte individuen. De federatie stelt bepaalde randvoorwaarden aan de steun, en perkt daarmee de beleidsvrijheid van de staten in. Ook draagt de federatie tot 80% bij in de kosten. (terug)
  3. Op p.318 in Economics of the public sector vermeldt Stiglitz, dat de premie bij kleine verzekeraars voor 40% bestaat uit de kosten van de administratie. Bij grotere verzekeraars neemt dat aandeel af tot 6%. (terug)
  4. Zie p.282 in The economics of the welfare state. Volgens p.272 wordt de Engelse National Health Service voor 75% betaald uit de belastingen. (terug)
  5. Op p.264 en 286 in The economics of the welfare state beweert Barr, dat vooral de groepen met de lage inkomens onvoldoende gebruik maken van de gezondheidszorg, omdat zij daarvoor de kennis missen. Barr voert echter geen bewijzen aan voor deze bewering. Natuurlijk is er zeker sprake van onder-consumptie van zorg bij de onverzekerden (p.264, 284). Zulke individuen hebben vaak een laag inkomen. Volgens p.268 moeten arme mensen subsidie krijgen van de staat ten einde hun premie te kunnen betalen. Zie ook p.441 en 448 in Öffentliche Finanzen in der Demokratie. (terug)
  6. In de column over privatiseringen wordt de visie van de sociologe E. Tonkens behandeld, zoals is weergegeven in Mondige burgers, getemde professionals (2008, Van Gennep). Voor Tonkens is het vertrouwen van de klant in zijn arts de essentie van de zorg. Ze negeert de perverse prikkels, waaraan de arts is onderworpen. Dat wil zeggen, zij veronderstelt dat politisering en polarisatie een garantie zijn voor een goede zorg-moraal. De analyse in de huidige column pleit juist voor het inperken van de politieke invloed op de zorg. Voorts verwerpt Tonkens transparantie in de zorg, omdat de kosten van informatie te hoog zijn. Ze meent zelfs, dat het verzamelen van informatie leidt tot een klassentegenstelling tussen het bestuur en het overige personeel! Per saldo weigert Tonkens om de positie van de klant ten opzichte van de arts te versterken, hoewel die relatie toch zeer asymmetrisch is. Dit staat haaks op de titel van haar boek. Tonkens voert nauwelijks empirische gegevens aan om haar betoog te ondersteunen, althans in dit boek. (terug)
  7. Volgens p.276 in Economics of the public sector krijgt de arts in de Engelse National Health Service een vaste beloning per klant. Dat prikkelt de arts om te streven naar de preventie van ziekten (p.277). Op p.263 merkt Barr op, dat artsen ook veel waarde hechten aan een goede reputatie. Dat is natuurlijk waar. Maar al bijna vijf jaren terug is in een column het belang van het verdienste motief benadrukt. Op p.422 in De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken wordt opgemerkt, dat de eerste ziekenhuizen vaak waren verbonden aan kloostergemeenschappen. Maar ook de kerkelijke top hecht aan luxe, of tenminste aan een imposante huisvesting. (terug)
  8. In de VSA is de situatie nog iets complexer, omdat de werkgever de hele zorgpremie betaalt. Zie p.285 in The economics of the welfare state, of p.301 in Economics of the public sector. Indirect is dit natuurlijk toch een deel van het arbeidsloon. Anderzijds moet de zieke vaak een eigen bijdrage betalen (p.306 in Economics of the public sector). De eigen bijdrage is wel aftrekbaar voor de inkomensbelasting (p.307). (terug)
  9. Op p.312 in Economics of the public sector wordt opgemerkt, dat de Amerikaanse claim-cultuur (via de rechtbank) aanzet tot extra zorgaanbod, omdat de arts zich wil indekken tegen claims van zijn klant. Op p.267 in The economics of the welfare state wordt opgemerkt, dat de marginale kosten ∂p/∂Q van de klant gelijk zijn aan nul. Immers de verzekeraar betaalt alles. De klant voert zijn consumptie Q op, tot dat zij geen marginale baten meer oplevert. (terug)
  10. Merk op, dat zonder een eigen bijdrage de verloren welvaart willekeurig groot kan worden, bij een onverzadigbare vraag en dito aanbod. Volgens p.314 in Economics of the public sector verzadigt echter de vraag, omdat de behandeling onprettig is en tijd kost. Dat hangt natuurlijk af van de individu in kwestie. Op dezelfde pagina wordt (∂Q/∂π) / (Q/π) geschat op 0.14. Als ε/π=0.2, dan is Δπ/π = 1 − ε/π = 0.8 en dus ΔQ/Q = 0.14×0.8 = 0.11. De zorgvraag neemt toe met 11%. Op p.315 stelt Stiglitz, dat over-consumptie leidt tot een dead-weight loss (afgekort DWL). Dat is vreemd. Het DWL treedt juist op, wanneer de klant de volle prijs π moet betalen. Hij verliest dan DWL aan welvaart, naast zijn extra kosten (π − ε) × Q(π).
    Het is natuurlijk denkbaar, dat de individu in zijn vraagkromme (figuur 1) onvoldoende waarde p toekent aan de zorg. Bijvoorbeeld, lager opgeleiden (met lage inkomens) leven ongezonder dan hoger opgeleiden. Dan kan de staat via de lage eigen bijdrage ε toch de individu aanzetten tot meer consumptie van zorg. Echter, feitelijk is dan de staat paternalistisch. Als de staat een dergelijke ideologie consequent zou doorvoeren, dan wordt tenslotte de democratie ondermijnd. De autonome keuze wordt onmogelijk gemaakt. Een betere aanpak zou zijn om de lager opgeleiden beter voor te lichten en te informeren. (terug)
  11. Op p.459 in Öffentliche Finanzen in der Demokratie stelt Blakart, dat conservatieven de kosten willen dekken via het heffen van premies. De sociaal-democraten willen de zorgkosten fiscaliseren. En de liberalen streven naar een grote eigen bijdrage van de klant. (terug)
  12. Op p.46 in New public management (2003, Routledge), onder redactie van K. McLaughlin, S.P. Osborne en E. Ferlie merken S. Dawson en C. Dargie op, dat de prestaties van de zorg mede worden beïnvloed door de omgevingsfactoren (onderwijs, voeding, welzijn, werk, huisvesting, enzovoort). Deleeck noemt op p.419 in De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken met name de arbeidsinspectie. (terug)
  13. Traditioneel is de Engelse National Health Service een staatsbureaucratie, die grotendeels wordt betaald uit de belastingen. Sinds 1990 worden hervormingen doorgevoerd in de NHS. De organisatie-structuur van de districten is veranderd. Oorspronkelijk werd elk district aangestuurd door een eigen dienst, die tevens de begroting beheerde. In 1990 zijn de uitvoerende organisaties, zoals ziekenhuizen, verzelfstandigd ten opzichte van de districts-dienst. Voortaan sluit de districts-dienst prestatie-contracten af met de uitvoerders. De ziekenhuizen blijven overigens non-profit organisaties, met alle voordelen en nadelen, die daarbij horen. Vanaf 1991 konden huisartsen fondsen aanvragen, zodat ook zij contracten konden afsluiten met ziekenhuizen. Zie p.287 in The economics of the welfare state. Daarmee worden zij kleine HMO's. In 1997 zijn deze collectieven van huisartsen vervangen door primary care trusts, die eveneens optreden als een HMO (p.288). Des al niettemin intervenieert de Engelse staat nog steeds veel meer in de zorg dan de Amerikaanse. Op p.283 verzet Barr zich tegen de privatisering van ziekenhuizen. Hij vreest, dat er dan een scheiding zal ontstaan tussen, enerzijds, goede, dure ziekenhuizen, en anderzijds goedkope, matige ziekenhuizen. Uw columnist betwijfelt of deze vrees terecht is. Merkwaardiger wijze zijn de bestedingen per inwoner aan zorg in de VSA, met hun private zorgsysteem, veel hoger dan elders in de wereld. Zie p.301 in Economics of the public sector, en p.424 in De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken. (terug)
  14. Zie hoofdstuk 11 in De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken, en de hoofdstukken 8 en 9 in Öffentliche Finanzen in der Demokratie. Zie voorts de hoofdstukken 5, 8 en 10 in Économie et finances publiques (2017, Economica) van L. Weber, M. Zarin-Nejadan, en A. Schönenberger, de hoofdstukken 21 en 22 in Public choice III (2009, Cambridge University Press) van D.C. Mueller, en hoofdstuk 8 en 14 in Political economy in macroeconomics (2000, Princeton paperbacks) van A. Drazen. (terug)
  15. In de column over het collectief eigendom wordt opgemerkt, dat in beginsel staats-ondernemingen rekening kunnen houden met het algemeen belang. Dat zou maatschappelijke kosten kunnen besparen. Dit heet de general interest approach. Echter in de practijk bleek het algemeen belang te vaag zijn om het op te nemen in een efficiënte bedrijfsvoering. (terug)
  16. Eigenlijk is het vreemd, dat de overdrachten worden gerekend tot de staatsuitgaven. Feitelijk pakt de staat slechts inkomen af van de ene burger, en geeft dat geld vervolgens aan andere burgers. Er wordt niets geproduceerd. Wellicht rekent men de overdrachten mee, omdat zij toch een staatsinterventie vereisen. Het geld is niet meer vrij beschikbaar. Op p.507 en 516 in Public choice III wordt betoogd, dat de herverdeling leidt tot meer bestaanszekerheid, en daarom een publiek goed is. Op p.227 in Économie et finances publiques wordt opgemerkt, dat herverdeling ook gebeurt via belastingen en via een prijsbeleid. En op p.438 wordt opgemerkt, dat de overdrachten worden betaald uit de belastingen en uit de premies voor de sociale zekerheid. (terug)
  17. Dat wil zeggen, G − Y is tegen marktprijzen, en G is tegen factorkosten, wat eigenlijk vreemd is. Dan wordt Y het BBP tegen marktprijzen genoemd. Volgens p.43 in Macro-economische ontwikkelingen en bedrijfsomgeving (2004, Wolters-Noordhoff b.v.) van A.J. Marijs en W. Hulleman is het verschil van de waarden tegen marktprijzen en tegen factorkosten de omzetbelasting (zeg, BTW). Kennelijk wordt de ondernemerswinst ook beschouwd als een factor-beloning. Dien ten gevolge is de waarde tegen marktprijzen groter dan die tegen factorkosten. (terug)
  18. De gegevens zijn afkomstig van het gegevensbestand van Eurostat. De weergegeven sociale zekerheid Z is alleen in geld, en niet in natura. Eurostat duidt ze aan als social benefits. Zij worden betaald uit belastingen en uit de premies van de verzekeringen. Helaas bevat het bestand voor sommige staten niet alle gegevens over de beschouwde periode 1990-2017. (terug)
  19. Uw columnist weet niet precies welke overdrachten O = (γ − ρ) × Y allemaal van staatswege worden verstrekt, naast de sociale uitkeringen. Vermoedelijk betreft het huisvesting, gezinsbeleid, gezondheidszorg, en dergelijke. Zie p.436 in Économie et finances publiques. Blankart geeft hierover geen toelichting op p.150 in Öffentliche Finanzen in der Demokratie. (terug)
  20. De waarden van γ zijn wellicht nog te vergelijken. Zij stemmen redelijk overeen met de waarden in de figuur 2. De tijdreeksen voor Nederland komen uit het aardige boekje Het polderwonder (2002, Uitgeverij Contact) van F. de Kam en R.A. ter Hart. Zie p.104 voor γ en p.113 voor Z/Y (vermoedelijk inclusief steun in natura). De tijdreeksen voor België komen uit De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken. Zie p.284 voor γ (sommatie van inkomsten uit belastingen en premies) en p.460 voor Z/Y. De tijdsreeksen voor Duitsland en het Verenigd Koninkrijk komen uit Öffentliche Finanzen in der Demokratie. Zie p.158 voor γ en ρ. Merk op, dat de figuur 3 voor Duitsland en het Verenigd Koninkrijk een tijdreeks van γ − ρ toont. Dit is een bovengrens voor Z/Y. Blankart geeft de gegevens van vóór de Tweede Wereldoorlog alleen weer in factorkosten. Uw columnist heeft die gegevens vermenigvuldigd met 0.75 om ze te converteren naar gegevens in marktprijzen (Y is groter in marktprijzen). Dat zorgt er voor, dat ze goed aansluiten bij de na-oorlogse tijdreeksen, die wel baseren op marktprijzen. De tijdreeks van γ voor Frankrijk komt uit Public choice III. Zie p.503. De tijdreeks van de overdrachten voor Frankrijk komt uit Économie politique de la protection sociale (2011, Presses Universitaires de France) van M. Elbaum. Zie p.17, die tijdreeksen toont voor het gezinsbeleid, de uitkeringen voor werkloosheid, de kosten van de gezondheidszorg, en het staatspensioen. Uw columnist heeft deze reeksen opgeteld om een impressie te geven van de overdrachten door de staat. De gesommeerde waarden sluiten redelijk aan bij de grafiek voor Z/Y in de figuur 2. Uw columnist is zich ervan bewust, dat met name de vijf gestippelde grafieken verschillende grootheden voorstellen, en dus slecht onderling vergelijkbaar zijn. Maar hier is vooral de trend in de tijd relevant.
    Op p.159 in Öffentliche Finanzen in der Demokratie stelt Blankart, dat het aandeel van O in de Duitse G is toegenomen sinds 1950. De figuur 3 laat zien, dat dit niet een universele trend is voor alle staten. De tabel 2 (zie verderop) toont dit zelfs voor Duitsland niet.
    Op p.503 in Public choice III worden eveneens enkele waarden van γ (in %) vermeld voor Nederland, België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Namelijk:
    Tabel 1: Staatsquote γ voor vijf staten
    staat1913192019371960198019901996
    NL9141934565449
    BE14222230585453
    DL15253432484549
    FR17282935465055
    VK13263032434043
    In grote lijnen komen deze getallen overeen met die in de figuur 3, maar er zijn ook duidelijke verschillen. Op p.520 worden de overdrachten O/Y vermeld. Namelijk:
    Tabel 2: Overdrachten O/Y
    staat19371960197019801995
    NL-12293936
    BE-13213029
    DL714131719
    FR711212530
    VK109152024
    De overeenkomst van deze getallen met die in de figuur 3 is matig, deels omdat het verschillende grootheden betreft. Maar ook voor Duitsland en het Verenigd Koninkrijk verschillen de tabel 2 en de figuur 3, hoewel ze allebei de overdrachten (zouden moeten) tonen. Het loont voor de huidige column niet om uit te zoeken, waardoor die verschillen ontstaan. (terug)
  21. Op p.679 in Political economy in macroeconomics wordt opgemerkt, dat vele staten in Zuid- en Oost-Europa nog in de periode 1980-1994 hun staatsquote verhogen. Kennelijk vonden zij, dat de optimale quote nog niet was bereikt. (terug)
  22. Algemeen wil niet zeggen eenstemmig. De arbeids-econoom en PvdA ideoloog P.M. de Beer stelt op p.48 in Toekomst voor de publieke sector (2011, Wiardi Beckman Stichting), dat het negatieve verband tussen γ en de economische groei zwak is. Zijn empirische analyse laat vooral een grote spreiding zien. Maar D.C. Mueller somt op p.551-552 in Public choice een reeks van empirische analyses op, die per saldo voor de OESO staten de significant negatieve samenhang bevestigen. De Beer weerlegt dit niet echt, zodat uw columnist voorlopig het algemene standpunt omarmt.
    De Beer laat zijn linkse vorming doorklinken in zijn teksten, die zich verzetten tegen de wetenschappelijke hoofdstroom. Hij benadrukt de "linkse" argumenten, die naar hun aard niet bijster veel maatschappelijke bijval vinden. Anderzijds blijven de inzichten van bijvoorbeeld de public choice theorie onderbelicht. Zijn boeken zijn daarom minder geschikt als kennismaking met de algemeen heersende inzichten. Des al niettemin is De Beer een netwerker, met gezag in de vakbeweging. Ook is hij momenteel onafhankelijk voorzitter van het (publieke) Kennisplatform voor werk en inkomen (KWI). Hij is niet een man om ruzie mee te maken. (terug)
  23. Men moet het inzicht van Wagner niet overschatten. Wagner is een staatssocialist (katheder-socialist). Als men zijn wet consequent volhoudt, dan wordt tenslotte de staatsquote 100%. Dit is mislukt in de Sovjet Unie en haar satellieten, maar ook in de democratische staten, zoals Frankrijk. (terug)
  24. Op p.44-52 in Toekomst voor de publieke sector wordt betoogd, dat hoge belastingen geen schade toebrengen aan de economie. De Beer stelt, dat er geen negatieve effecten zijn op het gedrag van individuen, zolang men maar het marginale belastingtarief laag houdt. Namelijk, het marginale loon bepaalt de keuze voor een bepaalde werkduur. Zie de column over de invloed op gedrag van bijstand. De Beer laat echter onvermeld, dat het gemiddelde belastingtarief het loonpeil opdrijft. Daardoor worden de terms of trade slechter, zodat de internationale concurrentie-positie verzwakt. Dat schaadt wel degelijk de binnenlandse economie. Dit was juist de reden, dat de PvdA in de vijftiger jaren een geleide loonpolitiek voerde. Voorts beperken hoge belastingen natuurlijk de consumptie-vrijheid van de burgers. De Beer geeft toe, dat empirisch het schadelijke effect van de belastingdruk op de economie is aangetoond (p.48). Hij wijst echter op de grote spreiding in de meetpunten, en denkt dat het daarom toch mogelijk moet zijn hoge belastingen te compenseren met economische groei. Economen noemen zo een doelgerichte selectie van gegevens cream skimming of cherry picking. Nochtans trekt De Beer vervolgens in twijfel, dat economische groei wenselijk is. Groei zou leiden tot milieuvervuiling en tot een opgejaagde maatschappij (p.51). Hier kiest De Beer voor groei-scepticisme, net zoals bijvoorbeeld Femke Halsema. (terug)
  25. Als de optimale γ afhangt van het type staat, dan compliceert dat de beleidsvorming. Immers, het type staat is dynamisch, zodat het bestuur regelmatig het type van zijn staat moet bijstellen. Een vergissing in de type-bepaling betekent, dat het bestuur zal kiezen voor een verkeerd optimum van γ. (terug)
  26. Op p.66-68 en 71 in Toekomst voor de publieke sector zet De Beer het verschil in arbeidsproductiviteit van de private economie en de publieke sector op 2%. Hij stelt dat de publieke sectorquote (de reële staatsquote ρ) in 2010 30% is voor Nederland. Stel dat in de toekomst de verhouding tussen de fysieke productie in de publieke en private sector constant wordt gehouden. Wegens het Baumol effect zou dan de publieke sectorquote ρ stijgen tot 39% in 2030 (p.69, 76, 140). Hieruit concludeert De Beer, dat G in de toekomst snel verder zal moeten stijgen, alleen al wegens het Baumol effect! (terug)
  27. Op p.510-511 in Public choice wordt 67% van de kostengroei in de Verenigde Staten van Amerika (afgekort VSA, 1959-1984) verklaard met het Baumol effect. De overige 33% is te wijten aan de stijgende lonen van ambtenaren. Dit betreft dus de stijging van de prijs τ. Volgens p.511 stegen de kosten τ van publieke goederen met 1.5% ten opzichte van de prijs-index, gemiddeld voor de OESO staten tussen 1960 en 1995. Als men ετG = -0.5 aanneemt, dan verklaart het Baumol effect ongeveer de helft van de groei van de reële staatsquote ρ. Volgens p.165 in Öffentliche Finanzen in der Demokratie kan het Baumol effect slechts 31% van de groei van Y − O in de VSA tussen 1902 en 1978 verklaren. (terug)
  28. De machtige groep verwerpt bezuinigen op de overdrachten, die zij ontvangt. Wellicht steunt zij wel bezuinigingen elders, en worden die weer geblokkeerd door andere machtige groepen. Kennelijk hebben dan alle groepen een veto-macht. De onderhandelingen komen in een bestuurlijke impasse, die zelfs de staat niet kan doorbreken (p.693 in Political economy in macroeconomics). Een voorbeeld van een dergelijke impasse is de explosie van de Nederlandse uitgaven aan arbeids-ongeschikten, tot aan 1989. In A Dutch miracle (1997, Amsterdam University Press noemen J. Visser en A. Hemerijck dit een immobiel corporatisme (p.74). (terug)
  29. De stemmenruil doet denken aan de rationele keuze leer, die is ontwikkeld door de socioloog J.S. Coleman. (terug)
  30. Volgens p.689 in Political economy in macroeconomics blijkt empirisch, dat de kiezers extra staatsuitgaven vlak voor de verkiezingen afwijst, zodat de zittende regering electoraal juist verzwakt. Echter de zittende regering kan zich dit veroorloven, omdat zij al een electorale voorsprong heeft vanwege haar regeringsmacht. Op p.690 wordt vermeld, dat de kiezers lijden onder een illusie inzake het begrotingstekort. Ze onderschatten de last, die het tekort oplegt in de toekomst. Het belang van deze illusie is evenwel omstreden. (terug)
  31. Deze fascinerende vondst wordt vermeld op p.300 en verder, en p.691 in Political economy in macroeconomics. Stel bijvoorbeeld, dat de zittende regering waarde hecht aan de sociale zekerheid, terwijl de oppositie juist meer wil besteden aan infrastructuur. De zittende regering kan dan de sociale zekerheid uitbreiden via geleend kapitaal, dat de staatsschuld vergroot. Als later de oppositie aan de macht komt, dan is de staatsschuld dermate hoog, dat zij de extra investeringen in infrastructuur moet beperken. De handen van de opvolger worden gebonden, ofwel de verliezer van de verkiezingen regeert over zijn graf heen. Bovendien verhindert de hoge staatsschuld, dat de oppositie campagne voert met de belofte van grote investeringen (p.692). Men kan zulke handelswijzen moreel afwijzen. Maar als Drazen haar kent, dan zullen de gewiekste politici zeker spelen met de gedachte. De sociale keuze theorie onderzoekt zulke politieke fenomenen. Denk ook aan de vorming van coalities en het manipuleren van de politieke agenda. (terug)
  32. De Nederlandse econoom B. Jacobs heeft hierover het interessante boek De prijs van gelijkheid (2015, Prometheus - Bert Bakker) geschreven. (terug)
  33. In de jaren 70 stelden Nederlandse bestuurders extra publieke voorzieningen voor aan de vakbeweging, ten einde die te verleiden tot loonmatiging. Dat beleid mislukte. Zie de column over de Nederlandse vakbeweging. Men noemt dit wel neo-corporatisme, dat overigens verwant is aan het communitarisme. Volgens p.559 in Public choice III kan neo-corporatisme voordelen hebben, zolang het democratische systeem de belangengroepen kan beteugelen. In De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken wordt gesteld, dat België een corporatistisch systeem heeft, te weten bipartiet (paritair). Zie onder andere p.437 en 463. De staat kan enkel ingrijpen via volmacht-wetten. Bovendien is het corporatisme pluralistisch, met een christelijke en socialistische zuil (p.440). (terug)
  34. Dertig jaren terug verscheen het boek Politieke economie (1987, Het Spectrum), onder redactie van J. de Beus, en F. Vuijsje, dat een aantal artikelen over economen bundelt. Het analyseert het denken van economen zoals Buchanan, Olson en Wildavsky. Opvallend is, dat indertijd de schrijvers van de bundel deze toonaangevende denkers nauwelijks kunnen begrijpen. Hun ideeën staan te zeer haaks op de toenmalige tijdgeest. (terug)
  35. Naast de reeds behandelde oorzaken van de groeiende staatsquote worden er nog enkele genoemd. Op p.440-441 van Économie et finances publiques wordt de theorie van de verschuiving vermeld. Zij neemt aan, dat maatschappelijke crises leiden tot extra staatsuitgaven. Na afloop van de crisis blijven de uitgaven boven het oude niveau (ratchet effect). Deze theorie vindt enige empirische ondersteuning in de stijging van γ tijdens en na de beide wereldoorlogen. Ook is er het zogenaamde vliegenvanger (flypaper) effect (p.443). Als de staat fondsen overdraagt aan lagere overheden, dan beschouwen die het als een geschenk. Deze illusie is bekend uit de gedragseconomie. Het lagere orgaan beseft onvoldoende, dat haar burgers de fondsen moeten betalen via de belastingen. Daarom zal het lagere orgaan meer uitgeven dan rationeel verdedigbaar is. Zie ook p.528 in Public choice III. (terug)
  36. De extreem-linkse politiek, inclusief de vele varianten van het Leninisme, meent dat de mens van nature opofferings-gezind is. Mits de juiste maatschappij-structuur wordt opgelegd, zal de individu de hoogste prioriteit geven aan het collectief. Dit argument wordt gebruikt om de klassenstrijd te rechtvaardigen, waarbij de partij-elite met geweld de staatsmacht naar zich toe trekt. In een gematigde vorm leidt dit mensbeeld tot het pleidooi voor de aristo-democratie, waar het volk zich moet onderwerpen aan een verlichte elite. De theorie van het rente zoeken benadrukt juist, dat het eigenbelang de individuen beheerst, ook die in de elite. Dit mensbeeld wordt ondersteund door de maatschappelijke psychologie. Het krijgt abstract gedaante in het type homo economicus. Aldus wordt het Leviathan model van Buchanan en Brennan de tegenpool van de aristo-democratie. Uw columnist haalt zijn mensbeeld uit een compromis, te weten de empathische egoïst van Binmore. (terug)