Externe effecten in de arbeid

Plaatsing op Heterodox Gezelschap Sam de Wolff: 17 augustus 2013

E.A. Bakkum is eindredacteur van de periodiek Sociaal Vooruit, en een betrokken PvdA lid. Hij is beroepsmatig werkzaam bij het Socialistisch Centrum, waar hij de functie van zaakwaarnemer vervult.

In een eerdere column over de publieke goederen is een tekst over externe effecten aangekondigd. Hier is hij, met een toepassing op de arbeid. Een situatie met externe effecten ontstaat buiten de concurrerende markt om, en is daarom niet Pareto-optimaal. De optimale situatie kan alsnog worden bereikt via wetgeving (bijvoorbeeld quotering), via Pigoviaanse heffingen, of via een onderhandelings-proces.

Er is sprake van een externaliteit of extern effect, zodra het nuts-niveau en dus het welzijn van een participant in de economie direct worden beïnvloed door de handelingen van een andere participant. Het woord direct drukt uit, dat de invloed niet indirect wordt uitgeoefend, door middel van de prijzen op de markt. De participant kan een consumerend individu of huishouden zijn, maar ook een productieve onderneming. In het laatst genoemde geval is de bestaans-grond gerelateerd aan het voortbrengen van winst, zodat het externe effect zal doorwerken in de mate van winst-gevendheid.

Een extern effect kan zowel stimulerend als schadelijk uitwerken op het welzijn van de ontvangende participant. Dat maakt weinig verschil voor de theoretische analyse, maar van zelf sprekend des te meer voor de politieke duiding van de interactie. Belangen-tegenstellingen en conflicten dwingen meer tot het zoeken van oplossingen, dan natuurlijke harmonieën. Het meest belangrijke toepassings-gebied van de theorie van de externe effecten is de milieukunde. Ondernemingen willen vaak hun vervuiling afwentelen op andere ondernemingen, of op de huishoudens. Maar ook bijvoorbeeld de geluids-overlast ten gevolge van een huishouden behoort tot deze probleem-categorie.

Externe effecten zijn onmiskenbaar ook aanwezig in de arbeids-sfeer. Het thema van arbeids-leed en -vreugde keert regelmatig terug op dit webportaal, bijvoorbeeld in de column over de opvattingen van De Man, Deppe, en Sie Dhian Ho. In die column is onder andere een schema afgebeeld, dat Hendrik de Man heeft opgesteld voor de belangrijkste invloeds-factoren op de arbeids-kwaliteit. Daaruit blijkt, dat de onderneming allerlei ongenoegens kan opleggen aan zijn werkers, variërend van slechte en onveilige outillage tot aan extreme vermoeidheid en existentiële onzekerheid. De vraag is wat de theorie van de externe effecten hier kan bijdragen aan het inzicht.


Een model van de arbeidsmarkt

Voor zover het bekend is aan uw columnist, is het ongebruikelijk om de theorie van de externe effecten toe te passen op de arbeid. Het is wetenschappelijk gangbaar om arbeid op te vatten als een goed, dat wordt verhandeld op de arbeids-markt. En waar er sprake is van markt-handelingen, worden alle ongenoegens passend vergoed in de prijs, in dit geval het arbeids-loon en de bijkomende arbeids-voorwaarden. De huidige paragraaf zal een model schetsen, dat het markt-mechanisme verduidelijkt bij het vergoeden van arbeids-leed. Daarna zal ditzelfde verschijnsel worden besproken in geval van externalisering. Gemaks halve wordt in het vervolg als voorbeeld de belastende flexibiliteit bij arbeids-tijden gekozen. Het zelfde betoog kan evenwel worden gehouden voor andere ongenoegens en ander leed1.

De veronderstelling, dat arbeid wordt verhandeld op een markt, bouwt voort op drie vermoedens. Ten eerste zijn de werkers zich bewust van de belastende condities, waaronder zij hun werk moeten verrichten. Zij kiezen bij voorkeur werk, dat hen zoveel mogelijk bevredigt. Ten tweede beschikken zij over alle informatie, die nodig is om hun keuze te maken. Het gezegde "wat niet weet, dat deert niet" behoort niet tot het vocabulaire van de homo economicus. En ten derde moet de arbeids-markt daadwerkelijk mobiliteit mogelijk maken. Er wordt geabstraheerd van obstakels, die het wisselen van baan zouden kunnen belemmeren.

Zoals elk model is ook dit aanvechtbaar. Vanuit de arbeiders-beweging wordt aangevoerd, dat er niet echt markt-werking is, omdat de werker wordt gedwongen tot de verkoop van zijn arbeids-kracht. Hij heeft het loon nodig om te kunnen leven. Bovendien treedt er geen markt-ruiming op, want er is altijd een reserve-leger van werklozen2. Daarom is het model van de arbeids-markt een abstractie, die min of meer geloofwaardig is afhankelijk van haar toepassing en de persoonlijke smaak. Het model in deze paragraaf wordt de hedonistische loon-theorie genoemd, omdat werkers bereid zijn loon in te leveren ten gunste van de bijkomende arbeids-voorwaarden. Ze zijn nuts-vergroters, die zoveel mogelijk willen genieten3.

Stel dat de werkers een hekel hebben aan flex-werk. Natuurlijk profiteert een werker soms van flexibiteit, maar er zijn ook vele negatieve aspecten. Flexibiliteit gaat vaak samen met minder rechten en met een grote onzekerheid van bestaan. In de column over arbeids-vreugde en -leed wordt dit nader onderbouwd4. Daarom zullen volgens het markt-model de werkers een grotere flexibiliteit enkel willen accepteren, indien zij daarvoor worden vergoed met een hoger dagloon. De figuur 1a toont enkele isonuts- of indifferentie-curven van een werker5. Ze verlopen concaaf, dat wil zeggen, naarmate de flexibiliteit knellender wordt, verlangt de werker daarvoor een grotere loon-compensatie. Kennelijk leidt flex-werk tot een loon-differentiatie (in de Engelse taal: wage differentials).

Figuur van drie isonuts-velden
Figuur 1: Keuze van de beste baan
(a) werkers-voorkeuren; (b) winst-curven van onderneming A; (c) paring aan A

Daar en tegen zijn de indifferentie-curven van de onderneming concaaf naar de y-as toe. Feitelijk betreft het hier iso-winst curven, omdat winst het doel van de onderneming is. Vooral bij de eerste maatregelen naar meer flexibiliteit kunnen er grote winsten worden geboekt. Een deel van die winst wordt doorgegeven aan de werkers in de gedaante van flinke loon-stijgingen. Bij de voortschrijding van de flexibiliteit moeten er moeilijkere constructies worden bedacht, die niet meer zoveel winst opleveren. De loon-compensatie moet dan eveneens bescheidener worden. Dit concave gedrag wordt bestempeld als afnemende marginale opbrengsten bij flexibilisering. Het is weergegeven in de figuur 1b.

Het hedonistische model neemt aan, dat ondernemingen produceren in een volkomen mededinging. Dan is de ondernemers-winst gelijk aan nul, en dus is er per onderneming slechts één indifferentie- of isowinst-curve, te weten π0. In de figuur 1c zijn voor de twee ondernemingen A en B deze curven ingetekend. Ook zijn nogmaals de indifferentie-curven van de werker (figuur 1a) ingetekend. Men ziet, dat de werker zijn grootste nut bereikt door in dienst te treden bij de onderneming A. Wel is waar kan de onderneming B een hoger loon dan A bieden bij de lage flex-niveau's. Maar de indifferentie-map van deze werker is zodanig, dat hij flex-werk redelijk verdraagt.

Een kenmerk van de hedonistische loon-theorie is dat het gedrag van werkers wordt verklaard. Immers een werker met een ander indifferentie-veld zal wellicht kiezen voor de onderneming B. Bijvoorbeeld is de onderneming B in de figuur 1c aantrekkelijk voor werkers, die baan-zekerheid hoog waarderen en dien ten gevolge vrijwel horizontale indifferentie-curven hebben. Sommige werkers prefereren een hoog uurloon, en anderen een hoge baan-zekerheid. Evenzo zullen sommige bedrijfs-sectoren een hoge baan-zekerheid kunnen aanbieden, terwijl anderen alleen winst-gevend zijn bij een hoge mate van flex-werk.

Als de hedonistische loon-theorie een redelijke benadering van de werkelijkheid is, dan zouden overigens gelijke banen een verschillend loon moeten hebben, afhankelijk van de mate van flexibiliteit. De economen Ehrenberg en Smith geven in het boek Modern labor economics een overzicht van het empirische onderzoek, dat in de vak-literatuur is gepubliceerd6. Dit soort ceteris paribus (in overigens gelijke omstandigheden) studies blijkt erg lastig uitvoerbaar te zijn, omdat er onvoldoende statistische gegevens ter beschikking staan. Des ondanks citeren Ehrenberg en Smith enkele resultaten. Zo blijken de nacht-ploegen ruwweg 4% meer loon te ontvangen dan de dag-ploegen. Bij gediplomeerde verpleegsters loopt dat zelfs op tot 12%. En er zijn aanwijzingen, dat banen met een grotere kans op een noodlottig ongeval beter worden betaald.

Sectoren met een geringe baan-zekerheid betalen gemiddeld 4% hogere lonen dan overigens vergelijkbaar werk elders. Het betreft hier werk, waarbij het ontslag voorspelbaar is, bijvoorbeeld door seizoens-invloeden of door de regelmatige ombouw van de productie-lijn. In de automobiel-industrie is dat zelfs 6-14%, en in de bouw 6-11%. In de landbouw krijgen de seizoens-werkers 9-12% meer loon dan de vaste krachten. De twee economen veronderstellen, dat zulke verschillen (differentials) daadwerkelijk aantrekkelijk zijn voor een bepaald type werkers, die geen bezwaar hebben tegen nu en dan een tijdje werkloos zijn. Denk ook aan de werkloosheid van onderwijzend personeel in de zomer-vacantie. Deze resultaten suggereren, dat de arbeids-markt daadwerkelijk functioneert7.


Externe effecten

Wat zal er gebeuren, wanneer er structureel werkloosheid is, zodat sommige werkers elke baan moeten accepteren? Dan is er geen mogelijkheid van mobiliteit en dus geen markt. En stel eens, dat de werker nooit anders heeft meegemaakt dan flex-werk. Dan valt baan-zekerheid buiten zijn kennis-horizon. Of wellicht heeft hij zijn arbeids-contract nooit goed bestudeerd, en is zich onvoldoende bewust van de flex-clausules. Ook dan faalt de markt-werking. In zulke situaties hoeft de ondernemer geen compensatie te betalen aan de werker. Hij kan zijn kosten afwentelen op het personeel, waardoor er een negatief extern effect ontstaat8.

Beschouw het geval van een bilaterale externaliteit9. Er zijn een ondernemer en een werker, die een arbeids-verband aangaan. In het contract wordt de flexibiliteit vast gelegd op een niveau h, waarbij een hogere h-waarde meer onzekerheid betekent. Ieder van de twee participanten maximaliseert zijn eigen nut:

(1a)     max(x, h) uj(x, h)
(1b)     onder de voorwaarde p · x ≤ w

In de formule 1a staat de index j voor ondernemer of werker. De vector x geeft de consumptie-hoeveelheden aan, waaruit hij kan kiezen. In de formule 1b stelt de vector p de prijzen van de consumptie-goederen voor, en w is het inkomen van participant j. Geen van de twee participanten kan meer besteden dan zijn budget. Een andere aanpak zou zijn om de ondernemer zijn winst te laten maximaliseren, onder de neven-voorwaarde dat de productie-kosten niet groter zijn dan het budget. Die aanpak zou echter het nu volgende betoog niet essentieel veranderen.

Veronderstel, dat de maximalisatie van de consumptie-hoeveelheden x onafhankelijk is van de optimalisatie van het flex-niveau h. Neem bovendien aan, dat de mate van flexibiliteit niet doorwerkt in het inkomen w. Uiteraard spaart de onderneming kosten uit, maar dat vergroot hypothetisch niet het inkomen van de ondernemer. Dan zal het stelsel 1a-b vereenvoudigen tot

(2)     max(h) uj(h)

Echter bij externe effecten kan enkel de handelende "dader" invloed uitoefenen, en dat is hier de ondernemer. Hij zal kiezen voor het niveau h*, waarvoor geldt ∂u(h*)/∂h = 0. Nu is een economisch systeem slechts dan Pareto-optimaal, wanneer de productie en de verdeling met de maatschappelijke hulp-middelen en technische mogelijkheden zodanig zijn georganiseerd, dat geen enkele participant zich kan verbeteren zonder een andere participant te benadelen. Aangezien de ondernemer hier h optimaliseert zonder rekening te houden met de werker, ontstaat geen Pareto-doelmatigheid.

Figuur van de twee grensnutten
Figuur 2: De grensnutten van o en w

De realisatie van Pareto optimaliteit of efficiëntie vereist in deze toestand dat de formule 2 wordt vervangen door

(3)     max(h) uo(h) + uw(h)

In de formule 3 staan de indices o en w voor respectievelijk de ondernemer en de werker. Er volgt dat in het optimum h** moet gelden

(4)     ∂uo(h**) / ∂h = -∂uw(h**) / ∂h

De formule 4 laat zich als volgt verklaren. Voor de werker is flexibiliteit geen nut maar een leed of last. Dat wordt duidelijk door het nut te voorzien van een min-teken. Verder zal bij een stijgend niveau h het grensnut van de ondernemer afnemen, zoals gebruikelijk, en het grensleed van de werker zal toenemen. De formule 4 eist voor het optimum, dat het grensnut van de ondernemer gelijk is aan het grensleed van de werker. Deze constructie van het optimum is grafisch afgebeeld in de figuur 2. Daarin is zichtbaar, dat h** kleiner is dan h*. Kennelijk moet bij Pareto-efficiëntie de ondernemer, die wil flexibiliseren, zich inderdaad enigszins inhouden ten gunste van de werker.

Des al niet te min merk ook op, dat het negatieve effect niet geheel wordt weg gehaald. De schadelijkheid van externaliteit zit niet in het optredende verschijnsel op zich. Dat is al gebleken in de hedonistische loon-theorie, waar op een fatsoenlijk functionerende arbeids-markt de werkers bereid zijn om enige flexibiliteit te accepteren. Het compenserende loon bevredigt hun behoefte in voldoende mate om dat arbeids-leed te kunnen verdragen. Dit toont aan, dat de behartigers van werkers-belangen niet gedachtenloos moeten proberen om alle leed helemaal uit te bannen! De ellende van de externaliteit zit er in, dat er buitensporig véél arbeids-leed wordt voortgebracht. Aldus leert de theorie een wijze les.


Geboden en heffingen

Omwille van het maatschappelijke welzijn moeten de externe effecten worden opgenomen in het economische systeem. Met andere woorden, zij dienen te worden geïnternaliseerd. Daarvoor zijn drie alternatieve instrumenten beschikbaar: gebods-bepalingen, heffingen, en onderhandelingen. Deze paragraaf beschouwt de eerste twee instrumenten. Een gebod is uiterst simpel: de staat verplicht de ondernemer tot een flexibiliteits-niveau van ten hoogste h**. Vervolgens zal de ondernemer inderdaad het hoogst toegestane niveau opzoeken, waarmee de Pareto-optimale toestand van de formule 4 wordt gerealiseerd.

Het tweede instrument, de heffing, wordt de Pigoviaanse belasting genoemd, omdat de econoom Arthur C. Pigou haar heeft bedacht. Bij de uitleg is het nodig om een extra aanname te maken bij de nuts-functie, namelijk dat zij lineair afhangt van het inkomen w. Met andere woorden, er geldt dat uj(x, h) = wj + φ(h), waarin φ de functionele afhankelijkheid van h uitdrukt. Dit wordt een quasi-lineaire nuts-functie genoemd. Feitelijk wordt de waren-mand x hier omgezet in een samengesteld goed, dat in zijn geheel is gerepresenteerd door het inkomen wj. De flexibiliteit h heeft daarop verder geen invloed.

De Pigoviaanse heffing belast elke eenheid van flexibiliteit, die de ondernemer opneemt in het arbeids-contract, met een belasting=percentage t. De staat neemt via de heffing als het ware de rol over van de ontbrekende markt-macht van de werker. Daardoor verandert de nuts-maximalisatie van de ondernemer in

(5)     max(h) uo(h) − t × h

Merk op, dat de redenatie van de Pigoviaanse heffing net zo verloopt, wanneer de ondernemer niet zijn nut maximaliseert, maar zijn winst. In dat geval straft de heffing elke uitbreiding van het flex-werk af met een winst-daling.

Als de staat de Pareto-optimale toestand wil bereiken, dan moet hij de heffings-voet t exact gelijk maken aan het grensleed van de werker in het optimum. Wiskundig gezegd is dat

(6)      t = -∂uw(h**) / ∂h.

Immers dan zal de maximalisatie van de formule 5 vanzelf leiden tot de identiteits-eis in de formule 4. De ondernemer internaliseert als het ware de externaliteit, waaronder de werker lijdt.

De Pigoviaanse heffing heeft als voordeel boven een gebods-bepaling, dat zij de ondernemer blijft prikkelen om het flex-werk te verminderen, tot tenslotte h=0 is bereikt. Dit zou belangrijk kunnen worden, indien de besparingen van de ondernemer uit flex-werk zouden inzakken. Beide instrumenten hebben het probleem, dat de staat op de één of andere manier het Pareto-optimale punt h** moet zien te bepalen. De staat zou de behoeften van de ondernemer en van de werker moeten kennen. Dat lukt vaak enkel door een langdurig proces van uitproberen. Nogmaals zij benadrukt, dat het niet de bedoeling is om het flex-werk gehéél uit te bannen.


Onderhandelingen

De econoom Ronald Coase heeft een derde instrument bedacht, waarmee de Pareto-optimale toestand kan worden bereikt, namelijk door middel van onderhandelingen tussen de betreffende participanten. De onderhandelingen hebben het voordeel, dat de staat niet tussen beide hoeft te komen. De staat hoeft slechts eigendoms-rechten toe te kennen aan het handelen, dat de externe effecten veroorzaakt. Één van de twee participanten kan als eigenaar het handelen verbieden, met als gevolg dat de andere participant voor het bereiken van zijn doel is aangewezen op verleidings-methoden.

Het instrument van Coase is bijvoorbeeld denkbaar in een toestand, waar de vak-beweging algemeen bindend verklaarde collectieve arbeids overeenkomsten afsluit. Daarin zou kunnen worden vast gelegd, dat flex-werk ongeoorloofd is, tenzij de werkers er zelf mee instemmen. De werkers bezitten dan het recht op flex-vrij werk. Vervolgens kan ondernemer aan de werker een loons-verhoging Δw voorstellen, mits die bereid is om alsnog enige flexibiliteit te accepteren.

De vraag is welk bod de werker zal accepteren. Een sluwe werker zal streven naar een maximaal onderhandelings-resultaat. Dat is gedefinieerd door

(7a)     max(h, Δw) uw(h) + Δw
(7b)     onder de voorwaarde uo(h) − Δw ≥ uo(0)

Merk op, dat gemaks halve opnieuw is uitgegaan van quasi-lineaire nuts-functies, zodat het bod Δw zowel een geld-bedrag als een hoeveelheid nut representeert.

De formule 7a maakt direct duidelijk: de werker wil gewoon zijn nut maximaliseren. De formule 7b garandeert, dat de ondernemer niet slechter af is, en dit bod van Δw voor een flexibiliteits-niveau h daadwerkelijk zal willen doen. Welke Δw de werker ook wil bereiken, hij wil daarbij h zo laag mogelijk houden. Daarom zal de werker afdwingen, dat de ondernemer berust in het voor de werker meest gunstige geval, de onderste grens van de ongelijkheid, te weten uo(h) = Δw + uo(0). Feitelijk is het voor de ondernemer bij dit bod onverschillig of de werker het al dan niet aanneemt.

Het ultieme bod Δw van de ondernemer kan worden ingevuld in de formule 7a, met als resultaat

(8)     max(h) uw(h) + uo(h) − uw(0)

Uiteraard kan de term uw(0) worden genegeerd bij de maximalisatie, met als gevolg dat de formule 8 identiek is aan de formule 3. Opnieuw blijkt de Pareto-optimale situatie te worden bereikt, met een flexibiliteit van h**. Dit derde instrument heeft ten opzichte van de twee eerdere het voordeel, dat de staat geen kennis hoeft te verzamelen over de behoeften van de twee participanten. De participanten zelf moeten wèl goed bekend zijn met elkaars preferenties.

Merk op, dat de grootheid Δw/h** als het ware de prijs is van een eenheid flex-werk. Het onderhandelings-proces heeft een soort van markt gecreëerd voor het recht om de externe effecten voort te brengen. Als er niet twee, maar vele participanten actief zouden zijn op deze markt, dan zouden ze allemaal moeten veranderen in prijs-nemers. De directie invloed van het externe effect zou zijn terug gebracht tot de indirecte invloed van de prijs.


De loon-theorie van De Wolff

Dit portaal zou zijn naam niet waard zijn, wanneer in de column niet ook de visie van Sam de Wolff op de arbeidsmarkt zou worden vermeld. Zij is behandeld in een voorgaande column. Als marxist is De Wolff overtuigd, dat in het kapitalisme de werkloosheid structureel is. Hij ontwikkelde zelfs een theorie om dat te bewijzen. Een bijzonder aspect aan zijn theorie is de samenhang tussen het loonpeil, de arbeidstijd, en de werk-gelegenheid. Aangezien de ondernemers de winst optimaliseren en voor dat doel de uitbuitings-graad maximaal willen maken, zullen loon-stijgingen gepaard moeten gaan met een verkorting van de arbeids-dag. De arbeidstijd-verkorting moet voorkomen, dat de loon-kosten te zeer zullen stijgen.

Bovendien laat de theorie van De Wolff loon-stijgingen enkel toe, wanneer ook de werkgelegenheid toeneemt. Helaas geeft hij geen toelichting op dit veronderstelde mechanisme. Immers werkloosheid betekent dat de markt niet is geruimd, zodat een grotere vraag naar arbeid nog geen loon-stijgingen hoeft te veroorzaken. Zo argumenteert althans Marx. Evenmin is duidelijk waarom een dalend loon-peil automatisch zou samengaan met meer werkloosheid. Inderdaad stelt het traditionele neoklassieke model, dat bij dalende lonen de werkers zullen kiezen voor meer vrije tijd. Maar ook wordt algemeen erkend, dat deze voorstelling van zaken tè simpel is10. Trouwens, een marxist als De Wolff heeft weinig op met zulke neoklassieke gedachten.

Hoe is dan te verklaren dat in een niet-ruimende arbeids-markt een dalende werkloosheid leidt tot hoger loon-peil? Heeft De Wolff hierbij het beeld voor ogen van een sterke vak-beweging, die althans in economisch goede tijden zou kunnen voorkomen dat de werkloosheid de arbeids-voorwaarden ondermijnt11? Maar is het werkelijk zo, dat de ondernemers in tijden van stijgende werkloosheid aandringen op langere arbeids-dagen? Uw columnist zou het niet weten.

  1. De inhoud in deze paragraaf is ontleend aan hoofdtuk 8 in Modern labor economics (2009, Pearson Education, Ltd.) van R.G. Ehrenberg en R.G. Smith. Zij gebruiken als voorbeeld de arbeids-veiligheid, en in een aanhang de baan-zekerheid.
  2. Waarschijnlijk zijn de argumenten het meest overtuigend geformuleerd in Das Kapital, van K.H. Marx en F. Engels. Neoklassieke economen gebruiken het tegen-argument, dat werkloosheid structureel ontstaat door de wrijving op de arbeids-markt. Het kost enige tijd alvorens de vraag en het aanbod elkaar vinden. Echter in de praktijk blijkt de structurele werkloosheid ruimtelijk en temporeel te variëren tussen bijna nul en 10% of meer, ondanks de vergelijkbare wervings-omstandigheden. Dat ondermijnt het wrijvings-argument. Klaarblijkelijk heeft structurele werkloosheid wel degelijk extern opgelegde oorzaken.
  3. De economische richtingen-strijd over de dominantie van objectieve of subjectieve drijf-veren heeft zelfs de literatuur bereikt. Aldus schrijft Jef Last in zijn roman De laatste waarheid (p.35): Maar héelemaal woedend was hij geworden toen Ralph, ditmaal op eigen houtje, naast het productie-proces aan de eene zijde, het onderbewuste en wat daarmee samenging als twéede basishoek binnen wilde smokkelen. Het Trojaansche paard der irrationeele speculatie mocht in de heilige vesting der Marxistische rekenkunde niet binnen-dringen. Hier stond Alexej als wachter en verdedigde de wallen tegen iedere ondermijning door de benden van Freud en Bergson.
  4. Trouwens, er bestaat een grote hoeveelheid aan literatuur, met name vanuit de vakbeweging. Men spreekt wel van een twee-deling of segmentering op de arbeids-markt, waarbij het kern-personeel in vaste dienst naar believen wordt aangevuld met gemarginaliseerde werkers. Deeltijd-arbeid, uitzend-werk, thuis-werk, oproep- en minimax-contracten zijn vaak manieren om te besparen op de arbeids-kosten. Het flexibele personeel heeft minder rechten, en kan vaak niet deelnemen aan collectieve arrangementen en aan de medezeggenschap. Ze hebben weinig kans op mobiliteit binnen de onderneming. De lezer die temidden van alle geschriften niet weet te kiezen, zou het FNV-boekje Flexibilisering & segmentering (1986, uitgeverij Jan van Arkel) van T. Bos en F. Vaas kunnen naslaan. Het is geschreven kort na het "akkoord van Wassenaar", waarin de bonden atbeidstijd-verkorting wilden uitruilen tegen flexibiliteit en automatisering. Sindsdien is de toestand verder verslechterd door de opleving van de arbeids-migratie in de Europese Unie. Regelmatig negatief in het nieuws komen onder andere de tuinbouw en de distributie-sector.
  5. Met de leeftijd van dit portaal worden de teksten het helaas ingewikkelder. Hopelijk groeit het lezers-publiek mee. Wie nog eens wil nalezen wat een map van indifferentie-curven is, kan de column erover naslaan.
  6. Zie hoofdstuk 8 van Modern labor economics.
  7. Ehrenberg en Smith vermelden niet, of ook de bijkomende arbeids-voorwaarden zijn meegeteld in de vergelijkende studies. Voor een eerlijke vergelijking is dat natuurlijk wel nodig, omdat flex-werk vaak buiten allerlei collectieve voorzieningen valt.
  8. Interessant is ook de afwenteling van ondernemers-kosten op de maatschappij. Als flex-werkers tijdelijk worden geparkeerd in de bijstand, dan wordt de staat deels verantwoordelijk gemaakt voor het levens-onderhoud van de werker. Dat zou overigens een bewuste keuze kunnen zijn, met instemming van allen, namelijk wanneer het onmogelijk is om voldoende productieve werkgelegenheid te scheppen. Des ondanks kan dat nauwelijks een gezonde toestand worden genoemd, zodat er kennelijk sprake moet zijn van een systeem-falen. De afwenteling op de maatschappij blijft in deze column verder buiten beschouwing.
  9. Het nu volgende betoog is met enkele aanpassingen overgenomen van paragraaf 11B in Micro-economic theory (1995, Oxford University Press, Inc.) van Andreu Mas-Colell, Michael D. Whinston en Jerry R. Green.
  10. De tegenwoordig gangbare theorie gaat ervan uit, dat in marginale arbeids-verhoudingen werkers langer zullen gaan werken om daardoor alsnog te kunnen voorzien in hun levens-onderhoud. Zie de column over arbeids-kwaliteit.
  11. De vak-beweging zou dan op de één of andere wijze de werklozen moeten kunnen afhouden van onderkruipings-methoden, zoals het breken van de staking. Een denkbare en zelfs slimme manier is, dat de bonden beloven aan de werklozen, dat de arbeidstijd-verkorting zal worden gecombineerd met meer werk-gelegenheid. In slechte tijden zou dat mislukken, omdat dan de macht van de bonden instort. Dan zouden de lonen dalen en de arbeids-tijden zouden toenemen. Daar boven op zou ook nog de werkloosheid groeien, wellicht doordat de langere arbeidstijd arbeids-plaatsen verdringt.
    Walter van den Broeck zet in zijn toneelstuk Groenten uit Balen de dilemma's voor de werker treffend op schrift (p.55): In 't begin laat ge u opstoken en denkt ge: ik moet naar de fabriek. Ik moet hier mijn tijd niet zitten verbeuzelen, maar nadien leert ge dat ge groot gelijk hebt dat ge staakt. Voor zeven, achtduizend frank staat ge in die stink-fabriek te rotten en ge kunt uw gezin maar de helft geven van wat ge het zoudt willen geven. En ge begint er in te geloven. Gij zijdt blij dat ge hulp krijgt van alle kanten. Schoolmeesters, ingenieurs, studenten: ze helpen u allemaal. Maar 't is hard. 'n Mens die gewoon is zijn handen uit de mouwen te steken, die voelt zich niet op zijn gemak als hij zeven weken aan een stuk thuis zit. 't Is precies of ge ziek zijt. Ja, zo voelt ge u.