Liberalisme en communitarisme

Plaatsing in Heterodoxe Gazet Sam de Wolff: 15 augustus 2016

E.A. Bakkum is beroepsmatig werkzaam bij het Sociaal Consultatiekantoor, waar hij de functie van zaakwaarnemer vervult. Hij denkt graag na over de arbeiders beweging.

De economische ordening wordt bepaald door het mensbeeld, dat men aanhangt. Sinds het socialisme in diskrediet raakte, is alom het liberalisme dominant. Echter het communitarisme is een alternatieve optie. De huidige column beschrijft het communitarisme, alsmede een variant, het multiculturalisme. Ook wordt de relatie met het marxisme behandeld. Amitai Etzioni is een belangrijke ideoloog van het communitarisme. Hij introduceert het Ik & Wij model, en de nieuwe Gouden Regel. Pieter Hilhorst draagt ideeën aan voor een practische invulling.

Al vrij snel na de start van de Gazet verschenen er de eerste columns over de menselijke natuur. Daar worden met name de liberale en Leninistsche visie met elkaar vergeleken. Zoals bekend mag worden verondersteld, komt het liberalisme in essentie neer op individualisme. De Leninistische moraal staat er model voor allerlei doctrines, die juist het maatschappelijke karakter van de mens benadrukken. In een vrij recente column is uitgelegd, dat de moraal bepaalt welke mate van autonomie de burgers krijgen binnen hun staat. Bij nader inzien is het Leninisme zeker niet de belangrijkste representant van het collectivisme. Met name de religieuze dogma's zijn beter doordacht, en daardoor meer solide. Daarom plaatst de huidige column de tegenstelling tussen indivualisme en collectivisme in een breder kader. In deze analyse worden de collectieve dogma's samengevat onder de noemer van het communitarisme.

Het is voor een goed begrip van de diverse dogma's nuttig om de drie institutionele organen te beschouwen, die het menselijke leven aansturen. Zij zijn de maatschappij, de economie, en de staat. Een dogma wordt gekarakteriseerd door de plaats, die het kiest binnen deze institutionele driehoek. Kenmerkend voor het communitarisme is, dat het een hoge prioriteit geeft aan de collectieve moraal. Aangezien de moraal wordt gedragen door de maatschappij, verdiept het communitarisme zich met name in de maatschappelijke ordening. Hier is de eenheid van alle bedrijvigheid de community, wat uw columnist vertaalt met kring, in navolging van protestantse ethici1.

Hoewel in de filosofie en de sociologie het communitarisme niet bijster aanslaat, heeft het toch politieke betekenis. Het inspireerde zowel de New Democrats onder Clinton als New Labour onder Blair. Wellicht de belangrijkste politieke ideoloog van het communitarisme is Amitai Etioni. Zijn werk is de inspiratie voor deze column.


Het communitaristische paradigma

Het moderne communitarisme is ontstaan in de jaren 80 van de vorige eeuw als een reactie op het liberalisme2. Tegenwoordig heeft althans in het westen het liberalisme zozeer ingang gevonden, dat het communitarisme enkel nuances kan aanbrengen. Des al niettemin verdedigen het liberalisme en het communitarisme wel degelijk concurrerende paradigma's. De huidige paragraaf heeft de bedoeling om de belangrijkste tegenstellingen te schetsen. Eerst zullen enkele belangrijke grondslagen van het liberalisme worden geformuleerd. Vervolgens zal worden uitgelegd, welke bezwaren het communitarisme er tegen aanvoert.

Plakbiljet Vrijheidsbond
Figuur 1: Plakbiljet Vrijheidsbond

Het liberalisme formuleert principes met een universele geldigheid3. Men kan dit een deductieve aanpak noemen. De maatschappij bestaat uit individuen, die hun beslissingen baseren op eigenbelang. Ieder kan zijn eigen levensplan uitvoeren, althans zolang het verenigbaar is met de andere. Er is een maximum aan persoonlijke autonomie. Voor liberalen is de autonomie of zelfbeschikking de kern van de menselijke waardigheid. De keerzijde is dat ieder verantwoordelijk is voor zich. De individuen vormen hun omgeving door het aangaan van vrij gekozen associaties met anderen. Dat wil zeggen, de interacties zijn functioneel. Indien de associaties meer zijn dan een los netwerk, dan is er sprake van kringen, met een eigen moraal. Hieruit volgt dat de liberale maatschappij divers en pluralistisch is. Verreweg de meeste kringen zijn constructief, omdat dit een rationeel gedrag is, behalve voor psychopaten.

Ook het collectief moet autonoom zijn. Daarom moet de staat het ingrijpen in de kringen beperken tot een minimum. En zeker mag de staat geen partij kiezen voor enige kring, met andere woorden, hij moet neutraal zijn. De belangrijkste taak van de staat is om de natuurlijke mensenrechten te waarborgen, die zijn vastgelegd, bijvoorbeeld in de grondwet. De liberale staat is een rechtsstaat. Dankzij de universele rechten kunnen de kringen eerlijk wedijveren met elkaar. Wegens deze eis vinden liberalen het democratische bestuur aantrekkelijk. Dan bestaat de centrale soeverein uit de volkswil. Dit wordt onder andere gerealiseerd door de machtenscheiding in de staat. De staat heeft zijn eigen macht beperkt door middel van de grondwet, die als het ware een maatschappelijk contract is.

Vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw heeft de filosoof John Rawls een solide grondslag geformuleerd voor het liberalisme. Hij stelt dat wegens hun rationaliteit de individuen hechten aan de natuurlijke mensenrechten. Bovendien moeten alle beroepen en functies in de staat toegankelijk zijn voor ieder. Dit vereist dat ieder naar behoefte toegang heeft tot onderwijs en vorming, zodat ontplooiing daadwerkelijk mogelijk is. Deze aanpak maakt de maatschappij doelmatig. Nu dreigt het gevaar, dat individuen wel gebruik maken van hun rechten, maar hun plichten (betaling van belastingen en dergelijke) niet nakomen. Daarom verlangt Rawls van alle contractanten, dat zij vatbaar zijn voor rede. Zij moeten de billijkheid (recht) in de maatschappij werkelijk onderschrijven. Aldus wordt in het liberalisme de billijkheid (in de Engelse taal justice) de alles dominerende waarde. Zij garandeert een redelijk pluralisme, dat de staat stabiliseert4.

Beschouw nu het communitarisme5. Dit besteedt slechts zijdelings aandacht aan de billijkheid. De alles dominerende waarde van het communitarisme is het algemeen welzijn (in de Engelse taal common good, en in het Frans bien)6. Volgens het communitarisme wordt de individu bepaald door zijn socio-historische omgeving. Dit is in essentie een inductieve aanpak. Elke kring heeft een eigen gedeelde moraal (een geweten), die zorgt voor een natuurlijke harmonie, met als gevolg dat men zelden moet nadenken over billijkheid. Niemand kan ontkomen aan de maatschappelijke inbedding. Individuen leven primair volgens hun moraal, en minder volgens hun belangen. Zij kunnen niet vrij beschikken over zichzelf, maar hoogstens bewust worden (het ontdekken) van zichzelf7. En wie zich ontdoet van zijn moreel erfdeel, ondervindt daarna niets dan leegte. Dat wil zeggen, kritiek mag wel, maar zij moet verstaanbaar blijven.

De communitaristen zetten deze idee consequent door. Aangezien de ontwikkeling organisch is, zijn individuen nooit bij machte om te onderhandelen over een maatschappelijk contract. Al veronderstelt ook het communitarisme pluralisme in de maatschappij, toch zoekt het de binding niet in de rechtsstaat. Het meent dat de universele billijkheid onhaalbaar is. Daarom moet de staat binden op basis van de grootste gemene deler van het algemeen welzijn in de diverse kringen. Hier wordt de staat de drager van de collectieve moraal. De staat legitimeert zich door een gedeeld levenspad aan te bieden. Indien kringen zich hierin niet meer kunnen herkennen, dan is er slechts de optie van uittreding. Rechtspraak zou slechts kunnen worden gefundeerd op het algemene welzijn, en niet op een universele billijkheid. Er is geen universele waarheid, of althans zij is onkenbaar.

Het communitarisme is opgekomen, omdat volgens zijn aanhangers de maatschappij te liberaal is geworden. De burgers gaan vervreemding voelen jegens hun staat. Men treft overal in het politieke spectrum communitaristen aan. Sommige communitaristen willen het liberalisme hervormen, terwijl anderen een derde weg zoeken, of ronduit streven naar conservatisme. Des al niettemin delen zij opvattingen, zoals een ongeloof in de mondialisatie. Immers talloze staten zijn onmachtig om elkaar te herkennen. En men kan geen toewijding voelen jegens vreemden. Daarom heeft communitarisme een neiging tot nationalisme, en een afkeer van cosmopolitisme8. En revoluties worden verworpen, omdat het uitgaat van het cumulatie principe. Een algemene moraal verandert niet zomaar. Daarom ook staat het positief jegens enig paternalisme.

Toegegeven moet worden, dat het communitarisme realistisch is met zijn veronderstelling van organisch gegroeide kringen. In feite wordt dat niet eens ontkend door de liberalen. Natuurlijk functioneren individuen van nature binnen kringen. Juist daarom eist het liberalisme, dat bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting wordt gegarandeerd. Echter het standpunt van inbedding draagt niet bij aan de menselijke zingeving. De eigen ontplooiing vereist juist, dat enigszins afstand wordt genomen van wat is. En ook de maatschappelijke vooruitgang is enkel mogelijk, zolang nieuwe initiatieven worden ontplooid. Aangezien het communitarisme neigt naar paternalisme, moeten die initiatieven vooral komen van de heersende elite. Het gevaar van onderdrukking is reëel9.


Het multiculturalisme

Nu is de vraag, of het communitarisme kan helpen om de hedendaagse botsingen van culturen te verzachten10. Binnen de staat zijn vijf soorten culturele groepen denkbaar: regionale culturen, gemarginaliseerde indigene groepen, immigranten, onder dwang verhuisde groepen, en allerlei niet-etnische groepen. De laatste categorie is een verzamelklasse, met als mogelijk kenmerk de religie, het geslacht, de seksuele geaardheid, de stand, enzovoort. Nederlanders herinneren zich de scheiding tussen protestantse en rooms-katholieke groepen. De categorie 1 kan worden aangeduid als multinationalisme. Een typisch voorbeeld hiervan is Zwitserland. Het communitarisme draagt een rigoreuze oplossing aan, te weten de onderwerping aan het algemene welzijn. Dit kan minderheden dwingen tot assimilatie. Hun enige alternatief is de exit optie, middels emigratie. In de practijk kan een dergelijk beleid leiden tot de afscheiding van regio's.

Plakbiljet DGB
Figuur 2: Plakbiljet DGB

De categorieën 2, 3 en 4 hebben een etnisch kenmerk. De Franse politicoloog Laurent Bouvet wijst op de leidende rol, die de Verenigde Staten van Amerika (afgekort VSA) hebben gespeeld bij het samenbrengen van minderheden. Traditioneel hebben de VSA een liberaal beleid gehanteerd, dat streeft naar pluralisme. Het bestuur construeert een smeltkroes (in de Engelse taal melting pot), waarin de culturen geleidelijk convergeren. Bouvet constateert, dat in dit proces de Indianen en de zwarte bevolking een achterstands positie hebben. In de jaren 60 van de vorige eeuw geeft de achterstelling aanleiding tot een beweging voor burgerrechten, met name voor zwarten. Vervolgens gaan, mede onder invloed van de New Left, allerlei achtergestelde groepen zich verenigen tot de zogenaamde regenboog coalitie. In feite hebben deze groepen weinig gemeen, behalve de behoefte aan erkenning van hun identiteit.

De politieke druk van de regenboog coalitie verandert de VSA in een salad bowl (zeg, een emmer kikkers). Allerlei groepen willen hun eigen groep emanciperen, en gaan daarom juist benadrukken waarin zij verschillen. Vaak klagen zij over onderdrukking door andere, dominante culturen. Daarom zijn zij een slachtoffer. De liberale politiek reageert op de regenboog coalitie met een accommoderend beleid, dat multiculturalisme wordt genoemd. Het beleid wil de billijkheid vergroten, in de hoop op een redelijk debat. Het doel is inclusie en participatie, met andere woorden, een rigoreuze gelijkheid van kansen, onder waarborging van het pluralisme, dat deels etnisch is. Bijvoorbeeld verleent de staat fondsen aan culturele instituties. Soms kiest men tijdelijk voor positieve discriminatie (affirmative action). Dit vereist zorgvuldige afwegingen, omdat al snel de neutraliteit in gevaar komt.

Het multiculturalisme faalt, wanneer de betreffende groep zelf intolerant is. Dan zoekt zij het isolement, het redelijke overleg stokt, en er dreigt radicalisering. Soms zijn zulke groepen zelfs racistisch (bijvoorbeeld Afrocentrisme)11. Men verliest dan oog voor de eigen gebreken. Bouvet vindt daadwerkelijk de polarisatie tussen groepen een waarschijnlijke ontwikkeling. Integratie en de eigen identiteit staan op gespannen voet. Het is lastig om een balans te vinden. Trouwens, dit geldt eveneens voor westerse invloeden. Frankrijk ontmoedigt soms het gebruik van de Engelse taal.


Het Austromarxisme

Wie trouw de Gazet leest, en weet van diens soms vreemde fascinaties, zal vergeven dat een paragraaf is gewijd aan het marxisme. Het marxisme is collectief in de zin, dat het de eigen kring ziet als de bron van de individuele zedelijkheid. Het vindt de natuurlijke mensenrechten minder belangrijk, omdat de proletarische moraal voldoende garantie biedt voor de individuele ontplooiing. Maar tevens is het marxisme deductief van aard, omdat het een objectieve waarheid aanwijst. Het socialistische proletariaat is een voorhoede, omdat zijn moraal superieur is aan alle andere. Daarom is het marxisme revolutionair, in tegenstelling tot het communitarisme. Marx construeert zijn waarheid uit de hypothese, dat de historisch gegroeide manier van produceren bepalend is voor de moraal. De moraal is een materialistisch verschijnsel. Deze theorie wordt het historisch materialisme genoemd.

Aan het begin van de twintigste eeuw ontstond er bij socialistische denkers onvrede over het determinisme, dat eigen is aan het historisch materialisme. Sommigen van hen wendden zich tot de liberale filosofie van Immanuel Kant. Deze paragraaf behandelt beknopt twee denkers uit deze groep, te weten de Oostenrijkers Otto Bauer en Karl Renner. Hun stroming wordt wel aangeduid als Austromarxisme12. Bauer stelt dat politiek moet worden gebaseerd op rationaliteit en redelijkheid. De menselijke natuur verlangt, dat de politiek billijk is. Men moet het tezamen eens worden over een grondwet. Uiteraard ziet Bauer in de historische ontwikkelingen aanwijzingen, dat deze grondwet socialistisch zal worden. De algemene wil neigt tot socialisme. Deze opvattingen leunen nog aan tegen het communautarisme. Helaas zal Bauer op latere leeftijd een tegenstander worden van democratie13.

Renner is meer politicoloog dan filosoof. Hij constateert, dat het kapitalisme verandert van aard, en dat motiveert hem om de deducties van het historisch materialisme te verwerpen. Sinds 1878 zijn de industrie staten overgegaan tot de ordening van hun economieën. De opkomst van kartellen en trusts, maar ook van de vakbeweging en van de sociale zekerheid, zijn onderdelen van deze ordening. Tevens is de vrijhandel verminderd. Dit alles doorkruist de waardenwet van Marx. Het nationalisme verdeelt het mondiale proletariaat. Daarom concludeert Renner, dat het socialisme geleidelijk moet worden ingevoerd via staatshervormingen, in een historisch proces. Dat vereist een visie op de rechtsstaat. Renner wil die visie inductief ontwikkelen, als een leerproces. De arbeiders moeten zich verenigen in de eigen organische kringen, die nationaal zullen zijn. De lezer ziet de overeenkomsten met het communitarisme.


De menigte en het imperium

De regenboog coalitie is sterk vertegenwoordigd in de anders-globaliserings beweging. In het laatste decennium van de twintigste eeuw leefde zij op, en organiseerde overal Sociale Fora. De politicologen M. Hardt en A. Negri werden ideologen van deze beweging, met hun model van de menigte (multitude) en het imperium14. Hoewel uw columnist zich allerminst verwant voelt met deze beweging of met haar ideologen, is het toch interessant om er te zoeken naar communitaristische kenmerken. Het imperium is een machtsblok van staten, firma's en mondiale instituten, die de wereld beheersen. De menigte is een coalitie van belangen groepen, die zich onderdrukt voelen. Zij is democratisch. Zoals de term coalitie al toont, is de menigte polycentrisch. Acties bevorderen een gedeeld belang, en zijn tijdelijk. Hardt en Negri spreken van een zwerm intelligentie, zonder ordening. Kennelijk zijn de coalities geen soevereine kringen.

Foto van Nederlands Sociaal Forum (2004)
Figuur 3: Nederlands Sociaal Forum (2004)

Hardt en Negri stellen dat er geen dominante cultuur is. Dit betekent concreet dat de universele, natuurlijke mensenrechten worden gerelativeerd. De cultuur van de Derde Wereld wordt verspreid door de migranten stromen. De postmoderne fragmentering bevordert cosmopolitische machtsstructuren, met als gevolg dat het belang van de nationale staat afneemt. Echter die mondiale structuren hebben nauwelijks een overkoepelende moraal. Mondiale centralisatie lukt niet wegens de diversiteit aan culturen, dat wil zeggen, wegens het pluralisme (p.309). De menigte zelf streeft evenmin naar een centraal bestuur. Zij is geen soeverein, maar blijft een los netwerk (p.330). Des al niettemin zijn institutionele hervormingen nodig, die meer macht geven aan de menigte. Bijvoorbeeld moet de representatieve democratie worden teruggedrongen, althans op het mondiale niveau, en worden vervangen door de strijd om de publieke opinie.

Om kort te gaan, op mondiaal niveau is geen soeverein nodig. Dit klinkt anarchistisch. Maar Hardt en Negri ontkennen anarchisme te willen, want zij rekenen op een opbloeiende samenwerking15. Dit zal evenwel weinigen overtuigen. Boeiend aan dit paradigma is zijn afwijzing van liberalisme en communitarisme. Enerzijds raken de universele mensenrechten ondergeschikt aan de kringen. Anderzijds moet de hegemonie van het imperium worden vernietigd, desnoods door een revolutie. De kringen, die tezamen het imperium vormen (staten, firma's, mondiale instituties), horen niet thuis in de menigte. Uiteraard wordt hun uitschakeling versimpeld door het relativeren van de mensenrechten. Uw columnist is er niet weg van.


De politieke analyse van Etzioni

De socioloog Amitai Etzioni is toonaangevend in de practische toepassing van het communitarisme, met name bij de formulering van beleid. Deze paragraaf baseert op twee van zijn boeken, te weten The moral dimension (afgekort Tmd) en The new Golden Rule (afgekort Tngr)16. Het boek Tmd is een kritiek op het neoklassieke paradigma, dat gangbaar is in de economische wetenschap. Etzioni argumenteert er dat vaak handelingen worden gedomineerd door de waarde rationaliteit. Bovendien laat de gedrags-economie zien, dat de rationaliteit wordt verstoord door driften en impulsen. Daarom draagt Etzioni een alternatief paradigma aan, het Ik & Wij model, dat uitgaat van een wisselwerking tussen de individualisme en collectieve fenomenen (Tmd p.5).

Het Ik & Wij model ontkent dat de maatschappij kan worden verklaard uit individuele gedragingen (Tmd hoofdstuk 11). De rationele keuze leer is ondeugdelijk, want maatschappelijke processen worden gestuurd door groepen en kringen. Deze kringen hebben historisch een moraal ontwikkeld, die is verinnerlijkt door haar leden. De socialisatie tempert de strijd om het eigenbelang bij de individuen17. Dit impliceert dat markten zijn geordend, met als gevolg dat de wedijver is ingeperkt (Tmd p.175). De ordening verhoogt de doelmatigheid van de economische transacties. Namelijk, naast de uitkomst van de transactie (haar nut) wordt ook de werkwijze van de transactie (haar zedelijkheid) afgewogen. Dit versterkt de binding tussen de des betreffende handelaren, en daarmee de maatschappelijke stabiliteit. Met andere woorden, het handelen hangt af van logisch-empirische factoren, en van emotioneel-affectieve factoren (Tmd hoofdstuk 6).

Het Ik & Wij model verwerpt de stelling, dat de rationaliteit van het hedonisme subjectief is. Gedrag moet enige objectieve zin hebben. Het Ik & Wij model verklaart ogenschijnlijk irrationeel gedrag zoals zelf-opoffering liever aan de hand van het plichtsbesef (Tmd p.21, 54). Aldus beslissen individuen met een dubbele afweging: het eigenbelang, en de plicht. De afweging kan niet worden geaggregeerd in één nutsfunctie (Tmd p.32). Etioni noemt dit het bi-nut (bi-utility, Tmd p.36), en ook co-determinatie (Tmd p.63). Met andere woorden, er is geen commensurabiliteit (Tmd p.67). De moraal legt beperkingen op aan de denkbare ruilprocessen. Daarom moet de moraal gescheiden van het nut worden onderzocht. In dit opzicht is het Ik & Wij model een bijzondere (niet bijster populaire) versie van de gedrags-economie. Bijvoorbeeld interpreteert het de heuristieken als een normatief-affectief gedrag (Tmd p.91).

Consumptie dient soms niet tot genot, maar om de eigen identiteit te bevestigen (Tmd p.101). Immers de voorkeuren worden deels gedefinieerd door de eigen kring (Tmd p.181). Die moraal groeit historisch, en is daarom niet een optelsom van individuele voorkeuren. De moraal is een bron van individuele motivatie, net zoals het genot. Zij geeft zin en doel, en daarmee zelfbepaling. Dus zowel de productie als de consumptie zijn maatschappelijk geordend, en zij kunnen zich daaraan niet onttrekken. Wedijver en ordening moeten elkaar in evenwicht houden (Tmd p.211). Die ordening kan komen van de kringen zelf, of van de staat. Omgekeerd dringt de economie door in het staatsbestuur. Etzioni vindt het Ik & Wij model geschikt voor beleids advisering, omdat het zo goed mogelijk rekening houdt met maatschappelijke factoren. Zijn boek The new Golden Rule doet voorstellen voor een Ik & Wij beleid.

Volgens Etzioni heeft communitarisme als tegenpool het individualisme, en niet het liberalisme. Immers vele liberalen waarderen de eigen kringen. De acties van de New Left hadden tot gevolg, dat tussen 1960 en 1990 de maatschappij te zeer is geliberaliseerd. De ordening ten gevolge van collectieve moraal is zo zwak geworden, dat een regeneratie wenselijk is. Te veel vrijheid ondermijnt de autonomie, net zoals een te dwingende moraal het algemeen welzijn aantast. Als de vrijheid en de collectieve moraal in balans zijn, dan zijn de autonomie en het algemeen welzijn optimaal (Tngr 36). Etzioni noemt dit de omgekeerde (inverting) symbiose. Etzioni meent dat de staat moet kiezen voor een vriendelijk paternalisme. De nieuwe Gouden Regel luidt: koester de morele maatschappelijke ordening, net zoals u van de maatschappij verwacht, dat zij uw autonomie koestert (Tngr p.xviii).

Foto van theelepel Co-op
Figuur 1: Theelepel Co-op

Men kan de instabiliteit van de ordening meten aan de hevigheid van het maatschappelijke verzet. Bij democratische staten werkt deze terugkoppeling redelijk goed. Etzioni noemt dit de megaloog (Tngr p.106). Aldus bepaalt de context of het beleid moet wijzigen. Soms moet de staat de centrifugale krachten tegengaan, en dan weer de centripetale. Op deze manier legitimeert de staat zich jegens zijn burgers18. Volgens Etzioni moet de vernieuwde moraal berusten op een minimum aan dwang. Wenselijk zijn vorming en overtuiging. Denk aan onderwijs, de media, en adviesraden. Immers dankzij verinnerlijking zullen gevoelens van vervreemding minimaal blijven. Merk op dat Etioni dus wel de maatschappelijke druk op individuen accepteert, want zo werkt vorming. Soms zullen individuen zich aanpassen, niet uit overtuiging, maar louter om niet hun kring te bruskeren. Een versterkt geweten reduceert de behoefte aan toezicht.

Etzioni verwerpt de polarisatie, die wordt aangeprezen in conflict theorieën, zoals het marxisme. Cultuur oorlogen en revoluties moeten worden vermeden. Hij constateert met voldoening, dat vanaf 1990 de Amerikaanse staat de collectieve moraal regeneert. Deels was dit nodig, omdat de verwachtingen jegens de staat overspannen raakten. Het strafrecht dreigt overbelast te raken. Etzioni pleit voor een dynamisch (responsive) communitarisme. Kringen kunnen hun leden uitnodigen tot participatie, en zij kunnen sommige staatstaken overnemen. De eigen kring begint bij het gezin, en loopt via het onderwijs naar de maatschappelijke organisaties. Zij bevorderen de toewijding, al zal heroïsch gedrag zeldzaam blijven.

De maatschappij moet niet een smeltkroes of een regenboog zijn, maar een ingekaderd mozaïek (Tngr p.192). Dat vereist een milde vorm van nationalisme. Etzioni formuleert nu zeven kernwaarden voor de maatschappij (Tngr p.199 en verder), die deels een herhaling zijn van het voorgaande: de democratie heeft waarde in zichzelf; er is een grondwet; de burgers hebben een gelaagde toewijding, overeenkomstig het bestuur zelf; de burgers en kringen koesteren de tolerantie; zij vermijden de polarisering; er is een maatschappelijke dialoog; na elke wandaad is er een poging tot verzoening. Met name de dialoog en de grondwet bieden een zekere garantie, dat de moraal deugdelijk is. Nog beter is het om de dialoog aan te gaan op het mondiale niveau. Dat is lastig, omdat dan het debat inter-cultureel wordt. Daarbij moet men accepteren, dat de diverse culturen het recht hebben om kritiek te uiten op elkaar.

Helaas garandeert zelfs het mondiale debat niet een deugdzame uitkomst. Bijvoorbeeld was van oudsher mondiaal de vrouw een tweederangs burger. Steeds dreigt het communitarisme weg te zakken in cultuur-relativisme. Daarom stelt Etzioni als de ultieme test van deugdzaamheid zijn nieuwe gouden regel voor. Nodig is het vinden van de juiste balans tussen de morele ordening en de autonomie. Etzioni noemt dit de duale basiswaarden, omdat zij geschikt zijn om normatief rekenschap te vragen aan een kring. Hij veronderstelt dat zij daadwerkelijk universeel geldig zijn. Zij garanderen dat het individuele en collectieve geweten (de moral voice) echt deugdzaam zijn.


Soevereiniteit in eigen kring

Het communitarisme kent ook in Nederland tal van aanhangers. Deze paragraaf analyseert de visie van de publicist Pieter Hilhorst, met name zijn boek Sociaal doe-het-zelven19. Hilhorst denkt met enige nostalgie aan het begin van de vorige eeuw, toen dankzij persoonlijk initiatief de levensbeschouwelijke zuilen werden opgebouwd als conglomeraten van maatschappelijke organisaties (p.157). Er was een organische groei van kringen, die ordening brachten in de maatschappij. Sindsdien heeft de staat veel van deze organisaties ingelijfd, omdat daarmee de doelmatigheid zou verbeteren. Hilhorst meent, dat deze onwikkeling is doorgeschoten. Bovendien vindt hij dat de staat anoniem is, en daardoor vervreemding oproept bij de burgers. De private kringen hebben een waarde op zich, omdat de mensen zich er thuis voelen. Daarom is er behoefte aan een herordening.

De regeling van maatschappelijke voorzieningen door de staat garandeert universele rechten en plichten. Echter tevens betekent zij een verstarring, die maatwerk belemmert. De bureaucratie kan een beknellend gevoel geven aan de werkers. Bovendien botsen de universele normen soms met de groepsmoraal, waardoor de staat paternalistisch overkomt. In de jaren 90 van de vorige eeuw is het New public management ingevoerd, dat markt prikkels aanbrengt in de dienstverlening. Echter dat verhoogt de werkdruk, en ontmoedigt samenwerking. Naast privatisering zijn kleinschaligheid en een platte organisatie nodig. Daarom wil Hilhorst dat de klanten en de werkers zich inzetten voor zelfbestuur.

Uiteraard impliceert deze nieuwe vorm van organisatie, dat zij zelf meer verantwoordelijkheid dragen. Dit heeft als voordeel dat het staatstoezicht kan verminderen, wat grote besparingen kan opleveren (p.114). Eventueel kunnen de diverse kringen toezicht houden op elkaar. Dit wordt wel neosocialisering genoemd. Hilhorst heeft voor zijn systeem de term samenredzaamheid bedacht20. Hij duidt de kringen aan met de meer moderne term sociale netwerken. Een belangrijke krachtbron is de wisdom of the crowds. De behoefte aan sociale netwerken is groot. Dit heet het altruïsme overschot. Slechts moet een drempel worden overwonnen. Als de staat de aanzet geeft, dan zal een zelf versterkend effect optreden.

Hilhorst denkt dat dit per saldo zal leiden tot besparingen op de staatsuitgaven21. Hij ziet eveneens kansen voor losse netwerken, zoals internet platforms en crowd funding. Het zal duidelijk zijn, dat samenredzaamheid ook nadelen heeft. Daarom moet de staat kaders stellen. Hilhorst sluit revolutionaire processen uit. Hij vindt privaat initiatief enkel toelaatbaar, als het voldoet aan de regels, er verantwoording wordt afgelegd, en de risico's beperkt blijven (p.126 en verder).


Evaluatie

Uw columnist is niet onder indruk van de communitaristische kritiek op het liberalisme. Het liberale model is een abstractie. Natuurlijk kan men de moraal bestuderen als een apart criterium voor besluiten, naast het eigenbelang. Echter moraal theorieën geven minder inzicht dan modellen van individuele voorkeuren. De zeden zijn nogal ongrijpbaar. Als het liberale model wordt losgelaten, dan blijft er weinig anders over dan een ideologische chaos, waar in realiteit het recht van de sterkste zal gelden. Dan vindt uw columnist het toch aantrekkelijker om een mono-nut te hanteren, zoals in de rationele keuze leer. Juist de autonomie maakt iemand uniek. Dat laat onverlet dat in de practijk de persoonlijke ontplooiing zich gewoonlijk voltrekt binnen de grenzen van de eigen kringen. De nieuwe Gouden Regel is de moeite waard, maar zijn uitkomst is subjectief. Hij zegt niets over het gewenste beleid - evenmin trouwens als de huidige column.

  1. Men zou community ook kunnen vertalen door het woord gemeente, maar dat herinnert nogal aan een dorp of een stad, of aan de lokale afdeling van een kerk. De community is een groep. Uw columnist durft voor alsnog niet te zeggen, of elke groep eveneens een community is. Daarvoor zouden eerst de beide begrippen nauwkeurig moeten worden gedefinieerd. Helaas blijft het begrip community enigszins vaag en onhandelbaar. (terug)
  2. De inhoud van deze paragraaf is gebaseerd op Communitarisme versus libéralisme (2003, Uitgaven van de Universiteit van Brussel) van Justine Lacroix. De tekst is geschreven in de Franse taal, in een zakelijke stijl, die goed leesbaar is. (terug)
  3. Tot de liberale stroming behoren bekende filosofen zoals John Locke, Immanuel Kant, John Stuart Mill, Alexis de Tocqueville, John Rawls, en Ronald Dworkin. (terug)
  4. Men kan tegenwerpen, dat de rechtsstaat nogal een inperking is van de individuele mogelijkheden. Voor een individu met grote talenten en machtige vrienden is het rationeel om andermans rechten te verwerpen. Hij kan zich handhaven op eigen kracht. En zelfs wanneer de individu zijn eigen macht niet kent, zou hij een optimistische gok kunnen wagen, en toch de rechten verwerpen. Maar goed, wie een theorie over de maatschappij wil ontwikkelen, moet ergens beginnen. Kennelijk vindt Rawls het onzedelijk om te gokken met de eigen vrijheid. Geen enkele kring mag de alleen heerschappij nastreven. Een typerend voorbeeld is de vrijheid van godsdienst, waarmee elke religie de ambitie van volksgeloof opgeeft. (terug)
  5. Tot de communitaristische stroming behoren Alasdair MacIntyre, Michael Sandel, Charles Taylor, en Michael Walzer. Ongetwijfeld kan men in de geschiedenis van de filosofie tal van geestverwanten aanwijzen, bijvoorbeeld de Historische School. Kennelijk moet ook de Duitse filosoof Georg Hegel worden genoemd. En na de Tweede Wereldoorlog was in Duitsland het ordoliberalisme populair. Echter het communitarisme onderscheidt zich van hen, doordat het een reactie is op het moderne liberalisme en op de moderne maatschappij. (terug)
  6. Ook dit begrip is lastig te vertalen. Men zou kunnen spreken van algemeen belang, maar dat heeft een materiële bijklank. Het communitarisme doelt vooral op een moreel of zedelijk goed. (terug)
  7. Volgens Taylor spreekt men innerlijk een leven lang met zijn ouders. Zie p.83 in Communautarisme versus libéralisme. Daar zit wel iets in. (terug)
  8. Dit is ietwat raar. Immers er vormt zich een cosmopolitische elite, die een gedeelde moraal heeft. Men kan zich voorstellen dat de mondialisatie verloopt via deze elite, die respect ondervindt binnen zijn eigen regionale kring, en die tevens bij machte is om mondiale regelingen af te spreken. Echter een dergelijke elite is geen kring in communitaristische zin, omdat zij nauwelijks beschikt over wortels. Zij is slechts een groep aardbewoners. (terug)
  9. Zie p.134-140 in Communautarisme versus libéralisme voor de verdediging van het liberalisme tegen de communitaristische bezwaren. Lacroix ziet in haar conclusie het communitarisme als slechts een kanttekening bij het liberalisme. Het motiveert liberale denkers om het belang van de moraal en van de cultuur niet te onderschatten. Hoewel het hele debat abstract overkomt, zitten er practische kanten aan. Bijvoorbeeld willen veel politici Europa profileren als een joods-christelijke cultuur. Dat is niet bijster liberaal, want dan moeten andere culturen zich aanpassen. Het zou zuiverder zijn om Europa te profileren op de natuurlijke mensenrechten en op de rede van de Verlichting. (terug)
  10. Deze paragraaf baseert inhoudelijk vooral op Le comunautarisme (2007, Éditions Lignes de Repères) van L. Bouvet. Ondanks de titel behandelt feitelijk dit boek vooral het multiculturalisme. Ook p.154 en verder in Communautarisme versus libéralisme geven nuttige informatie. De Franse wetenschap is opvallend gefascineerd door vragen van sociaal-culturele strekking. Allebei de boeken benadrukken, dat Frankrijk als republikeinse staat bepaald niet liberaal is. De Franse staat wil een eigen moraal uitdragen. Dien ten gevolge verzet hij zich tegen soevereiniteit in eigen kring, bijvoorbeeld via bijzonder onderwijs. Dit is een communitaristische trek (zie respectievelijk p.44 en p.173). (terug)
  11. Op p.76 in Le communautarisme vindt Bouvet de Nederlandse verzuiling onaantrekkelijk. Uw columnist ziet dat anders, aangezien zij heeft gezorgd voor een samenwerking tussen representanten van het Vaticaan en van de Socialistische Internationale! Op p.80 en verder neemt Bouvet het standpunt in, dat het Franse republicanisme niet communitaristisch is. Pluralisme is geen beleidsdoel, integendeel, het wordt tegengegaan. Het bestuur wil discriminatie bestrijden via evenredige vertegenwoordiging, via maatregelen voor sociaal-economische doelgroepen, en dergelijke. Weliswaar is er soms verzet, zoals rellen in de banlieues, maar die hebben geen culturele origine. Bouvet is per saldo tevreden over het resultaat. (terug)
  12. Zie Austromarxismus (1970, Europäische Verlagsanstalt), onder redactie van H.-J. Sandkühler en R. de la Vega. De teksten van Otto Bauer vindt men op p.55-119, en die van Karl Renner op p.263-328. Bauer radicaliseerde in de jaren 30, terwijl Renner een staatsman van nationale betekenis werd. (terug)
  13. Dit betoog in Austromarxismus dateert uit 1906. Nog in 1924 verdedigt Bauer de parlementaire democratie. Maar als enkele jaren later het fascisme oprukt, begrijpt Bauer dat het socialisme onvoldoende zedelijk aanspreekt. Dan beweert hij (ten onrechte) dat het fascisme de eindfase van het kapitalisme is, en gaat hij de dictatuur van het proletariaat aanprijzen. Hij verwerpt dan zowel de natuurlijke mensenrechten als de organische ontwikkeling. Bauer behoort tot de tallozen, die onder invloed van de historische ontwikkelingen op het slechte pad geraken. Friedrich Adler, een andere Austromarxist en tevens de zoon van de sociaal-democratische leider Victor Adler, vermoordde in 1916 zelfs de premier van het Habsburgse keizerrijk. Tijdens de revolutie van 1919 kreeg hij alweer gratie. Deze ontsporingen vergroten de bewondering voor de ideologische onverzettelijkheid van Renner. Overigens ontkomt ook die niet aan de corporatistische tijdsgeest (1919), want hij hecht meer aan de economische zeggenschap dan aan de parlementaire democratie (p.320). Hij vindt de arbeidswetten belangrijker dan de grondwet. (terug)
  14. Zie bijvoorbeeld Multitude (2004, The Penguin Press) van M. Hardt en A. Negri. Het boek bevat een lange en gevarieerde literatuur lijst, maar van de communitaristen wordt enkel Walzer terloops genoemd. Uw columnist las dit boek tien jaren terug, toen hij nog allerlei politieke demonstraties afsjouwde. Het beleden extremisme was er gewoonlijk omgekeerd evenredig met het inzicht en de deskundigheid, zoals zo vaak. (terug)
  15. Zie p.222 in Multitude. De opvatting herinnert aan de manier, waarop de econoom P. Frijters het ontstaan van groepen uit netwerken beschrijft in An economic theory of greed, love, groups and networks (2013, Cambridge University Press). Echter daar bestaat het netwerk uit economische markten. Individuen zijn er actief, omdat zij zich kunnen verrijken door middel van ruil. Hardt en Negri denken veeleer aan politieke netwerken, en die zijn gewoonlijk tamelijk labiel. (terug)
  16. Zie The moral dimension (1988, The Free Press) en The new Golden Rule (1996, Basic Books), allebei van A. Etzioni. Het boek The moral dimension is vooral handig als een overzicht van collectieve effecten in de economie. The new Golden Rule is een sociologisch betoog, waarin veel beleidsmaatregelen worden voorgesteld. Typisch Amerikaans is, dat Etizioni zich vooral verzet tegen het libertarisme. (terug)
  17. Trouwe lezers herkennen hierin het betoog uit An economic theory of greed, love, groups and networks (2013, Cambridge University Press) van P. Frijters en G. Foster. Frijters breidt het neoklassieke paradigma uit met de neiging toe toewijding. De individuen willen in de groep een behoefte bevredigen, waarin zij niet kunnen voorzien door een eenvoudige ruil of door het uitoefenen van macht. Zij hopen via de toewijding alsnog het begeerde goed te verwerven. Echter de toewijding tast tevens hun identiteit aan. Voor alsnog slaat zijn theorie niet aan. Etzioni meent dat de toewijding zelfs leidt tot een samensmelting van het ik en het wij. Elke handeling kent emotioneel-affectieve invloeden. (terug)
  18. De inschatting van de actuele situatie zal noodzakelijk subjectief zijn. Daarom zullen vele lezers niet instemmen met de beleidsvoorstellen van Etzioni in Tngr (hetzelfde geldt voor die van Pieter Hilhorst, in de navolgende paragraaf). Bijvoorbeeld bekritiseert hij vanaf p.134 de psychotherapie wegens haar onwil om te moraliseren tegen patiënten. Hij ziet niets in waardevrije communicatie. Hij wil de reclassering voor veelplegers afschaffen (p.156). Trouwlustigen worden aangemoedigd om een consultatie bureau te bezoeken (p.181). Scholen mogen geen godsdienst aanleren. Maar scholieren moeten wèl een uniform dragen (p.186). Overigens kan het zijn dat Etzioni hiermee slechts de fantasie van de lezer wil prikkelen. (terug)
  19. Zie Sociaal doe-het-zelven (2013, Uitgeverij Atlas Contact) van P. Hilhorst en J. van der Lans. (terug)
  20. In 2011, toen uw columnist nog actief was in de Partij van de Arbeid, omarmde de toenmalige partij voorzitter Liliane Ploumen de samenredzaamheid. Echter het partijcongres, het hoogste ledenorgaan, was weinig enthousiast. Immers, sociaal-democraten hebben traditioneel een groot vertrouwen in de staat. Van oudsher vrezen zij, dat de eigen kringen onvoldoende democratisch zullen zijn. Aldus resulteert de wijsheid van de sociaal-democratische menigte in een negatief oordeel. Indertijd had ook uw columnist zijn twijfels, maar bij nader inzien verdient samenredzaamheid toch een kans. Intussen hebben de middenpartijen (onder andere het CDA) het initiatief van Ploumen overgenomen. (terug)
  21. Hilhorst kiest de rol van guru, en dat verleidt hem tot een optimistische toonzetting. Nochtans is in zijn voorstellen de staat vaak een melkkoe. Bijvoorbeeld wil hij dat ouders zelf hun kinderen opvangen, maar daarvoor wel subsidie krijgen (p.57). Bij collectief bouwen moet de staat de aanloopkosten betalen, dat wil zeggen, het risico dragen (p.58). De staat moet wegkwijnende platforms op internet steunen op allerlei manieren (p.80, 89, 146). En als in de zorg de doe-het-zelvers besparingen realiseren, dan moeten die fondsen terugstromen naar hen (p.104, 136). En in de jeugdzorg moeten bezuinigingen op de probleemgevallen de fondsen opleveren voor preventie (p.134). Aldus rekent Hilhorst zich bij zijn plannen regelmatig rijk met besparingen, die in realiteit tamelijk onzeker zijn. Hij wil het bestuur veranderen in een laboratorium (p.128), en beroept zich daarbij op het socialistische dwaallicht F.M. Wibaut. Dit soort bezwaren zijn afschrikwekkend voor de lezer van Sociaal doe-het-zelven. Uw columnist moet hierbij denken aan de anti-autoritaire participatie in de jaren 70 van de vorige eeuw. Ook toen stelde de staat middelen beschikbaar voor burger-participatie. Het leidde tot grootschalige verspilling. Zie bijvoorbeeld De staat van de stadsvernieuwing (1985, Drukkerij Elinkwijk) van G. de Kleijn. Echter de practische uitwerking van de samenredzaamheid is steeds een kwestie van persoonlijke stijl. Het gebruik van gezonde principes kan de kans op excessen minimaliseren. De idee als zodanig blijft de moeite waard. (terug)