Maatschappelijk of sociaal kapitaal

Plaatsing in Heterodoxe Gazet Sam de Wolff: 3 april 2017

E.A. Bakkum is blogger voor het Sociaal Consultatiekantoor. Hij denkt graag na over de arbeiders beweging.

De huidige column onderzoekt de invloed van het sociale kapitaal op de maatschappelijke vooruitgang. Met name worden de visies van J.S. Coleman en R. Putnam op het sociale kapitaal behandeld. Putnam stelt een index voor om sociaal kapitaal te meten. Hij betoogt dat de maatschappij baat heeft bij meer sociaal kapitaal. Nochtans blijven de conclusies omstreden. Daarom beschrijft de column enige relevante vondsten uit de psychologie, de filosofie, en het institutionalisme. Ook dit neemt de twijfels over de conclusies niet weg.

Traditioneel houdt de economische wetenschap zich vooral bezig met de bestudering van kapitaal goederen. Hier kan, met een knipoog naar Sam de Wolff, de naamgever van de Heterodoxe Gazet, worden verwezen naar de publicaties van Karl Marx, met als hoogtepunt de trilogie Das Kapital. De productie factor kapitaal C (van het Engelse woord capital) wordt voorgesteld als een homogene grootheid, al is het in feite een bonte collectie van allerlei goederen. Het neoricardiaanse model van Sraffa heeft laten zien dat het homogene kapitaal C weinig practische betekenis heeft. Nochtans blijft het concept C buitengewoon handig en nuttig voor theoretische beschouwingen over de economie.

In de productie wordt C gebruikt in combinatie met de tweede productie factor, te weten de arbeid L (van het Engelse woord labour). Marx heeft L zelfs centraal geplaatst in zijn arbeidswaarde leer. Daarbij benadrukt hij, dat L evenmin als C een homogene grootheid is. De vaardigheden van de diverse werkers bepalen hoe productief een eenheid van L werkelijk is. Daarom heeft Harrod de factor arbeid voorgesteld door A(t)×L, waarin A een functie is, die op het tijdstip t de feitelijke arbeidskracht bepaalt van een eenheid arbeid. Een ontwikkelingspad met een dergelijke afhankelijkheid van de tijd t heet Harrod neutraal. De waarde van de functie A kan worden vergroot door onderwijs en scholing. Daarom wordt A×L wel het humane of menselijke kapitaal Ch genoemd (in de Engelse taal human capital)1. In beginsel is menselijk kapitaal een individuele eigenschap, omdat elke werker (elke eenheid van L) nu eenmaal uniek is.

In de afgelopen decennia hebben de menswetenschappen een nieuw concept van kapitaal toegevoegd naast C en Ch, te weten het maatschappelijke of sociale kapitaal Cs. Hoewel de aanduiding "sociaal kapitaal" het meest is ingeburgerd, verkiest uw columnist voortaan "maatschappelijk kapitaal", omdat zij de betekenis van Cs het beste weergeeft. Binnen een korte tijd is het concept Cs razend populair geworden in de sociologie en de economie2. Dat is wel begrijpelijk, want Cs heeft de pretentie om de doorwerking van de nationale cultuur op de productiviteit te modelleren. In die zin sluit Cs als idee aan bij het institutionalisme. Toch is Cs een nogal problematisch concept. De huidige column is een poging om wat meer helderheid te brengen in de betekenis en theoretische waarde van het begrip maatschappelijk kapitaal.


Het sociale kapitaal bij Coleman

Uw columnist kwam het maatschappelijke kapitaal voor het eerst tegen bij de bekende socioloog J.S. Coleman, die er in zijn bekendste boek een heel hoofdstuk aan wijdt3. Volgens Coleman is het neoklassieke paradigma (afgekort NKP) een abstractie, die onvoldoende de realiteit beschrijft. Menselijk gedrag is niet louter individualistich. Met name hebben de menselijke netwerken een grote invloed op al het maatschappelijke handelen. Daarom introduceert Coleman het maatschappelijke kapitaal als een relatie tussen twee individuen of (sub-)groepen, die zorgt dat bepaalde kosten van hun onderlinge transacties verminderen4. Dien ten gevolge is Cs een groepsverschijnsel met een rendement, ten minste voor sommige van de betrokken handelaren. Maar Cs is niet het eigendom van een individu, zoals het geval is voor de andere kapitaal vormen C en Ch. Immers blijkens de definitie is Cs verankerd in de maatschappelijke verhoudingen en structuren.

Aangezien Cs geen duidelijke eigenaar heeft, is het rendement ervan niet automatisch opeisbaar. De opbrengst zal min of meer toevallig worden verdeeld over de groepsleden, die met elkaar handel drijven. Coleman constateert, dat in de practijk de waarde van Cs meestal niet kwantitatief kan worden bepaald. Niet alleen wordt de opbrengst diffuus verspreid, maar ook is nauwelijks bekend wat de situatie zou zijn zonder Cs. Aldus is Cs eigenlijk een kwalitatief begrip, dat symbool staat voor de gedragswijzen en omgangsvormen. Her en der probeert Coleman toch het maatschappelijke kapitaal wat concreter te maken door voorbeelden te geven.

Afbeelding van CNV speld
Figuur 1: Speld CNV Mondiaal

Een aansprekend voorbeeld van Cs is het geheel van wederzijds verplichtingen, dat de groepsleden opbouwen jegens elkaar. Het is bekend dat vooral in de Derde Wereld de leden van een groep elkaar ondersteunen in nood, in de verwachting op een later tijdstip zelf aanspraak op hulp te maken. Wie dankzij het verlenen van hulp een ander verplicht aan zichzelf, heeft een toekomstig recht opgebouwd. In deze vorm wordt Cs toch gebonden aan de individu, die binnen zijn groep als het ware een rugzak van rechten en verplichtingen meedraagt5. Het rendement ontstaat, doordat de verplichting wordt ingelost juist in een situatie, die een hoge opbrengst garandeert. Denk bijvoorbeeld aan keuterboeren, die elkaar helpen met het oogsten. In deze voorstelling kan Cs vooral groeien onder de armen. Inderdaad stelt Coleman, dat Cs afneemt naarmate de welvaart stijgt6.

Het zou een misvatting zijn om Cs te zien als een kapitaal, waarmee iemand diensten kan inkopen. Namelijk, het is nooit zeker of de anderen hun verplichtingen werkelijk zullen nakomen. Daarom is de inhoud van de rugzak nogal vluchtig. De samenhang van de groep (netwerk, kring) is cruciaal voor Cs, want zij bepaalt zowel het aantal verplichtingen als hun betrouwbaarheid. Het zou volstaan wanneer betrouwbaarheid hier slechts verwijst naar een voorspelbaar gedrag, eventueel in de vorm van een reputatie. Echter Coleman herleidt betrouwbaarheid daadwerkelijk tot een wederzijds vertrouwen, in de zin van bereidheid tot samenwerking7. Dit geeft een bijzondere invulling aan Cs, die ontbreekt in het institutionalisme. Immers het institutionalisme is prima verenigbaar met wedijver en het NKP. Dit is een belangrijk verschil, dat verderop in de column nader zal worden onderzocht.

Naast verplichtingen rekent Coleman nog andere fenomenen tot Cs, met name maatschappelijke normen, en de structuur van organisaties8. In dit geval bestaat Cs klaarblijkelijk echt uit instituties. Gewoonlijk worden normen afgeleid van een verbindende ideologie, die de kernwaarden van de groep formuleert. Coleman rekent de ideologie (moraal) niet tot Cs, waarschijnlijk omdat een moraal op zich nog geen concrete aanspraak geeft. Normen doen dat wel, want zij zijn gedragsregels. Voorzieningen en regels van staatswege worden door Coleman niet gerekend tot het Cs. Wellicht is de reden, dat de staat zijn handelingen doorzet onder dreiging van fysiek geweld. Maar een economisch kartel of een stategische samenwerking in het bedrijfsleven is weer wel maatschappelijk kapitaal. Hier blijkt tevens een nadeel van Cs, te weten dat het schadelijk kan zijn voor individuen buiten de betreffende kring.


Het sociale kapitaal bij Putnam

Coleman geeft een vrij duidelijke interpretatie van het begrip maatschappelijk kapitaal, al blijft de toepasbaarheid ongewis. Maar na 1995 wordt dit begrip werkelijk populair, dankzij de tekst Bowling alone van de politicoloog R. Putnam9. Sterker nog, Putnam maakt de popularisering van Cs tot een levenstaak. In feite benadert hij Cs meer empirisch dan theoretisch, in tegenstelling tot Coleman. Netwerken (zowel de afzonderlijke groepen en kringen, als hun geheel) vormen het maatschappelijke kapitaal. Deze netwerken hebben het cruciale kenmerk, dat zij collectieve normen opstellen om het gedrag van hun leden te reguleren. In die zin lijkt Cs op instituties. Echter het Cs van Putnam verschilt van het institutionalisme door te veronderstellen, dat vertrouwen deel uitmaakt van de normen10. Putnam volgt hier de theorie van Coleman. Anders dan Coleman vindt hij, dat economische netwerken geen deel zijn van Cs. De kern van Cs is het verenigingsleven.

De meetmethode

Putnam neemt nu de uitdaging aan om het maatschappelijke kapitaal meetbaar te maken. Hij gebruikt daarvoor het sociologische instrument van de samengestelde index, en definieert de social capital index (afgekort SCI). De SCI is opgebouwd uit vijf sub-indices, te weten de intensiteit van het verenigingsleven, de belangstelling voor de publieke sector, de inbreng van vrijwilligers, de omvang van de vriendenkring, en de mate van vertrouwen tussen mensen. Elke sub-index is weer samengesteld uit enkele indicatoren. Sommigen van deze zijn objectief (dat wil zeggen, statistische gegevens) en andere subjectief (dat wil zeggen, persoonlijke meningen)11. Natuurlijk kan de definitie SCI niet theoretisch worden gerechtvaardigd. Zij dient slechts om een enigszins geloofwaardige impressie te geven van de mate, waarin de maatschappij neigt tot het vormen van hechte netwerken. Putnam heeft de SCI berekend voor de Noord-Amerikaanse lidstaten van de Unie.

Afbeelding van plakbiljet verzekering
Figuur 2: Plakbiljet Société Coopérative

Putnam is overtuigd dat het maatschappelijke kapitaal een positieve uitwerking heeft in tal van beleidsvelden, zoals het onderwijs, de leefkwaliteit in buurten, de economie, zorg en welzijn, en de politieke participatie. Dat betekent dat de SCI een verklarende, onafhankelijke variabele is voor de prestaties van het beleid. Evenwel doet zich hierbij het probleem voor van schijn-correlaties. Namelijk, de SCI hangt zelf causaal samen met grootheden zoals de inkomens Y van de groepsleden, hun niveau van opleiding E, en hun demografische samenstelling D. Hij is een functie SCI(Y, E, D, ...). Individuen met een hogere opleiding beschikken over grotere netwerken, en daarmee over een grotere Cs. Enzovoort. Trouwens, E is weer een onderdeel van Ch. Ook is de richting van de causaliteit niet altijd duidelijk. Wordt de SCI beïnvloed door de gemiddelde Y in de groep, of wordt Y beïnvloed door de SCI? Geldt SCI→Y, zodat Y = Y(SCI, E, D, ...)?

Aangezien Putnam het effect van de netwerken zelf wil onderzoeken, moet hij eerst de effecten van inkomen, opleiding en dergelijke verwijderen. Dat wil zeggen, hij zoekt het ceteris paribus effect, de rest term, wanneer inkomen, opleiding en dergelijke constant zijn. Dit compliceert de analyse van de empirische gegevens. Inderdaad vermeldt Putnam regelmatig bij het analyseren van één of ander verschijnsel, dat hij corrigeert voor de effecten van Y, E, en eventuele andere variabelen. Toch vindt hij dan een rest-term van positieve effecten, die dus wordt verklaard louter door het netwerk op zich. In een aantal gevallen blijkt die rest-term zelfs te domineren over de effecten van Y, E en dergelijke. Wellicht vindt Putnam het daarom niet nodig om aandacht te geven aan de richting van de causaliteit tussen SCI en de overige variabelen. Nochtans zal de lezer begrijpen, dat wegens deze complicaties het betoog van Putnam vatbaar is voor kritiek.

Erger nog, de epidemiologen R. Wilkinson en K. Pickett zijn een tegenbeweging begonnen, die betoogt dat niet SCI de onafhankelijke variabele is, maar de ongelijkheid δY van de inkomens! Zij beweren dit in hun boek The spirit level, dat minstens even veel empirische gegevens bevat als Bowling alone12. Volgens hen neemt het vertrouwen toe, naarmate de verdeling van inkomens in de maatschappij gelijker wordt13. En vertrouwen is juist de centrale component van de SCI. De politicoloog E. Uslaner zou hebben aangetoond, dat δY invloed heeft op het vertrouwen T, terwijl de omgekeerde causaliteit niet geldt. In functie-notatie: er geldt T = T(δY), maar niet δY = δY(T). En een inzakkend vertrouwen destabiliseert weer de netwerken en groepen. Aldus pleiten Wilkinson en Pickett voor een beleid, dat δY kleiner maakt. Zij zien niets in een beleid, dat de SCI wil vergroten, zoals Putnam voorstelt!

Misschien zou de column hier moeten eindigen met de conclusie, dat de wetenschap in het duister tast. Echter de SCI-aanpak van Putnam mag zich verheugen in duidelijk meer populariteit dan de δY-aanpak. Ook uw columnist kan nauwelijks geloven, dat het maatschappelijke functioneren dermate afhangt van de verschillen in inkomens. De lezer kan van deze uitwijding onthouden, dat men met de wetenschap in de hand van alles kan beweren. Bij fantastische verhalen, die pretenderen de ultieme oorzaak van het leven te kennen, moet men inderdaad altijd extra alert zijn op ondeugdelijkheden. Wat voor lessen bevat de SCI analyse van Putnam verder nog?

De positieve uitwerking van het maatschappelijke kapitaal

Van groot belang zijn natuurlijk de argumenten, die Putnam aanvoert om de positieve invloed van het maatschappelijke kapitaal aan te tonen. Allereerst scheidt Putnam Cs in twee componenten, te weten het bouwen van relationele bruggen met andere groepen (bridging), en het verstevigen van de relaties binnen de groep zelf (bonding). Men spreekt hier ook wel van zwakke banden en sterke banden, of van een open en gesloten netwerk. Er wordt erkend, dat gesloten groepen leiden tot uitsluiting van buitenstaanders, en tot een schadelijke wedijver met andere groepen. Putnam noemt dit de duistere kant van Cs 14. De neiging tot intolerantie huist met name in het bindende kapitaal. Haar invloed varieert, afhankelijk van het type netwerk (hier in de zin van vereniging). Vooral in de eerste helf van de vorige eeuw waren verenigingen nog sterk naar binnen gericht15.

Echter Putnam constateert, dat gewoonlijk de SCI positief correleert met tolerantie. Gemaks halve identificeert hij hier Cs met broederschap. Hij stelt dat kennelijk broederschap verenigbaar is met vrijheid. En de gelijkheid (bijvoorbeeld een kleine δY) wordt versterkt door de broederschap, omdat de laatst genoemde bijdraagt aan emancipatie. Denk aan de arbeidersbeweging. Deze correlatie is onder andere van belang voor een beleid, dat economische groei wil bevorderen. Volgens Putnam bevordert Cs de persoonlijke contacten, waardoor het aantal kansen op transacties toeneemt. Hier hebben de zwakke (overbruggende) banden het meeste nut, omdat zij reiken voorbij de grenzen van de eigen groep. Men vergroot zijn leefwereld. Zeker de werkzoekenden profiteren van zulke netwerken. Toch toomt Putnam bij dit beleidsveld zijn enthousiasme voor Cs in. Hij erkent, dat het bedrijfsleven en de economische instituties baat hebben bij enige wedijver.

Afbeelding van VARA speld
Figuur 3: Speld VARA

Netwerken bieden duidelijke voordelen in het beleidsterrein van gezondheid en welzijn. Een maatschappelijk isolement correleert met psychische klachten. En die maken kwetsbaar voor psycho-somatische aandoeningen. Aldus gaat volgens Putnam isolement gepaard met even veel ziektebeelden als roken. Helaas is hier, in tegenstelling met roken, de richting van de causaliteit lang niet altijd duidelijk. Maar het klinkt logisch, dat ongezond gedrag wordt ontmoedigd door groepsdruk. Putnam verwijst daarnaast naar de resultaten van de gelukseconomie. Deze discipline toont aan, dat groeps-activiteiten bijdragen aan het persoonlijke geluk en welzijn. Voorts zijn informele netwerken zoals de familie en kennissen een bron van geluk.

Verder draagt maatschappelijk kapitaal bij aan de leefbaarheid van buurten. In feite volgt dit vanzelf uit de definitie van Cs. Nochtans onderbouwt Putnam toch dit argument met empirische gegevens. Hij wijst op de onveiligheid en de criminaliteit in ghetto's, waar vaak enkel het recht van de sterkste geldt. Straatbendes hebben Cs, maar van een verkeerd type. Natuurlijk lijden zulke buurten tevens onder lage inkomens Y en een ongunstige etniciteit D. Maar des al niettemin blijft na correctie voor deze invloeden een restterm over, die correleert met de SCI. Leefbare buurten gaan samen met maatschappelijke controle. Opnieuw is de richting van de causaliteit omstreden. Uw columnist heeft zich ooit verdiept in de literatuur over probleem buurten, en heeft daar geen standaard oplossing gevonden16. Elke probleem buurt is weer anders.

Goede leerprestaties in het onderwijs blijken te correleren met een hoge SCI. Dit geldt zelfs, nadat is gecorrigeerd voor Y, E, D, ... enzovoort van de ouders. Putnam vermoedt dat in zulke situaties de ouders zelf bijdragen aan de scholing. Men treft een dergelijk gedrag vaak aan bij scholen, waar de samenstelling van de ouders homogeen is, bijvoorbeeld qua religie. Immers wederzijds vertrouwen is hier cruciaal. Dit Cs is van het bindende type, wat niet onverdeeld gunstig is17. De invloed van de SCI op het functioneren van de democratie is tweesnijdend. Enerzijds correleren hoge waarden van de SCI met een plichtbewuste burgerij, en daarmee tevens met een integer bestuur. Het opportunisme is gering. Private kringen zullen dan zo mogelijk kiezen voor zelfbestuur, wat de staat ontlast. Anderzijds betreft dit vaak de meer welgestelde kringen, met als gevolg dat de ongelijkheid (zoals δY) verder zal toenemen. Ook zijn veel pressiegroepen van nature onwenselijk extreem18.

Het verval van de netwerken

Putnam toont in Bowling alone overtuigend aan, dat vanaf ruwweg 1980 het maatschappelijke kapitaal in de Noord-Amerikaanse Unie sterk is afgenomen. Sindsdien is bijvoorbeeld de participatie in het verenigingsleven gedaald tot ongeveer de helft. Putnam onderzoekt nauwgezet de diverse oorzaken van de achteruitgang. Belangrijke factoren zijn (a) de toename van de tijdsdruk, inclusief de toetreding van vrouwen op de arbeidsmarkt, (b) de toename van de reistijd per auto, (c) televisie kijken en internet bezoek, en (d) de opkomst van een nieuwe generatie (generatie X) met een sterke voorkeur voor individualisme. Putnam meent op grond van zijn analyses, dat per saldo de daling van de SCI nadelig is voor de maatschappij. Daarom wil hij een maatschappelijk offensief om het verenigingsleven te revitaliseren. Zijn pleidooi is echter omstreden, en bovendien niet relevant voor het begrip van het maatschappelijke kapitaal als zodanig19.


Het sociale kapitaal in de psychologie

Men zou verwachten, dat het thema van het maatschappelijke kapitaal de aandacht trekt van de maatschappelijke psychologie. Dit is echter onjuist. Namelijk, de maatschappelijke psychologie bestudeert het gedrag van de individu, op het micro niveau. En Cs is werkzaam in grote groepen of zelfs op macro niveau. Des al niettemin geeft de psychologie inzicht in groepsprocessen, en daarmee wel degelijk nuttige informatie over het effect van Cs op de maatschappij20. Allereerst onthult de maatschappelijke psychologie waarom netwerken (hier in de zin van kleine groepen) nuttig zijn. Zij maken specialisering en arbeidsdeling mogelijk, met als positief effect dat de arbeidsproductiviteit stijgt. Elk groepslid krijgt zijn eigen rol, waarbij de persoonlijke talenten optimaal worden benut. Men leert van elkaar door imitatie, en motiveert elkaar. Voorts versterkt de groep de identiteit van de individuen, en daarmee hun zelfrespect.

Daarnaast bieden groepen geborgenheid, omdat de leden elkaar ondersteunen. Namelijk, de psychologie heeft aangetoond, dat de groepsleden hechten aan de norm van wederkerigheid. Men gaat inderdaad onderling verplichtingen aan. Kennelijk is dit een emotie, die trouwens vatbaar is voor manipulatie21. Naast wederkerigheid is er behoefte aan tal van normen. Ook die is onderzocht door de psychologie. Groepsnormen maken het individuele gedrag beter voorspelbaar. Bovendien dragen zij informatie over. Een nadeel is dat normen alle leden in dezelfde richting duwen, waardoor het individuele gedrag polariseert. Dit is precies het gevaar van bindend Cs. Bovendien wordt zo de productieve wedijver geremd. Daarom geven innovatieve groepen altijd enige ruimte aan hun eigen minderheden. De psychologie toont hier de complexe werking van Cs: bij groepsvorming is het saldo van proceswinst en -verlies niet altijd positief. Dit hangt mede af van het gestelde doel.

Sterke binding kan een belemmering zijn voor de vrije verspreiding van informatie. Mede hierdoor zijn groepen geneigd om extreme besluiten te nemen (risky of cautious shift)22. Men spreekt ook wel van groepsdenken. Groepen vormen stereotypen van hun omgeving, en dat leidt tot vooroordelen. Zo krijgt men grip op de wereld, en kan beter handelen. Maar tevens ontstaat aldus een rivaliteit tussen verschillende groepen. Uiteraard maakt dit excessen mogelijk, waarbij het gedrag irrationeel wordt. Dan gaat een bekrompen eigenbelang overheersen. Zulke vijandigheid kan enkel worden gereduceerd door een bewuste ingreep, waarbij wordt geïnvesteerd in overbruggend Cs 23.

Afbeelding van ANMB theelepel
Figuur 4: ANMB
  theelepel (1948)
  Trouw aan de
       bond

Tenslotte bestudeert de psychologie het pro-sociale gedrag van individuen, wat nuttige inzichten geeft in het vertrouwen. Vertrouwen impliceert hier de verwachting van goede wil. Kennelijk leidt dit tot een evolutionair voordeel24. In feite is hier sprake van empathische reacties. Zij worden afgeremd door tijdsdruk en onvolledige informatie. Hulpvaardigheid gaat altijd gepaard met een persoonlijke nutsafweging. Daarbij wordt ook de maatschappelijke controle meegewogen, die dient ter handhaving van normen, zoals billijkheid en wederkerigheid. Klaarblijkelijk is vertrouwen deels een cultuur verschijnsel. In conclusie: de maatschappelijke psychologie maakt duidelijk, dat Cs een afnemende grensproductiviteit heeft. Bovendien is de afname grillig, omdat zij specifiek is voor de gegeven situatie. Deze bevinding brengt een nuance aan in het optimisme van Putnam.


Het sociale kapitaal in de filosofie

De bedenkers van het begrip maatschappelijk kapitaal geven er vrijwel allen een positieve waardering aan. Zij zien in Cs een vermogen en een verrijking. Toch is dit allerminst vanzelfsprekend. Immers een onvoorwaardelijke opbouw van Cs komt feitelijk neer op communitarisme, dat individualisme afkeurt, en daarom sinds vele eeuwen wordt bestreden door het liberalisme25. Weliswaar erkent het liberalisme gewoon het individuele recht om zich collectief te organiseren. Maar het ontkent, dat een hoger orgaan zich daarmee moet bemoeien. Immers feitelijk wordt dan de individuele autonomie en vrijheid van keuze ingeperkt. De enige door het liberalisme geaccepteerde collectieve inperking is de Grondwet, en uitsluitend in de betekenis van een maatschappelijk contract. Dit impliceert billijkheid, maar geen moraal, en zeker geen vertrouwen in de mensheid. De ultieme maatschappelijke norm is simpelweg het respect voor de Grondwet.

Communitaristen menen dat individuen hun identiteit verlenen aan hun eigen kring. Men heeft een gedeeld mentaal model. De binding in de kringen of netwerken is dermate groot, dat een debat over billijkheid overbodig wordt26. Dat levert een besparing op in de transactie kosten. Maar de kwestie gaat dieper: iemand zonder een eigen netwerk is geestelijk leeg27. Men kan niet kiezen uit het niets. In feite worden besluiten (en dus transacties) pas mogelijk dankzij de eigen kring28. De neutrale relaties van het NKP bestaan eenvoudig niet. Dit geldt zelfs voor de staat, zodat communitaristen een ideologisch neutrale staat afwijzen, of irreëel vinden. De individuele transacties voegen zich naar de doelen van het netwerk29. Aangezien het communitarisme zoveel belang hecht aan de socio-historie, neigt het naar conservatisme. Het behoud van de gegroeide identiteit bevordert het welzijn. Rente-zoekend gedrag van elites wordt genegeerd.

Kortom, communitaristen willen dat individuen zich verplichten aan hun maatschappij30. Overigens presenteert in de meeste publicaties het maatschappelijke kapitaal zich in de gedaante van een ondogmatisch communitarisme. Zonet is al uitgelegd, dat het overbruggende Cs een verrijking is voor allen. Anderzijds kan het bindende Cs leiden tot een maatschappelijke fragmentatie, die de tegenstellingen bevordert. Men wil liefst meer van het eerste type, en terughouding bij het tweede. Maar zeker voor een protagonist zoals Putnam is nog allerminst het punt bereikt, waarop het maatschappelijke kapitaal kan omslaan in een last.


Het sociale kapitaal en het institutionalisme

In feite is het institutionalisme bij uitstek een sociologisch thema. Daarbij hanteert de sociologie gewoonlijk de inductieve methode van het evolutionaire institutionalisme31. In de column over deze aanpak is al gebleken, dat instituties schadelijk kunnen uitwerken op de economie. Het concept Cs voegt weliswaar de aanname van vertrouwen toe aan de instituties, maar ook dat garandeert geen succes. Men kan zich bijvoorbeeld voorstellen, dat de instand houding van coöperatieve netwerken meer kost dan zij opbrengen. In dit opzicht wijkt de inductieve aanpak af van het neoklassieke institutionalisme, dat de doelmatigheid van instituties voorop stelt en deductief is32. Het maatschappelijke kapitaal van Putnam is een geval op zich, omdat daar de economische netwerken en instituties geheel buiten beschouwing blijven. Daarmee wordt de SCI min of meer ontkoppeld van de economie. Dat geeft aan deze column een exclusief sociologisch stempel.

Instituties moeten zichzelf legitimeren, dat wil zeggen, het vertrouwen scheppen dat zij nuttig zijn33. Wegens de toenemende anonimiteit in de moderne maatschappij wordt vertrouwen tussen personen steeds meer vervangen door vertrouwen in (en tussen) instituties34. Bijvoorbeeld kan men vertrouwen hebben in de nationale rechtsstaat, in de nationale munt, in publieke diensten, of in de regering. In een duurzame relatie kan een reputatie groeien. Vertrouwen moet niet worden verward met een naïef optimisme over de toekomst. En wie vertrouwen uitspreekt in de mensheid, een index die Putnam heeft opgenomen in de SCI, generaliseert in feite de eigen omgeving op een irreële manier35. Hier dreigt het gevaar, dat deze sub-index wellicht naïviteit meet! Toch wordt hij veel gebruikt. Vaak heeft vertrouwen een collectieve aard, zodat het vatbaar is voor kudde gedrag. Dit maakt Cs vluchtig36.

Bij formele instituties geldt, dat enig wantrouwen wenselijk is37. Immers dat is een prikkel om de instituties te verbeteren, en om zo nodig een democratisch alternatief aan de macht te brengen. Uit de psychologie is bekend, dat kritische minderheden nuttig zijn, mits zij constructief handelen. Vertrouwen maakt de individuen meer bereid tot aanpassing, en dus flexibeler. Tegelijk moet men waakzaam blijven, dat modellen zoals van Putnam wellicht de staat verleiden om Cs dwangmatig te vergroten, ten koste van minderheden. Dit is juist de liberale kritiek op het communitarisme38.

  1. Men kan ook verwijzen naar de nieuwe groeitheorie van G.M. Grossman en E. Helpman. Hierin is de productiviteit gerelateerd aan het nationale kennis niveau. (terug)
  2. Zie bijvoorbeeld p.184 in An economic theory of greed, love, groups and networks (2013, Cambridge University Press) van P. Frijters en G. Foster. Zoals de trouwe lezer weet, ontwikkelt Frijters een taxonomie van groepen. Het is opmerkelijk, dat in deze taxonomie de netwerken slechts markt relaties zijn, eigenlijk zonder maatschappelijk kapitaal. Frijters plaatst dan ook de economie centraal. Hij stelt dat economische netwerken de bron zijn, waaruit de maatschappelijke kringen voortkomen. Anderzijds identificeren sociologische auteurs zoals Coleman en Putnam de netwerken met samenhangende groepen of kringen. De sociologen gebruiken de uitdrukking zwakke relatie voor transacties, die worden afgesloten met individuen buiten de groep. Op p.559 en verder in Neue Institutionen-ökonomik (2007, Schäffer-Poeschel Verlag) van M. Erlei, M. Leschke en D. Sauerland worden de diverse opvattingen over het sociale kapitaal kort toegelicht. Kennelijk zijn de auteurs op p.561 van mening, dat Cs gelijk is aan de informele instituties. Dankzij Cs zou er "maatschappelijk" menselijk kapitaal worden gecreëerd. Met andere woorden, Ch wordt gesplitst in technische en maatschappelijke vaardigheden. Aldus zorgen Cs en de formele instituties tezamen voor een "maatschappelijke" productiviteit. Dit is weliswaar een model, maar voor alsnog omstreden. Uw columnist is niet enthousiast, omdat bij de meeste auteurs Cs is gebaseerd op vertrouwen, terwijl dat niet per se zo is voor de informele instituties (al bestaat ook daar de mogelijkheid). (terug)
  3. Zie hoofdstuk 10 in Foundations of social theory (1990, Harvard University Press) van J.S. Coleman. Op p.10 en verder in Le capital social (2006, Éditions La Découverte) geeft de econome Sophie Ponthieux hiervan een bondige samenvatting. Zonet is al opgemerkt, dat ook het boek van Frijters een uitleg geeft van Cs, zij het zeer beknopt. (terug)
  4. Zie p.302 in Foundations of social theory. (terug)
  5. Dit aanschouwelijke beeld is ontleend aan Éthique économique (2001, L'Harmattan) van F.-R. Mahieu. Zie vooral p.185 en verder. Zo een rugzak impliceert vertrouwen. Merkwaardiger wijze noemt Mahieu de term maatschappelijk kapitaal niet zelf. Vermeldens waard is, dat volgens E. Laurent op p.19 in Économie de la confiance (2012, Éditions La Découverte) het vertrouwen in de mensheid slechts aanwezig is bij 4% van alle Afrikanen. In Noorwegen bedraagt het percentage 74%. Kijken de Noren enkel naar hun eigen omgeving? Of houden zij wellicht rekening met de situationele invloeden? Het zal duidelijk zijn, dat ook de vakbeweging een vorm van maatschappelijk kapitaal is voor haar leden. Paradoxaler wijze neemt zijn waarde af, naarmate de vakbeweging groter en anoniemer wordt. Dit is een raar trekje van het begrip Cs. (terug)
  6. Zie p.321 in Foundations of social theory. (terug)
  7. Op p.19 in Économie de la confiance merkt E. Laurent op, dat de Engelse taal onderscheid maakt tussen confidence en trust. Hier komt confidence overeen met een rationele verwachting, en trust met een emotionele relatie. Laurent vindt dat Cs los staat van vertrouwen. Enkel de intensiteit van de netwerken telt. Er zij nog maar eens aan herinnerd, dat ook Frijters in An economic theory of greed, love, groups and networks een drang tot samenwerking aanneemt. Hij duidt die drang aan met toewijding ofwel love. Men kan dit interpreteren als verwantschap en dienstbaarheid, in de religieuze betekenis. Sowieso heeft Cs een theologische of sociologische inslag. In het NKP wordt de term vertrouwen gewoonlijk gebruikt voor een rationele verwachting, confidence, op basis van een subjectieve kansrekening. (terug)
  8. Coleman besteedt in zijn boek veel aandacht aan de overdrachten van individuele rechten aan vertegenwoordiger van de groep. De leden geloven, dat hun vertegenwoordiger die rechten kan gebruiken om de groep als geheel meer welvarend te maken. Volgens Coleman op p.311 van Foundations of social theory zijn die verzamelde rechten een maatschappelijk kapitaal voor de vertegenwoordiger. Uw columnist denkt, dat zij tevens een verplichting inhouden voor de vertegenwoordiger, tegenover zijn groep. Daardoor zijn de rechten tevens een schuld voor de vertegenwoordiger. (terug)
  9. Bowling alone verschijnt eerst als een soort pamflet. Daarna besluit Putnam om zijn opvattingen te onderbouwen met empirisch onderzoek, en hij publiceert de resultaten in een tweede (gelijknamige) Bowling alone (2000, Simon & Schuster). Uw columnist werd gestimuleerd tot het lezen van de tweede Bowling alone door de econoom E. Laurent in Économie de la confiance en vooral door econome Sophie Ponthieux in Le capital social. Ponthieux behandelt een hele lijst van auteurs, die allemaal hun eigen definitie van Cs presenteren. Soms leidt dit tot fundamentele verschillen. Opvallend is hoofdstuk 3 in Le capital social, dat beschrijft hoe de Franse antropoloog P. Bourdieu het maatschappelijke kapitaal definieert. Kenmerkend voor de visie van Bourdieu (een neomarxist) is, dat er klasse-verschillen zijn bij de toegankelijkheid van Cs. Het Cs kan de grenzen van de eigen klasse niet passeren. Volgens Coleman en Putnam kan dat wel. Ponthieux behandelt het werk van Putnam in hoofdstuk 4 van Le capital social. Op p.62 wordt F. Fukuyama geciteerd, die vertrouwen ziet als de bron voor het vormen van netwerken. (terug)
  10. Zie p.21 in Bowling alone. Bij Putnam gaat vertrouwen niet vooraf aan de groei van netwerken, waardoor hij botst met Fukuyama. (terug)
  11. Zie p.291 in Bowling alone. De samenstelling van de SCI is als volgt. (a) De intensiteit van het verenigingsleven kent één objectieve indicator, te weten het aatal verenigingen per 1000 inwoners. Zij kent vier subjectieve indicatoren, te weten het gemiddeld aantal jaarlijks bezochte club bijeenkomsten, het gemiddeld aantal club lidmaatschappen, het jaarlijkse percentage dat lid is van een club commissie, en het jaarlijkse percentage dat een kaderfunctie heeft in de club. (b) De belangstelling voor de publieke sector kent één objectieve indicator, te weten de opkomst in de presidentiële verkiezingen van 1988 en 1992. De subjectieve indicator is het percentage dat jaarlijks een bijeenkomst bezoekt van de school of van de gemeenteraad. (c) De inbreng van vrijwilligers kent één objectieve indicator, te weten het aantal non-profit verenigingen per 1000 inwoners. De subjectieve indicatoren zijn het gemiddelde aantal jaarlijkse participaties in gemeente projecten, en het gemiddelde aantal jaarlijkse participaties in vrijwilligers werk. (d) De omvang van de vriendenkring kent twee (subjectieve) indicatoren, te weten de intensiteit van visites aan vrienden, en het gemiddelde aantal jaarlijkse visites van vrienden. (e) De mate van vertrouwen tussen mensen kent twee (subjectieve) indicatoren, te weten het percentage dat mensen in het algemeen vertrouwt, en het percentage dat mensen in het algemeen eerlijk vindt. Putnam vermeldt niet de weegfactoren, die hij geeft aan de diverse sub-indices en indicatoren. Aangezien de samenstelling van de SCI tamelijk willekeurig is, lijkt het logisch om de vijf sub-indices ieder een gelijk gewicht te geven. (terug)
  12. Zie The spirit level (2010, Penguin Books) van R. Wilkinson en K. Pickett. Op p.89 en verder in Le capital social wordt de stelling van Wilkinson beschreven, maar Ponthieux onthoudt zich van een definitief oordeel over het belang van de SCI en δY. Op p.95 van Économie de la confiance beweert Laurent, dat de dichtheid van netwerken (ofwel de SCI) wel een onafhankelijke variabele is. Maar hij betwijfelt of de SCI bruikbaar is voor beleid, omdat het te gevaarlijk is om de staat te laten ingrijpen in de samenstelling van netwerken. (terug)
  13. Zie voor de argumentatie hoofdstuk 4 in The spirit level. (terug)
  14. Zie hoofdstuk 22 in Bowling alone. (terug)
  15. De lezer herinnert zich van indertijd de verzuiling in Nederland. Dat kon enkel functioneren, doordat de leiding van de diverse zuilen wèl beschikte over overbruggend kapitaal. (terug)
  16. Uw columnist is van alle markten thuis, en verdiepte zich al weer tien jaren terug in de verpauperde buurten. Deze bezigheid weerspiegelt de toenmalige interesse in lokale politiek. Enkele lezenswaardige (en gelezen) boeken zijn An den Rändern der Städte (2004, Suhrkamp Verlag) onder redactie van H. Häußermann, M. Kronauer, en W. Siebel, alsmede Die Stadt als Beute (1999, Verlag J.H.W. Dietz Nachf.) van K. Ronneberger, S. Lanz en W. Jahn. Ook De staat van de stadsvernieuwing (1985, Drukkerij Elinkwijk) van G. de Kleijn, vijf jaren terug gelezen, past nog in deze categorie. Inhoudelijk constateren zij soorgelijke misstanden als Putnam, al wordt het maatschappelijke kapitaal niet genoemd. Wel leggen deze Europese sociologen meer de nadruk op de armoede en de werkloosheid. De probleem buurten lijden onder de maatschappelijke uitsluiting, met name economisch, institutioneel en cultureel. Helaas beschikken deze auteurs niet over oplossingen. Passende werkgelegenheid zou ideaal zijn. Bij gebrek aan beter wordt wel permanente subsidiëring aangeraden. Nederlanders herinneren zich ongetwijfeld nog de Vogelaar wijken. Vermeldens waard is voorts Kommentar zu den kommunalpolitischen Richtlinien der Sozialdemokratischen Partei Deutschlands (1929, Verlag J.W.H. Dietz Nachf. GmbH) van P. Hirsch, dat de stedelijke instituties analyseert vanuit een economisch perspectief. Een moderne opvolger is Sozialdemokratie und Kommunalpolitik (2008, Parthas Verlag GmbH) van de Bundes-SGK. Uw columnist heeft er weinig practische beleidsadviezen uit kunnen destilleren. (terug)
  17. Immers dat kapitaal ontmoedigt contacten buiten de eigen groep. Vreemdelingen worden gewantrouwd. Zie p.362 en verder in Bowling alone. (terug)
  18. Er zij herinnerd aan het boek Sociaal doe-het-zelven (2013, Uitgeverij Atlas Contact) van P. Hilhorst en J. van der Lans, dat is besproken in een voorgaande column. Minstens zo belangrijk is de politiek van het radicale midden, die pleit voor keuzevrijheid en zelfbestuur. (terug)
  19. Putnam wil dus een rigoreus hernieuwd verenigingsleven met behoud van de individualisering. Uw columnist betwijfelt of deze twee doelen verenigbaar zijn. En juist de individualisering is een groot goed, omdat zij individuen autonomer en dus weerbaarder maakt. Het vermelden waard is dat sommige sociologen de teruggang van het verenigingsleven verklaren uit de toegenomen druk op instituties om zichzelf maatschappelijk te legitimeren. Men wordt niet meer routineus lid. Dit is in feite het generatie effect. Zie p.96 en verder in De culturele factor (1988, Uitgeverij Lemma B.V.) van A.C. Zijderveld. Het zal niet verbazen, dat velen het model van Putnam bekritiseren. Op p.97 van Économie de la confiance wordt gesteld, dat Putnam onvoldoende oog heeft voor groepsvorming op kleine schaal. Bijvoorbeeld blijven migranten heterogeen als totale groep, maar wel organiseren zij zich naar de diverse staten van herkomst. In Le capital social wordt vooral geklaagd, dat Putnam de vijandige wedijver tussen netwerken bagatelliseert. Daarnaast benadrukt Ponthieux, net zoals uw columnist, dat Putnam in vele gevallen de richting van causaliteit niet kent. (terug)
  20. Voor deze paragraaf is vooral Sozialpsychologie (2008, Spektrum Akademischer Verlag) van L. Werth en J. Mayer geraadpleegd. Veel van de stof is vermeld in eerdere columns, zoals die over economische netwerken en over het evolutionaire institutionalisme. (terug)
  21. Zie p.318 en verder in Sozialpsychologie. Het optreden van manipulatie ondermijnt de stelling van Ponthieux op p.19 en verder in Le capital social, dat Cs toevallig ontstaat. (terug)
  22. Zie p.365 en verder in Sozialpsychologie. (terug)
  23. Zie p.413 en verder in Sozialpsychologie. Op p.54, 61 en 80 van Le capital social wordt betoogd, dat Putnam onvoldoende rekening houdt met de mogelijke vijandigheid tussen netwerken. Een extreem voorbeeld hiervan is de klassenstrijd uit de negentiende eeuw. Een recent voorbeeld is de oorlog in de Balkan. (terug)
  24. Zie hoofdstuk 12 in Sozialpsychologie. De evolutionaire factor wordt behandeld in paragraaf 12.2. Groepsleden beschermen elkaar, vooral bij een bedreiging van de voortplanting. Empathische emoties veroorzaken onbehagen, dat dwingt tot bijstand. (terug)
  25. Deze paragraaf is vooral gebaseerd op Communitarisme versus libéralisme (2003, Uitgaven van de Universiteit van Brussel) van Justine Lacroix. (terug)
  26. Zie p.65 en verder in Communitarisme versus libéralisme. (terug)
  27. Zie p.74 en ook p.81 in Communitarisme versus libéralisme voor de visie van Walzer. Op p.76 en verder verdedigt Sandel een zelfde standpunt, evenals Taylor op p.88, 93 en 122. De socio-culturele inbedding legt de waarden op (p.80). (terug)
  28. Zie p.96 en verder, alsmede p.125 en p.137 in Communitarisme versus libéralisme. (terug)
  29. Zie p.87 en verder, en p.126 in Communitarisme versus libéralisme. (terug)
  30. Zie p.132 in Communitarisme versus libéralisme. (terug)
  31. In Nederland heeft de socioloog A.C. Zijderveld veel gepubliceerd over het institutionalisme. Al weer 23 jaren terug las uw columnist het boek De culturele factor (1988, Uitgeverij Lemma B.V.) van deze auteur. Uiteraard staat hierin de economie minder centraal dan in het evolutionaire institutionalisme van North. Maar de essentiële boodschap van Zijderveld en North is gelijk. Het gaat over maatschappelijke leerprocessen en over een stabilisatie, die het individuele handelen minder kostbaar maakt. Dankzij de moderniteit wordt de doel-rationaliteit steeds belangrijker. Zijderveld legt in zijn betoog het accent op de nationale cultuur, die een concrete invulling geeft aan abstracte instituties (zoals het huwelijk of de godsdienst). Hij staat hiermee dicht bij Putnam. Overigens is sindsdien de sociologie voortgeschreden, want concepten zoals vertrouwen, binding of zelfs netwerken ontbreken nog in dit boek.
    Eveneens 23 jaren terug las uw columnist Paradoxen van modernisering (1993, Dick Coutinho BV) van H. van der Loo en W. van Reijen (wellicht is indertijd al de persoonlijk-cognitieve basis gelegd voor de Heterodoxe Gazet!). In dit boek is institutionalisering welhaast een vanzelfsprekendheid. Hierin is wel aandacht voor de sociale controle en netwerken. Als curiositeit is nog te noemen Vorming van welzijnsbeleid (1976, Boom) van B. Peper, dat de institutionalisering van het opbouwwerk analyseert. Hij duidt de institutionalisering aan als bewuste sociale actie. Impliciet komt al het beslisser-uitvoerder probleem ter sprake. Opbouwwerk past goed in de ambities van Putnam, want het einddoel is particulier initiatief. (terug)
  32. Hier verdient ook het vermetele boek An economic theory of greed, love, groups and networks vermelding, met name de paragraaf 4.3. Frijters kiest voor een economische benadering, waarbij de diverse soorten kapitaal C, Ch, Cs enzovoort allemaal worden verwerkt in een productie functie. Aldus heeft die functie als variabelen onder andere het aantal handelscontacten, het institutionele kapitaal, vertrouwen, en informele netwerken. Hierbij komt het institutionele kapitaal min of meer overeen met de formele instituties. De informele netwerken zijn in de geest van Putnam, te weten het verenigingsleven. Wie dan nog bedenkt, dat er verschillende kwaliteiten van informele netwerken zijn, bijvoorbeeld bindend of overbruggend, moet wel twijfels krijgen over het nut van het concept Cs. De onderverdeling door Frijters illustreert vooral de chaos, waarin dit vakterrein vooralsnog verkeert. Dankzij de productie functie worden allerlei nuttige concepten uit de economie toegankelijk, zoals de hypothese van een afnemend grensproduct bij de productie factoren. Overigens concentreert Frijters zich op de economische sfeer, en noemt noch Coleman, noch Putnam. Na het lezen van dit boek heeft het uw columnist nog drie jaren gekost om die op het spoor te komen. (terug)
  33. Zie p.7 en verder in Économie de la confiance. Men kan vertrouwen stellen in een individu of groep. Vertrouwen is de bereidheid om zich kwetsbaar op te stellen in een transactie, waardoor men ten prooi kan vallen van opportunisme (p.20 aldaar). Laurent meent dat het is gegrondvest zowel op rationaliteit als op moraal (p.30). Op p.18 noemt Laurent ook vage begrippen, zoals het consumenten-vertrouwen of het vertrouwen in economische bedrijvigheid. Hij vindt dit in wezen nogal irrationele emoties. Dezelfde kritiek uit hij op zelfvertrouwen (p.38) (terug)
  34. Zie p.71 in Économie de la confiance. Op p.247 en verder in An economic theory of greed, love, groups and networks wordt betoogd, dat het traditionele verenigingsleven weinig efficiënt is voor het leggen van contacten. Het is vaak doelmatiger om contacten te leggen op een formele manier, te weten met behulp van professionele organisaties. Bij Putnam krijgt dit soort economische argumenten weinig aandacht. (terug)
  35. Zie p.41 in Économie de la confiance. Zie ook p.55 voor kritiek op het concept "vertrouwen in de mensheid". (terug)
  36. Zie p.81 in Économie de la confiance. Zie voorts p.68, waar dit een conjuncturele component wordt genoemd. Dit is intrigerend, want in 1929 komt Sam de Wolff tot dezelfde conclusie. Zie p.223 en verder in Het Economisch Getij (1929, J. Emmering). Wellicht zou De Wolff de huidige daling van Cs verklaren uit een neergaande lange golf beweging! (terug)
  37. Zie p.88 en verder in Économie de la confiance. Op p.283 in An economic theory of greed, love, groups and networks wordt het belang van periodieke democratische machtswisselingen benadrukt, wat eveneens georganiseerd wantrouwen is. (terug)
  38. Feitelijk gebeurt dit al. Op p.66 van Le capital social wordt vermeld, dat Putnam en zijn ploeg adviseur zijn van de Wereldbank en de OESO. De Wereldbank wil de SCI gebruiken als een instrument van ontwikkeling. Dit project ondermijnt zelfs de Washington consensus (p.77). De netwerken moeten zorgen, dat de nationale instituties samenhangend blijven (p.80). Maar de nationale verschillen maken het lastig om te komen tot een universeel beleid (p.84 en verder). Trouwens, ook Tinbergen had vermoedelijk met zijn ideeën over de ontwikkeling van de Derde Wereld, gericht op industrialisatie, onvoldoende oog voor de starheid van instituties. (terug)