Economische statistieken van Europa en Noord-Amerika

Plaatsing in Heterodoxe Gazet Sam de Wolff: 14 april 2015

E.A. Bakkum is eindredacteur van de periodiek Sociaal Vooruit, en een betrokken PvdA lid. Hij is beroepsmatig werkzaam bij het Socialistisch Centrum, waar hij de functie van zaakwaarnemer vervult.

Tegenwoordig zijn er voldoende statistische gegevens beschikbaar (ook op het internet) om de prestaties van verschillende economische systemen te vergelijken. Aldus kan men tijdreeksen opstellen en dwarsdoorsneden maken van een aantal staten. De huidige column maakt zo een analyse voor de economische groeivoet, de arbeidsproductiviteit, de werkloosheid, het begrotingstekort, de staatsschuld, de handelsbalans en de omvang van de overheid. De gegevens zijn ontleend aan bestanden bij Eurostat en bij het Groningen Growth and Development Centre.

In de column over de Europese Unie is uitgelegd, dat zij enkel kan functioneren, zolang de welstand in de lidstaten niet te zeer verschilt. Daarom is het wenselijk de economische situatie in de diverse lidstaten onderling te vergelijken. Uiteraard gebeurt dat in talloze publicaties, maar die zijn niet altijd even deugdelijk. Namelijk, men beperkt zich nogal eens tot een vergelijking op één tijdstip. En dat kan een vertekend beeld geven van de werkelijkheid, omdat door bijzondere omstandigheden lidstaten tijdelijk kunnen uitblinken of wegzakken. Een eerlijke vergelijking tussen lidstaten vereist, dat men gebruik maakt van langdurige tijdreeksen1. De huidige column presenteert een dergelijke vergelijking.

Sinds de Tweede Wereldoorlog is er enorm veel statistische informatie verzameld over de economische ontwikkelingen in de Europese staten, en trouwens evenzeer in andere moderne industrielanden, zoals de Verenigde Staten van Amerika (afgekort VSA). Uw columnist heeft niet de ambitie om al die informatie te ontsluiten en toegankelijk te maken. Integendeel, het betoog hier is gebaseerd op slechts twee gegevensbestanden, die bovendien voor iedereen toegankelijk zijn via het internet. Het betreft ten eerste de Conference board total economy database (afgekort CBTED), die kan worden geraadpleegd via de website van de Universiteit van Groningen. Het aardige van dit bestand is, dat de tijdreeksen ver teruggaan in het verleden, namelijk tot 1950. En ten tweede zijn er tijdreeksen ontleend aan de Eurostat database (afgekort ESD)2.

Uit deze twee bestanden zijn de gegevens gehaald, die tot nu toe in de columns van de Gazet centraal hebben gestaan. Aldus komt er leven in de theorie, die in de vooraf gaande jaren is gepresenteerd. Soms zijn de gegevens uit de bestanden enigszins bewerkt, alvorens ze te presenteren in een figuur.

Grafiek van economische groeivoeten

Figuur 1: Economische groeivoeten in Europa en in de VSA

Het menselijke welzijn neemt toe naarmate men kan beschikken over meer materiële rijkdom. Daarom heeft in voorgaande columns de groeivoet van het bruto binnenlandse product (afgekort BBP) steeds veel aandacht gekregen. Voor de huidige doeleinden wordt de groeivoet gedefinieerd als

(1)     g(t) = (BBP(t) / BBP(t-1) − 1) × 100

In de formule 1 stelt BBP(t) het bruto nationale product aan het einde van jaar t voor. Er wordt vermenigvuldigd met een factor 100 teneinde het resultaat g(t) uit te drukken in procenten. De definitie van de formule 1 betekent, dat g(t) hier zodanig discreet is gemaakt, dat hij constant is tijdens het jaar. Bij elke jaarwisseling neemt de groeivoet een nieuwe waarde aan.

Het blijkt dat de groeivoet aanzienlijk kan veranderen van jaar tot jaar. Aangezien dat leidt tot grafieken met een rommige aanblik, wordt hier gekozen om het driejare bewegende gemiddelde van g te berekenen via de formule g3(t) = ¼×g(t-1) + ½×g(t) + ¼×g(t+1). Het resultaat is weergegeven in de figuur 1 voor de Europese staten Frankrijk, Duitsland, Nederland, en Zweden, alsmede voor de VSA. In dit geval zijn de gegevens ontleend aan de CBTED, voor de jaren 1950 tot 2009. Natuurlijk moet men in de formule 1 rekening houden met het eventueel optreden van inflatie. Immers men is geïnteresseerd in de werkelijke groei, en niet in veranderingen ten gevolge van geldontwaarding. Daarom zijn hier de BBP-tijdreeksen uit de CBTED gebruikt, die zijn omgerekend naar het prijsniveau van 2009, in dollars.

De lezer kan zichzelf overtuigen dat de tijdreeksen in de figuur 1 enorm veel informatie bevatten. Beschouw allereerst de overeenkomsten tussen de vijf tijdreeksen. De West-Europese groeivoeten zijn het hoogst direct na het einde van de oorlog, omdat de wederopbouw een ruime keuze uit uitstekend renderende projecten bood. Vanaf de zeventiger jaren zakt de groeivoet in. Voorts is de groeivoet gewoonlijk positief, op enkele uitzonderingen na. Des ondanks valt op hoezeer g(t) varieert, al lijken de nationale fluctuaties onderling synchroon te lopen. Dit zijn de bekende conjuncturele schommelingen van een intussen mondiale economie. De onrust rond 1955 is vermoedelijk een nasleep van het Korea-conflict, dat duurde van 1949 tot 1954, en dat de basis legde voor de Koude oorlog3. De diepe dalen rond 1973 en 1979 zijn te wijten aan de twee oliecrises. Zij markeren het einde van het economische "wonder" in de westerse staten.

Er zijn tevens enkele opvallende verschillen. Met name laten na de oliecrises de VSA een hogere groeivoet zien dan Europa. Tevens zijn in die periode de Noord-Amerikanen structureel langer gaan werken dan de Europeanen. Het ligt voor de hand om aan dit verschil het Amerikaanse succes toe te schrijven. Vanzelf sprekend heeft meer materiële welstand grote voordelen. Bijvoorbeeld kan men extra geld uitgeven om de zorg, het onderwijs en de infrastructuur te verbeteren.

Grafiek van arbeidsproductiviteit per uur

Figuur 2: Arbeidsproductiviteit per uur

De groei hangt niet enkel af van het aantal uren, dat er wordt gewerkt, maar eveneens van de arbeidsproductiviteit (afgekort ap). De ap per uur wordt gedefinieerd als de hoeveelheid waarde, die er wordt voortgebracht in een uur. In formule is dit ap(u) = X/t, waarin X de waarde voorstelt en t de werktijd. De waarde per uur hangt af van de intensiteit, waarmee iemand arbeidt, maar evenzeer van zijn kunde (kennis en vaardigheden), en van de hulpmiddelen waarover hij of zij kan beschikken4. De figuur 2 toont ap(u) voor dezelfde staten als die in de figuur 1. De gegevens zijn opnieuw afkomstig van de CBTED, en de universele waardemeter is ook hier de koopkracht van de dollar bij het prijspeil van 2009. De ap ontwikkelt zich dermate geleidelijk, dat voor deze figuur is afgezien van een middeling.

Direct na de oorlog is de ap per werker in de VSA groter dan in Europa, omdat de Amerikanen nog beschikken over hun kapitaalgoederen (outillage voor productie). Naarmate de wederopbouw in Europa vordert, wordt het verschil met de Amerikaanse economie kleiner. De lezer ziet dat rond het jaar 2000 de verschillen in ap(u) minimaal zijn geworden. Intussen is alle Europese oorlogsschade hersteld, en de Europese staten profiteren economisch van het ontstaan van de Europese markt. Het goede Nederlandse resultaat is misschien te danken aan de ontdekking van het aardgas. De Nederlandse bodemschatten drijven de waardeschepping door de werkers op. Anderzijds blijft de prestatie van Zweden wat achter. In de figuur 1 is zichtbaat, dat Zweden tussen 1990 en 1993 zelfs in een recessie glijdt, die werd veroorzaakt door een crisis in de nationale markt voor onroerend goed.

Grafiek van arbeidsproductiviteit per werker

Figuur 3: Arbeidsproductiviteit per werker

De situatie ligt anders, wanneer men de arbeidsproductiviteit per werker beschouwt. Stel dat er in totaal L werkers zijn, dan luidt de definitie ap(w) = X/L. De figuur 3 toont ap(w) voor dezelfde staten als die in de figuur 1. De gegevens zijn opnieuw afkomstig van de CBTED, en de universele waardemeter is ook hier de koopkracht van de dollar bij het prijspeil van 2009. Op het eerste gezicht is er weinig verschil tussen de figuren 2 en 3. Bij een nadere beschouwing valt op, dat sinds 1990 de ap(w) per werker in de VSA groter wordt dan de ap(w) in Europa. Dit is te danken aan de reeds genoemde langere Amerikaanse werktijden. Het is voor Europa te hopen dat haar kortere werktijden bijdragen aan een superieure maatschappij, wellicht door psychisch gezondere mensen.

Grafiek van werkloosheid in Europa en de VSA

Figuur 4: Werkloosheid (in % van de beroepsbevolking)

Uiteraard wordt de groei mede bepaald door de mate, waarin een staat er in slaagt om zijn productiefactoren optimaal te benutten. Voor de factor arbeid wordt de capaciteitsbezetting gemeten door het werkloosheidspercentage. Dat wil zeggen, men berekent het aantal werklozen als een percentage van de beschikbare beroepsbevolking. Voor de gegevens over de werkloosheid is men aangewezen op het bestand ESD van Eurostat. Daarin zijn tijdreeksen te vinden voor de vijf zonet beschouwde staten. Echter deze reeksen beginnen pas bij het jaar 1985, toen de wereld nog aan het bekomen was van de twee oliecrises. Overal is op dat moment de werkloosheid historisch hoog. De gegevens van Duitsland beginnen zelfs pas na de vereniging van de BRD en de DDR. De figuur 5 laat zien hoe de werkloosheid zich heeft ontwikkeld.

Werkloosheid is een complex verschijnsel, waarvan de oorzaken eigenlijk nog slecht worden begrepen. Er kan nooit een volledige werkgelegenheid bestaan, omdat er altijd mensen bezig zijn om te wisselen van werkkring. Men noemt dit de frictie werkloosheid5. De werkloosheid kan niet worden verminderd tot onder de frictie werkloosheid. Natuurlijk is het probleem daarbij, dat niemand precies weet hoe hoog de frictie werkloosheid is. Namelijk, zij hangt mede af van de inrichting van de arbeidsmarkt en van zijn instituties. En die inrichting en instituties verschillen van plaats tot plaats en van tijd tot tijd. Des al niettemin valt op dat in Frankrijk en Duitsland nergens in de beschouwde periode de volledige werkgelegenheid wordt benaderd. Zo op het oog slagen de VSA nog het beste in de bestrijding van de werkloosheid.

Voorts neigt men tot de conclusie dat het Agenda-2010 beleid van kanselier Schröder blijkt te werken, al moest daarvoor maatschappelijk een prijs worden betaald6. De Duitse werkloosheid blijft zelfs na de financiële crisis van 2007 gewoon verder dalen. In deze vergelijking tussen diverse staten moet men echter meewegen, dat hun arbeidsmarkten onderling nogal verschillen. Daarom is het lastig een universele definitie van werkloosheid te vinden, die recht doet aan de kenmerken van al die stelsels. Bijvoorbeeld vallen mensen soms uit de werkloosheidsstatistieken, omdat zij simpelweg te ontmoedigd zijn om nog een baan te zoeken. Men mag zich afvragen of een statistiek, die deze groep negeert, een reëel beeld geeft van de werkgelegenheid. Datzelfde geldt voor de Nederlandse vondst om werklozen simpelweg uit de statistieken af te voeren door ze arbeidsongeschikt te verklaren. Kortom, een lage werkloosheid is niet altijd hetzelfde als een excellent functionerende arbeidsmarkt.

Grafiek van werkloosheid in Nederland

Figuur 5: Werkloosheid (in % van de beroepsbevolking) in Nederland

In feite zijn in de figuur 4 de verschillen tussen de diverse staten dus niet erg veelzeggend. Wellicht kan men meer leren door de tijdreeks van een enkele staat te analyseren. De figuur 5 laat nogmaals de reeks zien voor Nederland, aangevuld met gegevens uit een andere bron dan ESD (te weten een boek van Flip de Kam7). De aanvulling toont de werkloosheid tussen 1970 en 1985. De lezer ziet dat de gegevens van De Kam niet goed aansluiten op de ESD gegevens. Voor 1983 vermeldt ESD een werkloosheid van 9.5%, terwijl De Kam een getal van 12% noemt. Kennelijk worden hier twee verschillende definities en rekenwijzen voor werkloosheid gehanteerd. Om de verwarring nog verder te vergroten beschikt uw columnist ook over een bron die voor 1983 de getallen 15.4% en zelfs 17.7% noemt8.

Wie de verschillende economische systemen wil vergelijken, moet kennelijk zeer nauwgezet te werk gaan. Een dergelijke detail-analyse overstijgt de ambitie van deze column. Ondanks de strijdigheden zelfs in de figuur 5 is onmiskenbaar, dat bij aanvang van de zeventiger jaren de frictie werkloosheid nog minimaal is. Datzelfde geldt overigens voor de jaren voorafgaand aan 1970, toen er in Nederland (en in Europa) een haast volledige werkgelegenheid heerste. Rond 1981 stort de westerse voorspoed ineen door een combinatie van de oliecrises en van de ontketende mondialisatie. In Nederland is de neergang van 1981 bijzonder hevig wegens een nationale eigenaardigheid, te weten de aanwezigheid van het aardgas. Zij veroorzaakt de Dutch disease, omdat zij de wisselkoers van de gulden hoog houdt, en daardoor de export schaadt. Deze nationale rampspoed is dus niet een systeemfalen.

Grafiek van begrotingsstekorten in Europa

Figuur 6: Begrotingstekorten (in % van het BBP) in Europa

Als de economische groei hapert, dan kan de staat de bedrijvigheid aan de gang houden door boven zijn stand te leven, en het daarvoor benodigde geld te lenen. Dit ogenschijnlijk onverantwoorde gedrag vindt zelfs een theoretische ondersteuning in de beleidsadviezen van de economen Kalecki en Keynes. Bij politici is de begrotingspolitiek geliefd, omdat zij daarmee op korte termijn de kiezersgunst kopen, terwijl de nadelen pas merkbaar worden op de lange termijn. Het beleid heeft tot gevolg dat er een begrotingstekort ontstaat. De figuur 6 toont de begrotingstekorten voor enkele staten in de Europese Unie. De gegevens zijn ontleend aan het bestand van Eurostat. Aangezien de ESD geen gegevens vermeldt van het tekort in de VSA, is in plaats daarvan het tekort in Groot-Brittannië ingetekend. Daarmee bevat de figuur toch een representant van het angelsaksische beleid.

De tijdreeksen beginnen pas in 1990. Dat is jammer, want langere tijdreeksen laten goed de opkomst van de Kaleckiaans-Keynesiaanse begrotingspolitiek zien. Bijvoorbeeld toont het boek van de Kam een tijdsreeks voor Nederland vanaf 1900, waarbij de staats-inkomsten en -uitgaven gewoonlijk in evenwicht zijn. Enkel tijdens de twee wereldoorlogen wordt er meer uitgegeven dan geïnd. Echter vanaf 1965 beginnen de uitgaven structureel de inkomsten te overstijgen9. Anderzijds zijn de negentiger jaren bijzonder belangwekkend, omdat de Europese Akte in 1986 het pad heeft uitgestippeld voor een Europese eenheidsmunt. In 1996 leidt dat traject tot de ondertekening van het Stabiliteits- en groeipact (afgekort SGP). Het pact beperkt het structurele begrotingstekort van de lidstaten tot maximaal 3% van het BBP. De figuur 6 illustreert hoe de lidstaten van de eurozone (Frankrijk, Duitsland, en Nederland) proberen om het tekort te reduceren tot beneden de toelaatbare waarde.

Dankzij de inspanning in de negentiger jaren voldoen de staten aan de begrotingsnorm in 2002, het jaar waarin de euro wordt ingevoerd. Maar oude gewoonten zijn hardnekkig, en een paar jaar later overtreden zowel Duitsland als Frankrijk de norm, zonder daarvoor straf te krijgen. Echt interessant wordt de situatie vanaf 2007, wanneer de mondiale financiële crisis losbarst. Bij dit soort calamiteiten geeft het SGP enige ruimte voor hoge staatsuitgaven, omdat men daarmee de economische schok kan verzachten. Men hoopt op een zachte landing. Maar het pact verplicht de staten om tenslotte toch weer structureel te voldoen aan de begrotingsnorm. De figuur 6 illustreert, dat de Franse staat hierbij toch enigszins uit de pas loopt, en moeite heeft met de begrotingsdiscipline. Groot-Brittannië zit buiten het pact en laat een duidelijk groter tekort toe. Anderzijds slaagt Zweden er zelfs tijdens de crisis in om het tekort minimaal te houden.

Grafiek van staatsschulden in Europa

Figuur 7: Staatsschulden (in % van het BBP) in Europa

De begrotingsnorm van het pact heeft het doel om de staatsschuld te begrenzen. Immers een staatsschuld veroorzaakt hoge aflossings- en rentekosten, die moeten worden opgebracht door de burgers. Als de schuldvorming ontaardt, dan kan de staat die last niet meer dragen. Echter de begrotingsnorm is niet meer dan een onvolkomen rem op dit proces, en daarom vult het pact hem aan met een norm voor de staatsschuld. Namelijk, de staatsschuld mag maximaal 60% van het BBP bedragen. De figuur 7 toont de staatsschulden voor de reeds genoemde Europese staten, op basis van de gegevens uit de ESD. Men ziet hoe Duitsland en Frankrijk zelfs niet voldoen aan de staatsschuldnorm op het moment, dat in 2002 de eurozone van start gaat. Tijdens de Grote Recessie bouwen met name Groot-Brittannië en Frankrijk een grote schuld op. Duitsland is momenteel weer op de goede weg richting 60%, en Zweden (geen lid van de eurozone) presteert zelfs uitstekend.

Grafiek van de handelsbalansen

Figuur 8: Saldo van de lopende rekening

Men vraagt zich af waarom sommige staten beter presteren dan andere. Zonet is gebleken dat in de moderne industriestaten de arbeidsproductiviteit per uur ap(u) overal vrijwel gelijk is. De kostenbeheersing in de productie blijkt nu een doorslag gevende factor te zijn. De VSA en sinds kort ook Duitsland (met de Agenda-2010) en Zweden blijken hierin succesvol te zijn. Men zegt dat zij een aanbod gestuurd beleid voeren. Anderzijds zet Frankrijk in op een vraag gestuurd beleid, waarin wordt geprobeerd om de binnenlandse koopkracht op te stuwen. Dat heeft de bijwerking tevens de kosten te verhogen. Het gevolg is dat momenteel bijvoorbeeld Duitsland een groter concurrentievermogen heeft dan Frankrijk. Dit wordt geïllustreerd in de figuur 8, waar het saldo op de lopende rekening wordt getoond voor enkele Europese staten. Het saldo op de lopende rekening komt ongeveer overeen met de handelsbalans.

Namelijk, het saldo op de lopende rekening meet het verschil tussen de import en de uitvoer van goederen en diensten. Het saldo omvat dus de goederenbalans (zeg de handelsbalans) en de dienstenrekening. Bovendien omvat het saldo de inkomensrekening, dat wil zeggen, de internationale geldstromen ten gevolge van arbeid en kapitaalrendement in het buitenland. En tenslotte omvat het saldo de inkomensoverdrachten, dat wil zeggen de prestatieloze giften die de staat in- en uitstromen10. In de figuur 8 is het saldo afgebeeld als een percentage van het BBP, en dat vergt enige toelichting. Namelijk, het saldo van de lopende rekening is ontleend aan het bestand van Eurostat, en is uitgedrukt in de European currency unit (afgekort ECU, de voorloper van de euro)11. En het BBP is ontleend aan de CBTED, waarmee zonet ook de groeivoeten zijn berekend. Het CBTED gebruikt als waarde-eenheid de dollar van 2009.

Aldus bevatten de waarden van de saldi in de figuur 8 een wat rare conversiefactor, die eigenlijk zou moeten worden verwijderd. Uw columnist ziet hiervan af, omdat de figuur enkel dient om de verschillen tussen staten te illustreren. Allereerst hebben staten zoals Nederland (mede dankzij het aardgas) en Duitsland een permanent positief saldo ten opzichte van het buitenland. Men is concurrerend. Echter Griekenland heeft een permanent negatief saldo, wegens onvoldoende concurrentievermogen (lees: te hoge productiekosten). Er stroomt voortdurend kapitaal weg uit Griekenland, en dat proces is op de lange termijn onhoudbaar.

Interessant is dat sinds 1985 ook de VSA een permanent negatief saldo vertonen. Nochtans is deze federatie niet bekend als een armlastige maatschappij. Kennelijk kan een staat een negatief saldo op de lopende rekening handhaven, zolang anderen bereid zijn om de tekorten voortdurend aan te vullen. De Noord-Amerikaanse economie heeft een dermate goede reputatie, dat de VSA tegelijk met hun import de buitenlandse kapitaalstromen ontvangen om de import mee te betalen!

Grafiek van het aandeel van de overheidssector

Figuur 9: Aandeel van de overheidssector (% van totaal)

Tenslotte stelt men zich de vraag in hoeverre de inrichting van de staat bijdraagt aan de economische groei. De figuur 9 laat zien hoe groot het aandeel van de staat is in de totale nationaal toegevoegde waarde (uitgedrukt in %). In dit geval zijn de gegevens ontleend aan het Groningen Growth and Development Centre tien-sectoren gegevensbestand. In Duitsland is het aandeel van de staat het kleinste, vermoedelijk omdat veel uitgaven zijn gedelegeerd aan de bondslanden. Voor een systeemvergelijking zijn vooral de tijdreeksen van Frankrijk, de VSA en Zweden belangwekkend. Volgens de socioloog Heiner Ganßmann zijn er drie systemen, te weten het conservatieve, het liberale en het sociaaldemocratische. Men treft deze systemen aan in respectievelijk het Rijnland, de angelsaksische landen, en de scandinavische landen12.

Men ziet dat oorspronkelijk het sociaaldemocratische model is gekenmerkt door een grote staat. Maar nadat Zweden aan het begin van de negentiger jaren in een crisis raakte, heeft de regering daar het systeem ingrijpend hervormd. Momenteel is het staatsaandeel in Zweden zelfs kleiner dan het staatsaandeel in het "conservatieve" Frankrijk. Dus hoewel deze column onvoldoende diepgaand is om een gemotiveerde keuze te kunnen maken uit de drie systemen, is in ieder geval duidelijk dat economische groei baat heeft bij een relatief mager (lees: efficiënt) overheidsapparaat. Vervolgens bepaalt de ideologische systeemkeuze welke bevoegdheden en hoeveel macht de staat daadwerkelijk zal krijgen.

  1. Bijvoorbeeld het Duitse boek Falsch globalisiert (2006, VSA-Verlag) van Joachim Jahnke staat vol met tijdreeksen van belangrijke economische grootheden, echter vaak slechts voor een periode van vijf jaren. Dat is echt te kort om vergelijkende conclusies te trekken. (terug)
  2. De Eurostat database is toegankelijk via het eigen webadres. Uw columnist heeft de Conference board total economy database al gekopieerd in 2010. Indertijd verliep de toegang eenvoudig via het Groningen Growth and Development Centre van de Groningse universiteit. Het centrum heeft een webpagina. waarop zich koppelingen bevinden naar een handvol gegevensbestanden, ieder met zijn eigen kenmerken. (terug)
  3. Zie bijvoorbeeld p.346-349 in The business cycle (1991, Princeton University Press) van Howard J. Sherman. Op p.9 wordt het dal van de Noord-Amerikaanse laagconjunctuur gecentreerd rond 1954, 1958, 1961, 1970, 1975, 1980 en 1982. (terug)
  4. Herman Heijermans schetst in het volks drama De machien het dilemma van de technologische ontwikkeling: De patroon: "Die daarnaast vermoordt ons àllemaal ... Die heeft 'r de klad in gebracht. Die neemt orders an door dik en door dun. Die werkt met stoom en vechten tegen stoom da's èrger as vechten tegen de bierka. Ik hèb geen keus. 'r Op of 'r onder. 'k Mot me zaak liquideren - òf machines in huis halen". Gelukkig heeft hij een oplossing: "Ik heb geen keus, geen keus! ... Alleen Hein, Klaas, Piet ontsla 'k zelf. En de anderen ... Lóten jullie 'r om - Begrepen? Dan heb je allemaal 'n kans. Zestien tegen zestien. Mooier kan 't niet". (terug)
  5. Zie bijvoorbeeld p.545 in Économie, sociologie et histoire du monde contemporain (2013, Armand Colin) van A. Beitone, of elk ander fatsoenlijk boek dat de werkloosheid behandelt. (terug)
  6. Er blijft altijd wel wat te klagen over. Zo schrijft Jan Mens nog in Er wacht een haven (uit Bewogen beelden, p.266): Dit was taal naar zijn hart. Pet los op het hoofd, pruim achter de kiezen, luisterde hij gespannen hoe de voorzitter van Recht en Plicht ertoe over ging een reeks misstanden in het haven-bedrijf vast te nagelen. De lange werktijden, afgewisseld door dagen van werkloosheid, het uitbetalen in kroegen, de miserabele sociale onzekerheid, het gemis aan veiligheids voorschriften en, vooral, het lage loon. (terug)
  7. Zie p.77 in Het polderwonder (2002, Uitgeverij Contact) van F. de Kam en R.A. ter Hart. Dit is een handig gegevensbestand voor iedereen, die de voorkeur geeft aan papier boven het internet. (terug)
  8. Zie p.38 in het Interim rapport over het werkgelegenheidsbeleid van het PvdA-bestuur (1984, PvdA). (terug)
  9. Zie p.109-110 in Het polderwonder. (terug)
  10. Men kan dit soort informatie vinden in allerlei publicaties. Uw columnist raadpleegt hier p.90-91 in Geld, IEB en bedrijfsomgeving (2005, Wolters-Noordhoff bv) van W. Hulleman en A.J. Marijs. (terug)
  11. Eurostat vermeldt erbij dat de gegevens zijn uitgedrukt in current value. Dat is een wat verwarrende uitdrukking. Uw columnist neemt aan, dat het woord current hier wordt gebruikt in de zin van "toenmalige". In dat geval zouden de saldi niet zijn gecorrigeerd voor de inflatie. (terug)
  12. Zie Politische Ökonomie des Sozialstaats (2009, Verlag Westfälisches Dampfboot) van H. Ganßmann. (terug)