De nieuwe institutionele economie

Plaatsing in Heterodoxe Gazet Sam de Wolff: 2 maart 2017

E.A. Bakkum is blogger voor het Sociaal Consultatiekantoor. Hij denkt graag na over de arbeiders beweging.

Instituties zijn een populair thema in de Gazet. De huidige column behandelt twee stromingen van het nieuwe economische institutionalisme. Oliver Williamson neemt het neoklassieke paradigma als uitgangspunt, terwijl Douglas North een evolutionaire theorie ontwikkelt. Allebei analyseren zij de transactie kosten. Er worden casussen behandeld van adverse selection, self-enforcing contracts, en moral hazard. Tijds-inconsistentie, het beslisser-uitvoerder probleem, specifieke investeringen en leerprocessen (innovatie, imitatie) komen ter sprake.

Tot aan de zeventiende eeuw was de Europese economie sterk maatschappelijk ingebed. De economen duiden het toenmalige systeem aan als het mercantilisme. Echter de prestaties van dit systeem waren teleurstellend, zodat de handelaren en wetenschappers op zoek gingen naar betere systemen. Adam Smith, indertijd een grondlegger van de economische wetenschap, veronderstelt dat goederenmarkten zelf-regulerend zijn. Er heerst een natuurlijke orde. Hij drukt dit beeldend uit met het begrip "onzichtbare hand". Dien ten gevolge hoeft de maatschappij deze marktprocessen niet te coördineren via bewuste sturing en interventie. Sterker nog, een beleidsmatig ingrijpen in de marktwerking zal alleen maar schade toebrengen aan de doelmatigheid van de economie. Deze opvatting impliceert, dat de specifieke inrichting van de maatschappij irrelevant is voor marktwerking, zolang zij maar de autonomie van de markten respecteert.

De idee van de onzichtbare hand, die het leven bestuurt achter de rug van de mensen om, past goed in de maatschappij van toen, die werd gedomineerd door de christelijke kerken. Er is een Goddelijke soevereiniteit, die de natuurlijke orde dicteert. De wereld is organisch. Men is zich nauwelijks bewust van de maakbaarheid. Dit wereldbeeld vindt men terug in de klassieke economische leer, en eveneens in het neoklassieke paradigma (afgekort NKP), haar opvolger. Echter naarmate de wetenschap zich ontwikkelt, gaat men twijfelen aan de natuurlijke ordening. Aldus sticht in de negentiende eeuw een groep Duitse wetenschappers de Historische School, die de markten opvat als een maatschappelijke constructie. De Gazet heeft in twee columns de principes van deze economische stroming toegelicht. De Historische School wordt dominant in Duitsland, mede dankzij de onvermoeibare inzet van Gustav von Schmoller, en heeft ook elders gezag.

De Historische School is van mening, dat men eerst de economische werkelijkheid moet onderzoeken, alvorens over te gaan tot modelvorming. Dit wordt een inductieve benadering genoemd. Aldus geeft zij een sterke impuls aan het empirische onderzoek. Echter zij slaagt er niet in om een eigen algemeen model te ontwikkelen. De publicaties hangen als los zand aan elkaar. Daardoor heeft zij een zwakke positie ten opzichte van het NKP, dat wèl beschikt over een krachtig universeel model. Het NKP veronderstelt dat individuen hun nut kunnen optimaliseren door de effecten van marginale veranderingen te beoordelen. Aldus komen de neoklassici tot elegante wiskundige theorieën, zoals de Edgeworth box voor ruilprocessen.

In de Verenigde Staten van Amerika ontstaat een geestverwante stroming van de Historische School, te weten de Institutionalisten. Zij beschrijven het maatschappelijke systeem als een verzameling instituties (regels), die worden gepropageerd door de bijbehorende instituten (organisaties). Hoewel individueel de Institutionalisten een groot persoonlijk gezag verwerven, is ook hier weinig samenhang aanwijsbaar tussen hun ideeën en werken. Vanaf de jaren dertig van de twintigste eeuw is het NKP feitelijk onomstreden, zij het dat het na de Tweede Wereldoorlog zich moet verzoenen met Kaleckiaans-Keynesiaanse macro-economische modellen. Nochtans staat gelukkig de wetenschap niet stil, zodat sinds de jaren zeventig het institutionalisme een herleving kent.

Afbeelding van KAB speld
Figuur 1: Speld vakcentrale KAB

De huidige column wil een beschrijving geven van deze Nieuwe institutionele economie (afgekort NIE). Het is merkwaardig gesteld met de NIE, want zij is nogal een samenraapsel van allerlei verschillende ideeën. Zij verdiept zich in organisatie, ondernemingen, eigendomsrechten, problemen van aansturing, informatie, contract vorming, economische evolutie, en spel theorie. Een deel van de nieuwe institutionalisten verkiest beschrijvende studies, waarbij wordt afgezien van een algemene theorie-vorming. Deze NIE aanpak mist de aanspraak op algemene geldigheid, waarin het universele model van het NKP zich kan verheugen. Zo zou de economie even onbestemd worden als de andere menswetenschappen. Daarom willen vele anderen vasthouden aan het NKP, ook bij de analyse van institutionele problemen. Zij willen het NKP hervormen van binnen uit, en zitten niet te wachten op een institutionele revolutie1.

Kortom, het is lastig om een duidelijk overzicht te krijgen van de NIE. In deze column zal blijken, dat de Gazet al vele malen thema's van de NIE heeft behandeld, zonder die expliciet als NIE te benoemen. Bijvoorbeeld zijn belangrijke delen van de NIE ter sprake gekomen in de columns over de rationele keuze leer van de socioloog J.S. Coleman2. Zeker is in ieder geval, dat de NIE haar bestaansrecht ontleent aan het optreden van transactie kosten. Elke transactie op de markt brengt onkosten met zich mee, onder andere wegens het zoeken naar de meest geschikte handelspartner, en het opstellen van een solide contract. Het NKP verwaarloost die onkosten, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de al genoemde Edgeworth box. Die simplificatie is onterecht, want de transactie kosten kunnen een ruil onrendabel maken, en hem aldus blokkeren.

Economen proberen op twee manieren om toch de transactie kosten in rekening te brengen. De eerste manier blijft binnen de kaders van het NKP. Zij zoekt naar slimme contracten, die de transactie kosten zo laag mogelijk houden. Hierbij maakt men vaak gebruik van het bekende beslisser-uitvoerder model. In de literatuur is de naam van de econoom Oliver Williamson verbonden aan deze benadering. De tweede manier verlaat de kaders van het NKP, en zoekt aansluiting bij de sociologie en de maatschappelijke psychologie. De veronderstelling is nu, dat slimme maatschappelijke instituties kunnen zorgen voor lage transactie kosten. Deze groep onderzoekt het ontstaan en de ontwikkeling van instituties, en hanteert daarbij onder andere cognitieve leermodellen en evolutie theorieën. Deze benadering sluit aan bij de Historische School en bij de Amerikaanse Institutionalisten. Hier is de econoom Douglas North een toon aangevende wetenschapper.

Deze column wil een globale indruk geven van de NIE. Uw columnist heeft nogal wat tijd besteed om zich te verdiepen in de materie. Het vakgebied is dermate gigantisch en onoverzichtelijk, dat uw columnist noodzakelijk moet selecteren. Vele passages in de column worden vrij letterlijk overgenomen uit de geraadpleegde literatuur3. De tekst zou nogal onleesbaar worden, wanneer altijd zou worden verwezen naar de des betreffende bron. Daarom zal dat achterwege blijven. Uw columnist hoopt met deze onthulling te voorkomen, dat hem ooit plagiaat wordt verweten. Hoewel dus de tekst niet origineel is, zijn eigen interpretatie fouten denkbaar. Dien ten gevolge blijft uw columnist verantwoordelijk (maar niet aansprakelijk) voor de tekstuele inhoud.


Het neoklassieke institutionalisme volgens Williamson

Economische instituties kunnen worden bestudeerd op drie niveau's: het bedrijf (de onderneming of de firma), de markt, en de staat. Hoewel het neoklassieke institutionalisme heeft zich bezig gehouden met alle drie, zal uw columnist zich beperken tot de eerste twee. De inrichting van het bedrijf en van de markt kunnen samenhangen. Als bijvoorbeeld het bedrijf kiest voor een groot marktaandeel, dan ontstaat een oligopolie of zelfs een monopolie. Daarom beweren sommigen dat het hele vakterrein van de industriële organisatie behoort tot de NIE4. De keuze van de bedrijfsvorm hangt niet enkel af van de directe productie kosten, maar ook van de transactie kosten5. Volgens de econoom Coase worden de transactie kosten op de markt vooral veroorzaakt door het zoeken, bijvoorbeeld naar goede toeleveranciers, en door het afsluiten van contracten. Deze kosten kunnen worden verwijderd door alle bezigheden te integreren in één bedrijf6.

De econoom Williamson duidt de organisatie binnen het bedrijf aan als een hiërarchie7. De organisatie in een hiërarchie veroorzaakt evenwel haar eigen transactie kosten. Bijvoorbeeld zullen de belangen van het personeel nooit helemaal samenvallen met die van de directie en eventueel van de aandeelhouders. Deze tegenstelling van belangen leidt tot strijdige doelen, en aldus tot wat het beslisser-uitvoerder probleem wordt genoemd. Dat werkt voor de directie naar twee kanten: zij zijn de bemiddelaar tussen het personeel en de eigenaren van het kapitaal (tenzij zij zelf eigenaar zijn). Zowel de eigenaren als de directie moeten kiezen voor een bepaalde manier van aansturen (in de Engelse taal governance). De aansturing verloopt via instituties, dat wil zeggen via regels of afspraken. De instituties kunnen formeel zijn (contracten en dergelijke), of informeel (zoals de bedrijfs-cultuur). Het hanteren van instituties veroorzaakt onkosten.

De belanghebbenden in het bedrijf (de eigenaren, directie, en werkers, of iets abstracter gezegd: de productie factoren) hebben ieder hun eigen kennis en informatie met betrekking tot de actuele stand van zaken. Ieder gebruikt zijn informatie voor de behartiging van de eigen belangen. Zonodig wordt informatie verzwegen. Trouwens, individuen beschikken over slechts een beperkte capaciteit van informatie verwerking. De economen Alchian en Demsetz zijn van mening, dat het bedrijf simpelweg kan worden voorgesteld als een netwerk van relationele contracten. De contracten worden centraal opgesteld door de directie8. Maar vanwege de asymmetrische verdeling van de bedrijfs-informatie moeten die contracten noodzakelijk onvolledig blijven. Met andere woorden, de afspraken regelen het gedrag alleen in de grote lijnen, zodat veel mogelijke situaties onbesproken blijven. Men noemt dit inderdaad onvolledige of impliciete contracten.

Contracten moeten de juiste prikkels bevatten, zodat zij de doelen van het bedrijf optimaal bevorderen. Men kan de gecontracteerde individu motiveren door tegemoet te komen aan diens belangen. Dan voelt die individu zich verplicht tot een goede prestatie. Engelsen noemen dit self-enforcing. Des al niettemin kent de contractering diverse problemen. Ex ante (voorafgaand aan de contractering) kan de ene onderhandelaar informatie verzwijgen. Het resultaat kan zijn dat de andere onderhandelaar instemt met een voor hem verkeerd contract (in de Engelse taal adverse selection). Ex post (na contractering) hebben de contractanten vaak de mogelijkheid van opportunistisch gedrag. Bijvoorbeeld is soms een goed toezicht op de geleverde prestatie onmogelijk, zodat een contractant zijn verplichtingen kan ontlopen. De kans van opportunisme vormt een perverse prikkel (in de Engelse taal moral hazard).

Trouwe lezers van de Gazet zullen de materie van deze contract theorieën wellicht herkennen. Immers in een voorgaande column is de situatie beschreven van een directie (in het Engels principal), die informatie wil hebben over de productiviteit van zijn sollicitanten (toekomstige werkers, dus agents)9. De directie wil de meer en minder productieve sollicitanten kunnen onderscheiden, ten einde aldus de adverse selection te voorkomen. Dit is een ex ante probleem van contractering. De column laat zien, dat het aantal diploma's een goede indicator is van de individuele productiviteit. De directie formuleert nu het arbeidscontract zodanig, dat onderwijs volgen lonend wordt voor de meer productieven. In dit geval gebruikt dus de sollicitant zijn diploma's als een reputatie signaal. Kennelijk worden hier twee instituties gebruikt: onderwijs en opleiding-gerelateerde loonschalen.

De verhouding tussen de directie en de werker kan eveneens worden gebruikt om het ex post probleem van contractering te illustreren. Dit is eerder al uitgelegd in de column over een werker, die onvoldoende kan worden gecontroleerd door de directie (principal)10. Dit treedt bijvoorbeeld op, wanneer de opbrengst van het werk mede wordt beïnvloed door grillige externe factoren. Er dreigt ex post opportunisme. Dan kan de directie een contract voorleggen aan de werker, dat het loon koppelt aan de uiteindelijk gerealiseerde winst. Aangezien gewoonlijk de werker risico mijdend is bij zijn inkomen, zal de directie diens loon moeten verzekeren tegen de toevallige winst-fluctuaties. Dit betekent dat het loon hoger zal uitvallen dan bij een perfect toezicht. Klaarblijkelijk wordt in zo een situatie de directie gedwongen tot het maken van extra onkosten.

Casus: het relationele contract tussen de eigenaar en de directie

In de negentiende eeuw was de eigenaar van het bedrijf tevens de directeur. Echter in de twintigste eeuw werd een andere bedrijfsstructuur dominant, waarin het eigendom en het bestuur van elkaar gescheiden raakten. Vaak krijgt dit de vorm van aandelen-kapitaal (ook al een institutie). Het wordt zelfs gebruikelijk, dat de directie in loondienst komt. De reden van deze splitsing is de verschillende aard van eigendom en bestuur. Namelijk, het eigendom heeft recht op de winst, te weten het productieve residu Π, dat overblijft nadat uit de totale opbrengst de productie factoren (arbeid en geldkapitaal) zijn beloond. Dien ten gevolge neemt het eigendom het bedrijfsrisico voor zijn rekening. Anderzijds brengt de directie (de bestuurders) haar menselijke kapitaal in. Het menselijke kapitaal bestaat uit technische en economische kennis, en uit kwaliteiten van leiderschap. Dit menselijke kapitaal is ongeschikt om zelf de financiële risico's van het bedrijf te dragen.

Afbeelding van indifferentie veld
Figuur 2: isonutsveld u(W, Π) en winst Π(W)

Williamson, en later Jensen en Meckling, hebben laten zien, dat de veranderende kapitaal structuur van het bedrijf leidt tot een beslisser-uitvoerder probleem11. Namelijk, zij Q de omzet van het bedrijf, zij W de totale loonsom, en zij K de overige onkosten (outillage, gebouwen, en dergelijke). Veronderstel gemaks halve dat de omvang van K vast ligt. Dan maakt het bedrijf een winst Π = Q − K − W. Natuurlijk verlangen de eigenaren (aandeelhouders) een maximale winst. Zij het inkomen van de directie eveneens deels gekoppeld aan de winst. Echter daarnaast heeft de directie belang bij een grote loonsom W, omdat met name het staf personeel (bedienden, secretariaat, adviseurs, en dergelijke) haar leven veraangenaamt. Dien ten gevolge heeft de nutsfunctie van de directie de gedaante u = u(W, Π). De figuur 2 toont het bijbehorende indifferentie veld van de directie. Deze nutsfunctie geldt zelfs, wanneer de directie de enige eigenaar is.

Zij L het aantal werkers. Neem gemaks halve aan dat het individuele loon simpelweg W/L is. De grensproductiviteit van de factor arbeid is ∂Q/∂L > 0. Voor grote waarden van L heeft de grensproductiviteit een dalend verloop. De maximalisatie van de winst voor een vaste K vereist oplossen van ∂Π/∂L = 0. Met andere woorden, er worden werkers in dienst genomen, totdat geldt ∂Q/∂L = W/L. Bij dit optimum heeft de winst zijn hoogste waarde Πo, in het punt Wo. De functie Π(W) is eveneens afgebeeld in de figuur 2. Echter het optimum van de directie ligt elders. Namelijk, haar optimalisatie probleem luidt:

(1a)     maximaliseer voor alle Q en W:   u(W, Π)
(1b)     onder de voorwaarde:   Π(W) = Q(W) − K − W

Men ziet in de figuur 2, dat inderdaad het optimum van de directie ligt bij een grotere Wd dan Wo. De directie heeft een eigen belang om te veel personeel aan te nemen. Dat tast de efficiëntie van het bedrijf aan, want de winst is niet meer maximaal. De directie zal Wd verkiezen, zelfs wanneer zij de enige eigenaar en aandeelhouder is. Echter het effect wordt sterker, zodra externe aandeelhouders gaan participeren in het bedrijf. Immers dan krijgt de directie een kleiner aandeel van Π, zeg een fractie α<1, met als gevolg dat in de figuur 2 haar indifferentie curves stijler worden. Dan krijgt de directie een ander optimum Wd' > Wd. Deze verandering is ongunstig voor de externe aandeelhouders, omdat de total winst verder inzakt naar Π(Wd'). Bovendien zal de informatie asymmetrie gunstig zijn voor de directie, zodat de externe aandeelhouders weinig zicht hebben op het spilzieke gedrag van de directie12.

Casus: het uitmelken van de consumenten

De zonet behandelde casus laat zien, dat de structuur van het eigendom een institutie is met aanzienlijke consequenties voor het economische gedrag. Echter de institutionele effecten beperken zich niet tot het interne functioneren van het bedrijf, want zij raken evenzeer de consumenten. De column over reputatie signalen geeft hiervan twee voorbeelden, die allebei verwijzen naar tijds inconsistentie. Dat wil zeggen, het bedrijf belooft iets aan zijn consumenten, en schendt vervolgens op een later tijdstip die belofte. Het eerste geval is prijs discriminatie door het bedrijf13. Het tweede geval is de centrale bank, die in de verleiding komt om de geld inflatie te verhogen14. In beide gevallen heeft op de korte termijn het bedrijf (producent of bank) baat bij de tijds inconsistentie. Echter op de lange termijn zal het opportunisme van het bedrijf schade veroorzaken, omdat het ongeloofwaardig wordt in de ogen van zijn afnemers.

Opportunisme van het bedrijf via tijds inconsistentie wordt wel het aangeduid als het "uitmelken" van de consument. Men zou zulk gedrag onethisch kunnen noemen. Echter in het neoklassieke institutionalisme streven de individuen rationeel hun eigenbelang na, zodat uitmelken in beginsel een normale gedragswijze is. Dien ten gevolge moet het bedrijf rationeel afwegen wat op de korte èn de lange termijn de baten van uitmelken zijn. Hiertoe schat het bedrijf zijn disconto δ in, dat bepaalt hoe een nutsverlies in de komende tijdsperiode kan worden omgerekend naar een nutsverlies in het heden. De menselijke natuur is zodanig, dat geldt δ<1. Onder omstandigheden kan het lonen om een goede reputatie in stand te houden. In zo een geval verbetert de reputatie de werking van de markt. Zo een reputatie is een institutie. Men ziet in deze voorbeelden, hoe instituties kunnen worden geïntegreerd in het NKP.

Uw columnist kan het niet laten om hier nogmaals een model te behandelen, waarin de consumenten dreigen te worden uitgemolken15. In dit geval is opnieuw de tijds inconsistentie het probleem, nu in verbinding met de kwaliteit q van het aangeboden product. De consument ontdekt de kwaliteit pas door gebruik, dat wil zeggen, in de ex post fase. Het aanbiedende bedrijf kent ex ante de kwaliteit, maar kan verkiezen om die te verzwijgen. De productie kosten zijn c(q), met ∂c/∂q > 0. Het bedrijf kan zijn productie helemaal afzetten voor een prijs p(q). Stel dat de minimaal acceptabele kwaliteit q0 is. Bij die kwaliteit is p(q0) = c(q0), zodat het bedrijf dan geen winst maakt. Bij een hogere kwaliteit is zijn winst Π(q) = p(q) − c(q) positief. Deze situatie ontstaat bijvoorbeeld, als de consumenten een nutsfunctie u(q, β) = β×q − p(q) hebben. Hierbij stelt de constante β de smaak voor.

Stel het bedrijf kondigt op tijd t=0 aan, dat het een kwaliteit q1 zal leveren, met q1>q0. Noodgedwongen moeten de consumenten dat geloven. Daarna moet het bedrijf zijn gedragslijn bepalen. Het kan zijn belofte gestand doen tot in de eeuwigheid, en mag dan een totale winst verwachten van

(2)     Πω = Π(q1) × Σt=0ω δt = Π(q1) / (1 − δ)

In de formule 2 is δ weer het disconto, dat toekomstige winst omrekent naar het heden. Het symbool ω betekent, dat de sommatie doorloopt tot in het oneindige. Echter het bedrijf zou ook kunnen besluiten om direct af te wijken van zijn belofte, en een product van kwaliteit q0 te leveren. Dat garandeert een eenmalige riante winst van Π(t=0) = p(q1) − c(q0). De consumenten ontdekken het bedrog na hun aankoop, en zullen vervolgens in alle nakomende tijdsperioden veronderstellen dat de kwaliteit gelijk is aan q0. Het bedrijf zal geen winst meer kunnen maken, omdat zijn reputatie is geruïneerd. De vergelijking van Πω en Π(t=0) maakt duidelijk, dat het melken loont zolang er geldt

(3)     Π(q1) < (c(q1) − c(q0)) × (1 − δ) / δ

Afbeelding van lemons markt
Figuur 3: vraag en aanbod van wrakken

Men kan de formule 3 zodanig uitleggen, dat het rechter lid de reputatie premie is. Alleen indien de winst deze premie overtreft, zal het bedrijf eerlijk zijn over zijn product kwaliteit q1. Voorts is de vraag of de consumenten op t=0 de belofte van het bedrijf zullen geloven. Indien het bedrijf nieuw op de markt komt, dan zullen de consumenten wellicht op t=0 aannemen dat de kwaliteit q0 is. Dan maakt de nieuwkomer op t=0 een verlies Πn = p(q0) − c(q1) = c(q0) − c(q1). In de perioden daarna wordt de nieuwkomer vertrouwd, zodat hij vanaf t=1 de winst Πω − Π(q1) maakt16. Toetreding tot de markt is enkel zinvol, zolang Πn + Πω − Π(q1) > 0. Kennelijk is de voorwaarde voor toetreding

(4)     Π(q1) > (c(q1) − c(q0)) × (1 − δ) / δ

Men kan de formules 3 en 4 ook zo interpreteren, dat een gerenommeerd bedrijf met product kwaliteit q1 zijn winst Π(q1) precies gelijk moet maken aan het rechter lid van de ongelijkheden. In die situatie is een eerlijke reputatie nog juist zinvol, terwijl er nog net geen prikkel is voor de toetreding van nieuwkomers. In werkelijkheid zijn langdurige relaties en wederzijds vertrouwen meestal essentieel voor economische transacties. Zij helpen om de transactie kosten laag te houden.

Het zonet beschreven model van kwaliteits-productie is tamelijk optimistisch. Namelijk, stel dat het gerenommeerde bedrijf besluit om binnen enkele perioden de markt te verlaten. Daarmee vervalt de reputatie premie, zodat het bedrijf zal kiezen voor de productie van kwaliteit q0. Stel dat de consumenten weten, dat het bedrijf hun markt wil verlaten. Zij zullen dan verwachten, dat het bedrijf q0 gaat aanbieden. Stel nu bovendien dat de consumenten geen behoefte hebben aan de kwaliteit q0. In termen van hun nutsfunctie is dat u(q0, β) ≤ 0. Ze vinden de prijs p(q0) simpelweg te hoog. In deze omstandigheden zal de markt niet langer kunnen overleven! Zie de figuur 3. De econoom Akerlof heeft deze situatie geschetst voor de markt van tweedehands auto's (in het Engels lemons, ofwel wrakken)17. Een dergelijke markt kan enkel voortbestaan met behulp van instituties, bijvoorbeeld een product garantie met afdwingbare rechten voor de consument.

Casus: specifieke investeringen in een transactie

Zonet zijn enkele situaties geschetst, waar de consumenten het slachtoffer dreigen te worden van een moral hazard. Maar het neoklassieke institutionalisme houdt zich evenzeer bezig met de handel tussen de bedrijven onderling. Eerder is al vermeld hoe Coase twee terreinen van ruil onderscheidt: de markt en de hiërarchie. Williamson voegt daar de mengvorm aan toe, die hij aanduidt als hybride. Voorbeelden zijn de zelfstandige filiaalhouder van een winkelketen (in de Engelse taal franchising), de strategische alliantie (joint-venture), of een bedrijvenpark. Een belangrijke oorzaak van de diversiteit aan organisaties is het probleem van de specifieke onkosten, ook wel ingezonken kosten genoemd. Dit zijn uitgaven voor productie factoren, die eigenlijk maar één toepassing hebben. Indien die toepassing wegvalt, dan kunnen de factoren niet eenvoudig elders worden gebruikt. Men spreekt van een lock-in.

Gewoonlijk worden specifieke investeringen gedaan ten behoeve van één afnemer. Zij zijn maatwerk18. In die ene toepassing zijn zij veel rendabeler dan bij alternatieve toepassingen. Dat extra rendement wordt de quasi rente genoemd. Uiteraard wil de investeerder een contract afsluiten met zijn klant, waarin allebei zich wettelijk verplichten tot de specifieke toepassing. Er ontstaat een probleem, wanneer het resultaat van de investeringen vooraf slecht voorspelbaar is. Immers dan zal er noodzakelijk een onvolledig contract ontstaan. Pas bij de voltooiing van de investering is er duidelijkheid, en dan zal er worden her-onderhandeld. Daarbij bevindt de klant zich in de meer machtige positie, omdat de investeerder afhankelijk is geworden. Daarom kan de klant proberen om zich een deel van de quasi rente toe te eigenen. Dit ex post gedrag is opportunistisch, en een gevolg van het moral hazard. Het wordt aanschouwelijk aangeduid met het woord hold-up.

Ook in dit geval kan een model de problematiek verhelderen19. Stel er is een verkoper V, die slechts één klant of koper K heeft. Stel men komt een product prijs overeen van p. De verkoper moet vooraf een som I investeren, en maakt productie kosten c(I). Dien ten gevolge is zijn winst Πv = p − c(I) − I. Stel het product is U waard voor de klant. Dan is diens winst Πk = U − p. Nu kan het maatschappelijk wenselijke niveau van de investeringen I worden uitgerekend. De probleemstelling luidt

(5)     maximaliseer voor alle I:   Πv + Πk = U − c(I) − I

De oplossing is ∂c/∂I = -1. Echter de koper k streeft zijn eigen belang na, en niet het maatschappelijk belang. Daarom zal hij bij de her-onderhandeling een prijs p' eisen, met p'<p. Het resultaat zal een Nash oplossing zijn. Die wordt mede bepaald door de exit opties van de beide contractanten20. Stel de verkoper heeft zojuist een investering Iv gerealiseerd. In de heronderhandeling moet hij die uitgave afschrijven als ingezonken onkosten. Blijkens de formule 5 is er nu een winst U − c(Iv) te verdelen tussen de beide contractanten. In de her-contractering is het billijk om op basis van wederkerigheid de winst gelijk te verdelen. De uitkomst is Πv = Πk = (U − c(Iv)) / 2. In dit geval moet de verkoper Iv kiezen aan de hand van de probleemstelling

(6)     maximaliseer voor alle Iv:   Πv = ½ × (U − c(Iv)) − Iv

De oplossing is nu ∂c/∂Iv = -2. Met andere woorden, de investering I moet nu een grotere besparing van c opleveren dan bij de formule 5. Aangezien de grens besparing daalt met I, zal dus Iv kleiner zijn dan het maatschappelijk wenselijke investerings-volume. Maatschappelijk gezien is er een onder-investering.

Het probleem van de onder-investering kan worden bestreden door een slimme keuze van de eigendomsrechten. Eigendomsrechten zijn een belangrijk thema in het neoklassieke institutionalisme. Dat is zonet al gebleken bij de casus van de scheiding van eigendom en bestuur. De eigenaren zijn meer gemotiveerd tot een efficiënte bedrijfsvoering dan de directie. In het huidige geval van specifieke investeringen is het gunstig, wanneer bij aanvang in het onvolledige contract de investeerder het alleenrecht krijgt toegekend op de exit van de transactie. Hij wordt dan niet meer bedreigd door opportunistisch gedrag van de koper. Dit kan ook zodanig worden uitgelegd, dat de bedrijfsvoering van de koper deels wordt geïntegreerd in de organisatie van de verkoper. Meer algemeen kan worden gesteld, dat integratie van de contractanten in één bedrijf het probleem van de specifieke investeringen vermindert.

Deze casus illustreert tevens, dat de NIE geen eenduidige definitie heeft van efficiëntie. Immers de productie factoren moeten doelmatig worden benut, en bovendien moet de organisatie structuur zelf optimaal zijn. Dit is een verschil met het NKP, dat de structuur negeert. Met andere woorden, innovaties kunnen zowel de techniek van de productie betreffen als de organisatie van de productie. Bij allebei kan de doelmatigheid worden verbeterd, maar de onkosten van de verbeteringen zelf tasten dat weer aan. Efficiëntie vergt inzicht in de toekomst, maar het verzamelen van die informatie vergt weer onbeheersbare onkosten.

Met deze casus nadert de paragraaf over het neoklassieke institutionalisme zijn einde. Uw columnist wil ter afsluiting enkele kanttekeningen plaatsen. Allereerst, de Gazet heeft veel aandacht besteed aan de theoretische planning, met name de macro-economische aansturing in de geest van Tinbergen. Hoewel de moderne NIE leerboeken daaraan voorbij gaan, is dit bij uitstek een institutionele economie. Ten tweede, de Gazet heeft diverse analyses gepubliceerd van het publiekrechtelijke bedrijfsorgaan (PBO). Dit is een practisch voorbeeld van de hybride structuur, waarmee wordt geprobeerd om de investeringen te brengen op het maatschappelijk wenselijke niveau. Echter de structuur veroorzaakt tal van politieke onkosten. Het is goed denkbaar dat juist de teleurstellingen met het practische institutionalisme, met als dramatisch dieptepunt de instorting van de Leninistische regimes, heeft geleid tot de theoretische heropleving in de NIE21.


Het evolutionaire institutionalisme volgens North

North plaatst de instituties in hun historische context, en probeert hun ontwikkeling te analyseren22. De institutionele verandering wordt opgevat als een evolutionair proces23. Men bestrijdt de hypothese van de rationele besluitvorming, die zo kenmerkend is voor het neoklassieke institutionalisme. Wel wordt er vastgehouden aan het methodologische individualisme, dat de individuele motieven ziet als de drijvende kracht achter alle ontwikkeling. Bovendien wordt verondersteld, dat er altijd cognitieve processen ten grondslag liggen aan de besluitvorming. Er wordt ruimschoots geput uit de maatschappelijke psychologie. Gewoonlijk wordt de motivatie afgeleid uit de individuele nuts maximalisatie. Individuen willen hun lot verbeteren. Echter veel van hun gedrag bestaat uit heuristieken. Transacties hebben vaak een routineus karakter. De maatschappij is de neerslag van vroegere ervaringen.

Afbeelding van Concordia kwartet
Figuur 4: kwartet Concordia

Het menselijke gedrag is ingebed in de informele maatschappelijke instituties. De inbedding in groepen zorgt, dat de individuen in tal van kwesties een gedeeld mentaal model verwerven24. Er vormt zich een cognitieve structuur. De informele instituties perken de mogelijke gedragingen in, en maken daardoor de maatschappij beter voorspelbaar. Juist dankzij deze consensus wordt samenwerking mogelijk en bevorderd. Men krijgt gedeelde doelen en belangen. Het evolutionaire institutionalisme vindt dit wenselijk, omdat de eensgezindheid leidt tot lagere transactie kosten. Des al niettemin is het mentale model dynamisch, want het collectieve leren kent een individuele terugkoppeling. Het leerproces is een cyclus, waarin nieuwe oplossingen kunnen worden bedacht voor de maatschappelijke problemen. Zulke innovatie begint bij een individu. Indien de innovatie succesvol blijkt te zijn, zal zij in de groep worden verspreid door middel van imitatie.

Deze voorstelling van zaken geeft een logische verklaring van de werking van markten. Formeel bieden bedrijven hun producten aan op de markt. Echter in feite bedenken zij oplossingen voor de problemen en behoeften van de consumenten. Het bedrijf kan zijn oplossingen enkel produceren door de productie factoren in te huren, en door vervolgens hun prestaties te coördineren in een organisatie. De uiteindelijk geproduceerde oplossing wordt aangeboden op de markt tegen een bepaalde prijs. Het is dan de taak van de consumenten om die oplossingen te beoordelen op hun merites, en daarna passend te belonen. De wedijver op de markten geeft een materiële prikkel tot leren, bij bedrijven en consumenten Al deze bezigheden hebben een ordendend werking, en dragen bij aan het gedeelde mentale model.

Des al niettemin volstaan de informele instituties niet, met name niet in de massale moderne maatschappijen. Immers die worden gekenmerkt door anonimiteit, waardoor de onderlinge maatschappelijke controle afneemt. De collectieve moraal verzwakt, het individualisme komt op, en de diversiteit neemt toe. Deels wordt de anonimiteit bestreden met behulp van signalering, zoals het investeren in de eigen reputatie. Maar de verleiding van opportunistisch gedrag blijft groot. Dien ten gevolge heeft de moderne maatschappij behoefte aan allerlei formele instituties. De onderlinge binding krijgt de vorm van de organische solidariteit. Vaak zijn de formele instituties simpelweg de vastlegging van de informele. Dat is wenselijk, want dan hebben zij een groot maatschappelijk draagvlak. Echter er zijn ook rationeel ontworpen instituties25. Dankzij de wetgeving van de staat kunnen bedrijven het naleven van contracten afdwingen.

Aldus komt de staat op als een evolutionair proces. De machthebbers staan bloot aan opportunistische verleidingen, zoals uitbuiting van onderdanen. Ook dit soort gedrag wordt ingeperkt door een institutie, te weten de Grondwet. Filosofen zoals Hume en Locke vatten inderdaad de staat op als een maatschappelijk contract. De aanname van evolutie impliceert dat institutionele veranderingen een historisch pad doorlopen. Men kan niet naar believen nieuwe instituties inbouwen. Zij moeten passen binnen de gegroeide maatschappij. Met name mogen formele instituties niet te zeer afwijken van de informele. En sommige paden zijn beter dan andere. In dit kader herinnert uw columnist aan het werk van D. Acemoglu, die een onderscheid maakt tussen extractieve en inclusieve instituties. Merk voorts op, dat instituties slechts traag veranderen, zeker wanneer dit wordt afgemeten aan de tijdsschaal van marktprocessen. Juist dat wekt de indruk van evolutie.

Volgens North zijn de instituties machts-instrumenten. De heersers zijn in staat om de instituties zodanig te bïnvloeden, dat hun eigen belang daarmee is gediend. Op die manier krijgen de instituties een ideologische invulling. Overigens is deze opvatting van North omstreden. Anderen stellen dat instituties ontstaan uit het streven naar efficiëntie. Voorts stelt North, dat instituties veranderen door innovatieve schokken. Zulke schokken wijzigen de prijsverhoudingen, waarnaar de instituties zich moeten voegen26. Ook merkt North op dat aldus de economische groei min of meer toevallig ontstaat. De pad-afhankelijke instituties perken de gedragingen in, en bepalen in laatste instantie de groei. North vindt de westerse instituties relatief goed. Economische vrijheid en eigendomsrechten bevorderen de efficiëntie, en zijn daarom cruciaal voor economische en technische groei. Anderzijds lijdt de Derde Wereld onder slechte instituties27.

Uw columnist sluit af met een persoonlijke ontboezeming. De NIE maakt als apart vakgebied een onsamenhangende indruk. Het is waar dat er gedeelde thema's zijn, zoals het methodologisch individualisme, de transactie kosten en de regelgeving. Nochtans is het met name gekunsteld en geforceerd om neoklassieke modellen en historische beschrijvingen onder één noemer te brengen. Dat accentueert nodeloos het verschil tussen de deductieve en inductieve aanpak. Uw columnist ziet het institutionalisme liever als een verbetering van het NKP. Maar wellicht ontstaat die voorkeur mede, doordat hij niet bijster veel heil ziet in de inductieve methode28.

  1. Trouwe lezers van de Gazet zullen zich herinneren, dat het NKP het mensbeeld van de homo economicus hanteert. Die wordt gekenmerkt door een rationele besluitvorming op basis van het eigen belang. Het is bekend dat dit mensbeeld aanvechtbaar is. Volgens M. Zey op p.38 en verder in Rational choice theory and organizational theory (1998, Sage Publications, Inc.) plaatst de Engelse filosoof T. Hobbes het egoïsme centraal in de menselijke natuur. Omgekeerd veronderstelt de Franse filosoof J.J. Rousseau juist, dat er een natuurlijke neiging tot samenwerking is. Dien ten gevolge vindt Hobbes dat instituties zorgen voor vrede, terwijl Rousseau er instrumenten van uitbuiting in ziet. Op p.36 voelt Zey weinig voor het NKP, omdat daarin de moraal, de emoties, en de traditie worden genegeerd. Zij meent dat de verschillende soorten nut incommensurabel zijn. Bijvoorbeeld vraagt de moraal niet om efficiëntie. Zey geeft de voorkeur aan een veelsoortig nut, in navolging van de socioloog A. Etzioni. Zey staat niet alleen in haar bezwaren. De economen E.G. Furubotn en R. Richter zien op p.438 en verder van Institutions and economic theory (2000, The University of Michigan Press) de NIE als een revolutie tegen het NKP. Zij stellen dat het NKP simpelweg de markten niet realistisch kan beschrijven. Uw columnist werpt tegen dat de neoklassieke abstracties verdedigbaar zijn, en analytisch vruchtbaar zijn. (terug)
  2. Illustratief voor de verwarring is de stellingname van M. Zey in Rational choice theory and organizational theory. Zij identificeert de rationele keuze leer (rational choice theory, of RCT) met het neoklassieke institutionalisme. Anderzijds lijkt zij de organisatie theorie te identificeren met het evolutionaire institutionalisme. Op p.11 van L'économie des organisations (2012, La Découverte) ziet C. Ménard in de maatschappelijke instituties simpelweg externe beperkingen voor de organisatie theorie. Maar dat onderscheid zegt weinig, omdat hij genoodzaakt is die beperkingen te analyseren. Zey voelt weinig voor de RCT. Zij geeft de voorkeur aan conflict theorieën, zoals het neomarxisme. Dat is een kwestie van smaak, waarover niet valt te twisten. De econoom C. Mantzavinos wil op p.53 en verder in Individuals, institutions and markets (2001, Cambridge University Press) eveneens de RCT en het NKP weren uit het institutionalisme. (terug)
  3. Concreet zijn geraadpleegd: Institutions and economic theory van Furubotn en Richter, Neue Institutionen-ökonomik (2007, Schäffer-Poeschel Verlag) van M. Erlei, M. Leschke en D. Sauerland, Individuals, institutions and markets van Mantzavinos, Rational choice theory and organizational theory van Zey, L'économie institutionelle (2012, La Découverte) van B. Chavance, en L'économie des organisations van Ménard. In dit geval wil raadplegen werkelijk zeggen: lezen van kaft tot kaft. (terug)
  4. Zie p.263 in Neue Institutionen-ökonomik. (terug)
  5. Op p.41 in Institutions and economic theory wordt opgemerkt, dat het in sommige situaties lastig is om de productie kosten en de transactie kosten onderling te scheiden. Mede daarom is het niet eenvoudig om de omvang van de transactie kosten te schatten. Uiteraard is dit een belangrijke grootheid, onder andere om te beoordelen in hoeverre het neoklassieke paradigma een redelijke benadering is. Op p.51 van Institutions and economic theory worden voor een moderne staat als Duitsland de transactie kosten van het bedrijfsleven geschat op ruwweg 55% van het BNP. Daarbij komen dan nog extra de transactie kosten van het staatsbestuur, te weten zo een 15%. Uw columnist weet niet zeker wat hij moet denken van deze enorme percentages. (terug)
  6. Op p.199 in Neue Institutionen-ökonomik wordt dit dilemma samengevat in de vraag Make or buy?. (terug)
  7. Dit verbaast een beetje, omdat in de afgelopen decennia de bedrijven juist steeds minder hiërarchisch zijn geworden. Ook de Nederlandse econoom (en inspiratie voor de Gazet) Frijters gebruikt de aanduiding hiërarchie in zijn taxonomie van groepen, wellicht daartoe gestimuleerd door Williamson. (terug)
  8. Enkele jaren terug is in een column van de Gazet uitgelegd, dat Frijters spreekt over de ondernemers als contact makers. Deze term past goed in het huidige betoog. (terug)
  9. Dit geval van signalering door de werkzoekende wordt ook beschreven op p.163 en verder in Neue Institutionen-ökonomik. Ook p.215 en verder in Institutions and economic theory behandelt deze situatie. (terug)
  10. Op p.103 en verder in Neue Institutionen-ökonomik wordt dit probleem eveneens behandeld. Daar is de formulering gelijk aan die op paragraaf 3.1 in hoofdstuk 6 van Labor economics (2004, The MIT Press) van P. Cahuc en A. Zylberberg. Precies dezelfde benadering is ook te vinden op p.192 en verder in Institutions and economic theory. (terug)
  11. In deze casus wordt gebruik gemaakt van p.183 en verder in Institutions and economic theory, en van p.76 en verder in Neue Institutionen-ökonomik. Indertijd (in de zestiger en zeventiger jaren van de twintigste eeuw) werd dit vakgebied omschreven als de bestuurlijke theorie van het bedrijf. (terug)
  12. Op p.85 en verder in Neue Institutionen-ökonomik wordt ook nog het geval beschreven dat de directie extern kapitaal aantrekt via bankkredieten. Opnieuw ontstaat er een perverse prikkel. Immers, het bedrijf hoeft de kredieten niet terug te betalen, wanneer het failliet mocht gaan. Dien ten gevolge heeft de directie bij haar kosten-baten afweging een voorkeur voor zeer riskante investeringen. Die beloven veel winst, en weinig eigen verlies. Het verlies wordt afgewenteld op de bank. Daarom zou een dergelijk krediet een ondeugdelijke institutie zijn. In de practijk hanteren de banken gewoonlijk een betere institutie, te weten het krediet dat wordt gedekt door een waarborg. (terug)
  13. In de column over het beslisser-uitvoerder model is opgemerkt, dat individuen van nature enige voorkeur hebben voor starre prijzen. Men ervaart ongemotiveerde veranderingen van de prijs als een gebrek aan billijkheid. Op p.285 en verder in Institutions and economic theory wordt getoond, dat experimenteel inderdaad de prijzen weinig veranderen, en zeker minder dan het neoklassieke paradigma zou doen vermoeden. (terug)
  14. Op p.469 en verder in Neue Institutionen-ökonomik wordt het belang van een constante en lage inflatie benadrukt. Daar wordt prijsstabiliteit geplaatst in het kader van het ordoliberalisme, dat is ontworpen door de School van Freiburg onder W. Eucken. Echter men vindt de eis van prijsstabiliteit evenzeer terug in de werken en modellen van de Nederlandse econoom J. Tinbergen. Zie bijvoorbeeld de column over economische planning. (terug)
  15. Het model is te vinden op p.252 en verder in Neue Institutionen-ökonomik, alsmede p.241 en verder in Institutions and economic theory. (terug)
  16. Immers de nieuwkomer maakt niet slechts een verlies op t=0, maar loopt bovendien de winst Π(q1) mis, die een gerenommeerd bedrijf wèl zou incasseren. (terug)
  17. Zie p.222 en verder in Institutions and economic theory of p.180 en verder in Neue Institutionen-ökonomik voor een experimentele bevestiging. Het eerst genoemde boek merkt op, dat de markt wordt verpest door de aanwezigheid van inferieure producten. Akerlof wijst ook nog op krediet aanvragen van Derde Wereld staten, die door de banken (hier in de rol van krediet-leverende "consumenten") niet worden gehonoreerd. Een vergelijkbaar geval zijn chronisch zieken, lemons, die hun klandizie aanbieden bij zorgverzekeraars. De markt kan enkel overleven, zolang de aanbieders geloofwaardig kunnen signaleren dat zij geen lemon aanbieden. Naast de garantie is de reputatie (bijvoorbeeld de merknaam) een geschikte institutie. Een bedrijf dat veel adverteert en reclame maakt, laat zien dat het investeert in zijn goede naam. Het zal dan niet snel consumenten bedriegen, omdat daarmee de opgebouwde goede wil verloren zou gaan. Dit soort reclame hoeft geen enkele feitelijke informatie te bevatten! (terug)
  18. Op p.128-129 van Institutions and economic theory worden de volgende voorbeelden gegeven. Een fabriek wordt gebouwd vlak bij de voornaamste klant. Of er wordt een machine gebouwd voor een uitzonderlijk product. Of de productie capaciteit wordt vergroot voor één klant. De specifieke investering kan ook zijn gericht op menselijk kapitaal, zoals het verwerven van unieke vaardigheden. (terug)
  19. Zie p.232 en verder in Institutions and economic theory, en p.217 en verder in Neue Institutionen-ökonomik. In het tweede boek is verondersteld, dat de verkoper de investering doet, net zoals in de column. Het eerste boek neemt juist aan, dat de koper de investeringen doet (bijvoorbeeld het opleiden van zijn eigen personeel voor de bediening van de aankoop). Allebei is denkbaar. De kern is dat iemand investeert en daardoor afhankelijk wordt van de ander. (terug)
  20. Aangezien het NKP vrijwillige transacties veronderstelt, beschikken de handelaren altijd over een exit optie. In Rational choice theory and organizational theory werpt Zey op p.56 (en op vele andere plaatsen) tegen dat soms de exit optie ontbreekt, zodat de handelaar wordt gedwongen tot de transactie. Daarover kan men redetwisten. Gewoonlijk zullen er wel degelijk keuze alternatieven zijn. Bijvoorbeeld, in de hiërarchie stelt de directie inderdaad de arbeidscontracten op. De werkers moeten gehoorzamen. Maar altijd kunnen zij ontslag nemen. Bovendien wedijveren de bedrijven onderling om de beste werkers, zodat de arbeidscontracten aantrekkelijk moeten zijn. (terug)
  21. De moeite waard is een analyse van arbeiders zelfbestuur op p.375 en verder in Institutions and economic theory. Overigens is die analyse al ruim veertig jaren oud. (terug)
  22. De belangrijkste bron voor deze paragraaf is Individuals, institutions and markets van Mantzavinos. (terug)
  23. Sommige economen suggereren, dat de evolutionaire economie een nieuwe richting is. Echter al een eeuw terug maakten de Amerikaanse Institutionalisten gebruik van de evolutie theorie. Dat is alleszins begrijpelijk, gezien de schok die het Darwinisme had veroorzaakt. Met name moet hier Thorstein Veblen worden genoemd. Zie p.11 en verder in L'économie institutionelle. Dit boek geeft een uitstekend overzicht van de belangrijkste traditionele institutionele scholen. (terug)
  24. Volgens p.66 in L'économie institutionelle is North de bedenker van de uitdrukking gedeeld mentaal model. (terug)
  25. Vermelding verdient hier de Oostenrijkse School, en met name haar voormannen Menger en Von Hayek. Namelijk, deze school betoogt dat in beginsel de beste instituties groeien in een natuurlijk proces. Zij zijn als het ware de organen van het maatschappelijke lichaam. De evolutie selecteert de meest efficiënte instituties uit. De rationele planning van instituties is onwenselijk, omdat geen enkele centraal institutie in staat is alle noodzakelijke informatie bijeen te brengen en te verwerken. Zie p.43 en verder in L'économie institutionelle, alsmede p.78 en verder in Individuals, institutions and markets. Dit impliceert dat de Oostenrijkse School pleit voor vooruitgang via hervormingen, en niet via revoluties. (terug)
  26. Zie p.556 in Neue Institutionen-ökonomik. (terug)
  27. Er zij nogmaals aan herinnerd, dat in de jaren zeventig het werk van Tinbergen voor de Verenigde Naties feitelijk bestaat uit institutionele analyses. Wellicht is dit enigszins in de vergetelheid geraakt, omdat hij vertrouwt op centrale aansturing. Kennelijk is de NIE hierop een reactie, met meer nadruk op de natuurlijke "pad-afhankelijke" ordening. Zij ziet af van de idee van een convergerende ontwikkeling. (terug)
  28. In L'économie institutionelle wordt nog aandacht besteed aan twee typisch Franse stromingen, te weten de theorie van de regulering, en de economie van de conventies. Uw columnist ziet de toegevoegde waarde van deze stromingen niet. (terug)